HR 11-01-2002 (X/WBP), JOL 2002, 14


Beoordeling. Bewijs.

De werkgever heeft de werknemer nadat deze van eind 1995 tot eind 1996 als portefeuille manager heeft gewerkt, ongeschikt geacht voor deze functie. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat hij vanaf 1 januari 1996 als portefeuille manager in dienst is bij de werkgever. De kantonrechter wijst de vordering af evenals de rechtbank in hoger beroep. De werknemer gaat in cassatie, stellende dat bewezen was dat hij geschikt was voor de door hem geambieerde functie, gezien het feit dat hij inmiddels een jaar op proef in deze functie werkzaam was geweest. Volgens de werknemer was de rechter gebonden aan dit bewijs, anders had hij zijn oordeel hierover dienen te motiveren. Volgens het OM gaat het niet om de vraag of de rechter bewezen acht dat de werknemer geschikt is voor een bepaalde functie maar om de vraag of de werkgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de werknemer niet geschikt was. Het feit dat iemand voldoende functioneert wil niet zeggen dat iemand geschikt is voor een functie. Het is slechts een aanwijzing dat iemand geschikt zou kunnen zijn. De rechtbank heeft klaarblijkelijk op grond van verschillende documenten geconcludeerd dat de werkgever een redelijk oordeel over de geschiktheid van de werknemer heeft gevormd en dat hij gehouden is dit oordeel te respecteren. De Hoge Raad volgt de conclusie van het OM en verwerpt het beroep zonder nadere motivering op grond van art. 101a Wet RO.

Terug naar overzicht