HR 11-07-2003 (Van den Kieboom/Lensvelt), RvdW 2003, 130, JOL 2003, 396, NJ 2003, 567


Ontbinding wanprestatie.

Een arbeidsongeschikte financieel directeur, één jaar in dienst, vordert ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van toerekenbaar tekortschieten van de werkgever en een schadevergoeding van NLG 1.020.628,--. De kantonrechter wijst, na de werknemer bij tussenvonnis te hebben toegelaten tot bewijslevering, de vordering af. De werknemer gaat in hoger beroep, doch de rechtbank bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter. In cassatie gaat het om de vraag of de rolrechter dan wel de rechtbank de werknemer tot pleidooi had moeten toelaten. De Hoge Raad stelt voorop dat de beslissing van de rolrechter, die erop neerkomt dat het verzoek om pleidooi wordt geweigerd, moet worden aangemerkt als een vonnis waartegen cassatieberoep openstaat en dat geldt ook voor de brieven van de griffier namens de rolrechter. In beginsel hebben partijen het recht op pleidooi, ook in een geval waarin de rolrechter heeft toegestaan dat na de memorie van grieven en de memorie van antwoord nog een memorie uitlating producties en een antwoord daarop werden genomen. Een verzoek om pleidooi mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden geweigerd, waarbij noodzakelijk is dat de wederpartij klemmende redenen aanvoert tegen het verzoek of de toewijzing in strijd is met de goede procesorde (zie HR 15-11-2002, RvdW 2002, 185). Nu de werkgever geen bezwaar heeft gemaakt en ook niet blijkt van strijd met de eisen van een goede procesorde, had het pleidooi de werknemer niet mogen worden onthouden. Het oordeel van de rechtbank dat het Landelijk Rolreglement meebrengt dat in dit geval geen recht op pleidooi bestaat is onjuist. Bepalingen in het Landelijk Rolreglement kunnen niet afdoen aan het op art. 144 Rv (oud) gebaseerde recht op pleidooi. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het hof.

Terug naar overzicht