HR 12-12-2003 (Van Duiven/Boks), JOL 2003, 657, RvdW 2003, 195


Bepaalde tijd. CAO. Opzegging. RDA-/CWI-vergunning. Wettelijke verhoging.

Een werknemer treedt voor de duur van twee maanden in dienst als leerling-voeger bij een voegersbedrijf (salaris NLG 692,17 bruto per week). De arbeidsovereenkomst is conform de CAO schriftelijk vastgelegd, de voortzetting van de arbeidsovereenkomst daarentegen niet. Vier maanden na de voortzetting, als de werknemer ziek is, zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst op tegen 19 december 1997, op grond van werkvermindering. Op 22 april 1998 is de werknemer weer hersteld en één jaar later heeft hij ander werk. De werknemer roept de nietigheid van het ontslag in en wijst op de opzegging tijdens ziekte. Hij vordert een verklaring voor recht en doorbetaling van loon tot 22 april 1999, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%. De werknemer stelt dat voor beëindiging van de voortgezette arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een ontslagvergunning vereist is. De werkgever beroept zich op de CAO op grond waarvan de arbeidsovereenkomst wegens einde van het project kan worden opgezegd, zij het dat de arbeidsovereenkomst tijdens de arbeidsongeschiktheid doorloopt tot aan de dag van hersteldverklaring. Omdat het ging om een voortgezet dienstverband voor bepaalde tijd was volgens de werkgever voor de opzegging geen toestemming van de RDA nodig. De kantonrechter overweegt dat op grond van de CAO iedere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, dus ook de verlenging voor bepaalde tijd, schriftelijk moet worden vastgelegd. Nu de verlenging niet schriftelijk is vastgelegd moet er vanuit worden gegaan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat de werkgever stelt dat de arbeidsovereenkomst is verlengd voor de duur van het project, dient hij dit te bewijzen. Slaagt de werkgever niet in het bewijs, dan is de arbeidsovereenkomst voortgezet voor onbepaalde tijd en geëindigd op het moment dat de werknemer elders in dienst is getreden. De kantonrechter acht de werkgever niet geslaagd in het bewijs en veroordeelt hem tot betaling van loon over de periode van 19 december 1997 tot 22 april 1999. De gevorderde wettelijke verhoging wordt afgewezen. De werkgever gaat in hoger beroep. De rechtbank vernietigt het vonnis en veroordeelt de werkgever tot betaling van loon over de periode van 19 december 1997 tot 22 april 1998 (de dag van hersteldverklaring). De rechtbank is met de werkgever van oordeel dat het in de CAO genoemde schriftelijkheidsvereiste alleen geldt voor de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en niet voor een stilzwijgende verlenging. Op grond van art. 7:668 BW (oud) is de arbeidsovereenkomst steeds voor twee maanden stilzwijgend voortgezet. Aangezien de werknemer werkzaam was op een project en dit project 19 december 1997 was geëindigd, is de arbeidsovereenkomst op grond van de CAO op de laatste dag dat de werknemer arbeidsongeschikt was geëindigd (22 april 1998). …

Terug naar overzicht