HR 12-12-2003 (X/Philips), JOL 2003, 656


Executiegeschil. Ontbinding gewichtige redenen. Pensioen. Schadeloosstelling.

De arbeidsovereenkomst van een schade-expert bij een 100%-dochter van een gloeilampenfabriek (zes jaar in dienst) wordt ontbonden met een vergoeding van NLG 200.000,-- netto. De werknemer is eerder al ruim 13 jaar in dienst geweest als accountant. In de akte van dading is opgenomen als extra pensioenvoorziening dat de werkgever NLG 500.000,-- bruto afstort ten behoeve van een periodieke uitkering aan de werknemer. De werknemer vordert vijf extra pensioenjaren en de helft van het aantal pensioenjaren terzake van zijn eerdere dienstverband. De kantonrechter wijst de vordering af evenals de rechtbank. De werknemer gaat niet in cassatie, maar vordert in een nieuwe procedure veroordeling tot betaling van de koopsomwaarde van bovengenoemde pensioenrechten en een schadevergoeding wegens onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen voorafgegaan aan de beëindiging van het dienstverband. De rechtbank wijst de vordering af en het hof bekrachtigt het vonnis. Het hof overweegt dat de kantonrechter in een eerdere procedure de vordering van de werknemer heeft afgewezen, omdat de kwestie onderdeel uitmaakte van de dading en dat de rechtbank het vonnis heeft bekrachtigd. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan en dus heeft de beslissing in beginsel gezag van gewijsde op grond van art. 67 Rv (oud). Dat de vordering thans op onrechtmatige daad is gebaseerd, laat dit gezag van gewijsde onverlet omdat de gevorderde schade dezelfde is. De werknemer gaat in cassatie. Het OM stelt dat het feit dat een vordering in een eerdere procedure op een andere feitelijke grondslag werd ingesteld en dat die vordering toen werd afgewezen, niet uitsluit dat eenzelfde vordering in een volgende procedure tussen dezelfde partijen op een andere grondslag wordt toegewezen. Dit wil echter niet zeggen dat wanneer een vordering op een nieuwe feitelijke grondslag wordt ingesteld het bepaalde in art. 67 Rv (oud) nooit aan toewijzing daarvan in de weg staat. Op grond van het vonnis van de rechtbank moet als vaststaand worden aangenomen dat partijen als gevolg van de vaststellingsovereenkomst terzake van de pensioenrechten niets meer van elkaar te vorderen hebben. Tegen die achtergrond doet niet terzake op welke grond de werknemer de pensioenrechten aan de orde stelt. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 81 Wet RO.

Terug naar overzicht