HR 13-09-2002 (X/Stichtingen), JOL 2002, 457


CAO.

Een aantal stichtingen, waaronder het Bedrijfspensioenfonds, stelt dat de werkzaamheden van een bedrijf dat in opdracht van derden machinaal verf aanbrengt op roerende zaken van die derden, vallen onder de CAO en zij vorderen een verklaring voor recht dat onder andere de bedrijfspensioenregeling van toepassing is. De werkgever stelt dat zijn bedrijf niet onder de CAO valt omdat hij het te verven materiaal niet voorbewerkt en dit een cumulatieve eis is in de CAO. De kantonrechter is van oordeel dat het woord "en" in de CAO-tekst niet cumulatief moet worden opgevat en wijst de vordering toe, evenals de rechtbank. Het OM overweegt dat volgens vaste jurisprudentie voor de uitleg van een CAO de bewoordingen daarvan gelezen in het licht van de gehele tekst in beginsel van doorslaggevende betekenis is (in afwijking van het zogenaamde Haviltex-criterium). Dat de Hoge Raad hiermee de grammaticale interpretatiemethode zou hebben aanvaard is volgens het OM niet juist. Het OM is het eens met Bakels in zijn conclusie bij de uitspraak van de Hoge Raad van 26-05-2002 (ANF/FNV, RvdW 2000, 142, JOL 2000, 319, NJ 2000, 473, JAR 2000, 151, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 71), dat een CAO dient te worden uitgelegd overeenkomstig hetgeen naar objectieve maatstaven uit de bewoordingen daarvan volgt. Er behoort dus geen sprake te zijn van een in beginsel grammaticale uitleg doch vindt de grammaticale uitleg steeds plaats naast andere uitlegmethoden. Het OM is met de rechtbank van mening dat het woordje "en" in de zin: "onder uitoefening van het schilder-, afwerkingsen glaszetbedrijf wordt verstaan het bedrijfsmatig verrichten van één of meer van de volgende werkzaamheden: het aan of in roerende en onroerende goederen aanbrengen van verven of soortgelijke producten en het verrichten van werkzaamheden die met het aanbrengen van deze materialen samenhangen als schoonmaken, egaliseren, repareren van ondergronden etc." geen cumulatieve betekenis heeft. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 81 Wet RO.

Terug naar overzicht