HR 14-06-2002 (Bulut/Troost), RvdW 2002, 100, JOL 2002, 339, JAR 2002, 165


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling. Sociaal plan.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 165.

In het kader van een reorganisatie heeft de werkgever na daartoe van de RDA verkregen ontslagvergunning een groep werknemers ontslagen. De Centrale Ondernemingsraad van de werkgever heeft positief over de reorganisatie en de personeelsinkrimping geadviseerd. Met de betrokken vakorganisaties is een sociaal plan afgesloten. De vakorganisatie van de werknemer is wel betrokken geweest bij de totstandkoming van het Sociaal Plan, maar heeft geweigerd dit mede te ondertekenen. De werkgever heeft de werknemer een beëindigingsvergoeding aangeboden conform het Sociaal Plan, maar de werknemer heeft dat aanbod niet geaccepteerd. De werknemer heeft schadevergoeding gevorderd op de grond dat het hem door de werkgever verleende ontslag kennelijk onredelijk is. De rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter waarin de vordering is afgewezen bekrachtigd. Zij heeft daartoe overwogen dat "een ontslag, waarbij aan de werknemer een voorziening wordt aangeboden die overeenkomt met de in een sociaal plan opgenomen regeling, eerst dan als kennelijk onredelijk (kan) worden aangemerkt indien in die regeling op onvoldoende wijze tegemoet wordt gekomen aan de bijzondere omstandigheden van de individuele werknemer, welke bijzondere omstandigheden zodanig gekwalificeerd moeten worden dat de werkgever de betreffende werknemer niet met anderen over één kam kan en mag scheren. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft de werknemer niet gesteld. Evenmin is daarvan gebleken". De werknemer heeft tegen dit oordeel het cassatiemiddel gericht. De Hoge Raad overweegt dat naar de rechtbank - in cassatie niet bestreden - heeft vastgesteld, het sociaal plan in overleg met de representatieve vakorganisaties is totstandgekomen. Nu de rechtbank de status van het sociaal plan uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de werknemer niet aan dit plan als deel van een (collectieve) arbeidsovereenkomst gebonden is. In een dergelijke situatie vormt bij de beantwoording van de vraag of een in het kader van een reorganisatie gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, het feit dat de voor de werknemer getroffen voorziening in overeenstemming is met het sociaal plan, een aanwijzing dat die voorziening toereikend is, zij het dat de rechter zich niet kan onttrekken aan een beoordeling van de redelijkheid van de voorziening als die wordt betwist. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, geeft het oordeel van de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Terug naar overzicht