HR 14 januari, NJ 2011, 114: Tussentijdse beëindiging van huurovereenkomsten in faillissement


Op grond van art. 39 Fw kan zowel de verhuurder als de curator van de failliete huurder een lopende huurovereenkomst tussentijds opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van maximaal drie maanden. Dit is voor een verhuurder vanzelfsprekend bezwarend. Om dit probleem te ondervangen spreken de verhuurder en de huurder veelal af dat de huurder een schadevergoeding voor gederfde huurtermijnen is verschuldigd als de huurovereenkomst tussentijds wordt opgezegd door de curator en dat de huurder tot zekerheid van deze verplichting een abstracte bankgarantie moet laten stellen (die in de regel op verzoek van de bank zal zijn afgedekt door een door de huurder afgegeven contragarantie). De Hoge Raad laat zich in het arrest Aukema q.q./Uni-Invest uit over de vraag of art. 39 Fw in de weg staat aan het vorderen van schadevergoeding na opzegging van de huurovereenkomst door de curator op de voet van deze bepaling.

1 Arrest Hoge Raad (Aukema q.q./Uni-Invest)

Aan het onderhavige arrest ligt een vergelijkbare casus ten grondslag als hierboven uiteengezet.

De huurder wordt failliet verklaard. De curator zegt vervolgens de huurovereenkomst op de voet van art. 39 Fw op. Hierna claimt de verhuurder schadevergoeding claimt onder de bankgarantie, die vervolgens door de bank via de contragarantie ten laste van de boedel wordt gebracht.

De curator is van mening dat de strekking van art. 39 Fw zich verzet tegen de afspraken tot betaling van schadevergoeding en het stellen van een abstracte bankgarantie en vordert de veroordeling van de verhuurder tot betaling aan de boedel van de schadevergoeding die de verhuurder onder de bankgarantie heeft ontvangen.

De Hoge Raad overweegt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis…

Verder lezen
Terug naar overzicht