HR 17-01-2003 (ABN/Teisman), RvdW 2003, 14, JOL 2003, 32, JAR 2003, 40


CAO. Competentie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 40.

De werknemer is in 1960 in dienst getreden bij (een rechtsvoorgangster van) de bank. Hij is nimmer lid geweest van een vereniging die partij is/was bij de CAO voor het Bankbedrijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat de werknemer niettemin in beginsel aan de CAO is gebonden omdat partijen dat in de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen. Op grond van art. 14a van de CAO (leeftijdsontslag) is het dienstverband van de werknemer geëindigd op 23 juni 1999. De werknemer wil hiermee niet instemmen en heeft daarom de onderhavige procedure aangespannen. De rechtbank heeft in hoger beroep geoordeeld dat de binding van de werknemer aan de CAO zich niet uitstrekt tot het in de CAO voorkomende arbitraal beding. De Hoge Raad overweegt dat in het licht van art. 1020 lid 5 en 1021 Rv moet worden geoordeeld dat het arbitrale beding in de CAO is aan te merken als een geldige overeenkomst tot arbitrage, zoals bedoeld in art. 1020 lid 1 Rv, tenzij een andere wettelijke bepaling hieraan in de weg mocht staan. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is dit laatste niet het geval. Art. 17 van de Grondwet, bepalend dat niemand tegen zijn wil kan worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent, staat niet in de weg aan de regeling die in art. 1020 e.v. Rv is gegeven voor het overeenkomen van arbitrage. Art. 2 Wet AVV bepaalt in lid 5, aanhef en onder a, slechts dat van verbindendverklaring zijn uitgesloten bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, die ten doel hebben de beslissing van de rechter omtrent twistgedingen uit te sluiten. Een bepaling omtrent de eisen, te stellen aan een overeenkomst tot arbitrage tussen een werkgever en een werknemer, valt er niet in te lezen. Art. 14 Wet CAO verplicht een werkgever die door een collectieve arbeidsovereenkomst gebonden is, tijdens de duur van die overeenkomst haar bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden ook na te komen bij de arbeidsovereenkomsten, als in de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld, welke hij aangaat met werknemers die door de collectieve arbeidsovereenkomst niet gebonden zijn, zulks tenzij bij de collectieve arbeidsovereenkomst anders is bepaald. Deze verplichting, die slechts geldt tegenover de partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst, is beperkt tot bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden, met welke beperking de wetgever – naar de rechtbank terecht uit de ontstaansgeschiedenis heeft afgeleid – tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verplichting zich niet uitstrekt tot bepalingen omtrent arbitrage. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, geeft echter ook deze bepaling geen grond om aan te nemen dat, wanneer een werkgever en een niet gebonden werknemer, als bedoeld in art. 14 Wet CAO, overeenkomen…

Terug naar overzicht