HR 22-02-2002 (Looijen/Jansen & De Kruyf), JOL 2002, 117, JAR 2002, 81


Loon. Ontslag op staande voet (onwettig verzuim). Ziekte (second opinion).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 81.

Een 50-jarige meubelstoffeerder, ruim 32 jaar in dienst, meldt zich ziek. Tien dagen later verklaart de verzekeringsarts de werknemer arbeidsgeschikt en een tweede onderzoek daags daarna leidt niet tot een ander oordeel. De werknemer meldt zich niet op het werk en de werkgever staakt de loonbetalingen. De werkgever meent dat er sprake is van werkweigering doch geeft de werknemer een laatste kans om op een bepaalde dag op zijn werk te verschijnen en zijn werkzaamheden te hervatten, op straffe van ontslag op staande voet. Op de bewuste dag meldt de werknemer zich ziek. De Arbo-arts verklaart de werknemer arbeidsongeschikt en na een week weer arbeidsgeschikt. Onderzoek door de verzekeringsarts leidt wederom niet tot een ander oordeel en de werknemer wordt op staande voet ontslagen wegens onwettig verzuim. De werknemer roept de nietigheid van het ontslag in en meldt zich op zijn werk. De werkgever laat hem niet toe tot zijn werkzaamheden en zegt de arbeidsovereenkomst op met toestemming van de RDA met een opzegtermijn van vier maanden. De werknemer vordert vervolgens doorbetaling van loon tot aan de datum van het ontslag en vakantiegeld vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter wijst de vordering toe in tegenstelling tot de rechtbank die de werkgever slechts tot loonbetaling veroordeelt tot aan de datum van het laatste onderzoek, waarbij de werknemer arbeidsgeschikt werd verklaard. De rechtbank heeft op grond van feiten en omstandigheden aangenomen dat de werknemer op die datum arbeidsgeschikt was en dus zijn werkzaamheden diende te hervatten gezien de uitdrukkelijke waarschuwing van zijn werkgever. De rechtbank laat in het midden of de verzekeringsarts direct na het onderzoek heeft medegedeeld dat de werknemer niet arbeidsongeschikt was, hetgeen de werknemer betwist. De werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat bij beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang in aanmerking moeten worden genomen, zoals de aard en de ernst van de reden, de aard en de duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer heeft gefunctioneerd en zijn persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd en de gevolgen van het ontslag. Ook indien deze ingrijpend zijn kan ontslag op staande voet gerechtvaardigd zijn (zie HR 21-01-2000, P/Hema, RvdW 2000, 26, JOL 2000, 35, NJ 2000, 190, JAR 2000, 45, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 315). Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank geen blijk gegeven van bovengenoemde afweging en derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting respectievelijk van onvoldoende motivering. De rechtbank had niet in het midden mogen laten of de…

Terug naar overzicht