HR 24-01-2003 (X/SAV), JOL 2003, 58


Bewijs. Boete. Concurrentiebeding.

Een werkgever vordert één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een commercieel buitendienstmedewerker een verbod tot overtreding van het concurrentiebeding en betaling van de contractuele boete (NLG 55.500,--). De kantonrechter acht de werkgever geslaagd in het bewijs en wijst de boete toe tot een bedrag van NLG 20.500,--. De werknemer gaat in hoger beroep en vordert incidenteel zekerheidstelling voor de betaling van kosten en schade ex art. 152 Rv (oud), omdat de werkgever niet meer bestaat. De rechtbank wijst de vordering tot zekerheidstelling af omdat op grond van art. 353 lid 2 Rv de gedaagde in hoger beroep (in casu de werkgever) niet gehouden is tot zekerheidstelling. De werknemer gaat in cassatie. Het OM overweegt dat het feit dat de werkgever niet meer in het Handelsregister staat ingeschreven, op zichzelf niet wil zeggen dat de werkgever niet meer bestaat. Gesteld noch gebleken is dat de rechtspersoon is ontbonden of juridisch is gefuseerd. Noch de verkoop van de activa en passiva respectievelijk de aandelen, noch naamswijziging doet het bestaan van de rechtspersoon eindigen. Het OM stelt dat het oordeel van de rechtbank inzake de zekerheidstelling juist is. Dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het bewijsaanbod dat de werkgever niet meer bestaat, is niet onbegrijpelijk. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 81 Wet RO.

Terug naar overzicht