HR 31-01-2003 (Weber/UOS), RvdW 2003, 29, JOL 2003, 75, JAR 2003, 71


Competentie. Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 71.

(Zie voorgeschiedenis HR 04-02-2000, RvdW 2000, 42, JOL 2000, 72, JAR 2000, 64, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 87). Een Schotse vennootschap zegt per 30 december 1993 de arbeidsovereenkomst op van een Duitse kok, die vanaf 1987 heeft gewerkt boven het Nederlandse deel van het continentaal plat aan boord van schepen of mijnbouwinstallaties in de zin van de Nederlandse Wet Arbeid Mijnbouw Noordzee. De werknemer acht de beëindiging onrechtmatig. De Kantonrechter Alkmaar acht zich bevoegd kennis te nemen van de vordering van de werknemer in tegenstelling tot de rechtbank. De Hoge Raad legt de zaak voor aan het Europees Hof van Justitie (HvJ EG 27-02-2002, JAR 2002, 208, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 117). Uit de beantwoording van de vragen concludeert de Hoge Raad dat indien de werknemer gewoonlijk arbeid verrichtte op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan Nederland toebehorende deel van het continentaal plat bevonden in het kader van de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan, de Nederlandse rechter op grond van art. 5 sub 1 EEX bevoegd is, tenzij moet worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid. Beslissend is waar de werknemer feitelijk het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht, waarbij de volledige duur van de arbeidsovereenkomst in aanmerking moet worden genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval. Voor beantwoording van deze vraag naar de feitelijke gegevens is onderzoek nodig, waarvoor de Hoge Raad de zaak, onder vernietiging van het vonnis van de Rechtbank Alkmaar, verwijst naar het Hof Amsterdam.

Terug naar overzicht