HvJ EG 01-12-1998 Levez/Jennings, JAR 1999, 34


Gelijke behandeling. Loon. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 34.

Een Engelse werkneemster ontdekt bij ontslagname in maart 1993 dat zij in de periode van december 1991 tot april 1992 minder heeft verdiend dan haar mannelijke collega, die dezelfde werkzaamheden verrichtte. Haar werkgever heeft haar destijds verklaard dat zij hetzelfde verdiende als haar collega. Zij vordert op 17 september 1993 betaling van het verschil. De rechter wijst de vordering weliswaar toe, maar laat op grond van de nationale Wet Gelijke Behandeling weten dat zij geen recht op betaling heeft over de periode tot 17 september 1991 (twee jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de procedure). De werkneemster gaat in beroep, stellende dat de verjaringstermijn in strijd is met het EG-recht. Het Employment Appeal Tribunal legt de zaak voor aan het Europese Hof van Justitie. Het Hof is van oordeel dat ter uitvoering van de gelijke behandelingswet procedures in het leven kunnen worden geroepen als deze maar niet ongunstiger zijn dan vergelijkbare nationale procedures en ook niet het uitoefenen van recht ontleend aan het EG-recht verhinderen. In die zin is een verjaringstermijn van twee jaar in beginsel toegestaan. In dit geval heeft de werkgever de werkneemster opzettelijk verkeerd geïnformeerd over de hoogte van het salaris en zou een verjaringstermijn van twee jaar het recht op gelijke behandeling illusoir maken. De nationale rechter zou in een dergelijk geval de mogelijkheid moeten hebben de verjaringstermijn te verlengen. Het Hof is tevens van oordeel dat nu de werkneemster een andere procedure had kunnen volgen dit van haar gevergd had mogen worden als deze procedure vergelijkbaar zou zijn met andere procedures, die bij vergelijkbare vorderingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst gevolgd moet worden. Het is aan de nationale rechter dit te beoordelen.

Terug naar overzicht