HvJ EG 09-09-2003 (Kiel/Jaeger), JAR 2003, 226


Arbeidstijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 226.

Werknemer Jaeger werkt als assistent-arts op de afdeling chirurgie van een Duits ziekenhuis. Zijn dienst komt overeen met 3/4e van de normale wekelijkse werktijd. Daarnaast moet hij in de regel zes keer per maand een beschikbaarheidsdienst vervullen. Deze volgt op de normale werktijd en duurt 16 uur op werkdagen, 25 uur op zaterdag en bijna 23 uur op zondag. Tijdens de beschikbaarheidsdienst is de werknemer aanwezig in het ziekenhuis en moet hij, indien nodig, zijn beroepswerkzaamheden verrichten. Hij beschikt over een kamer met bed waar hij mag slapen wanneer zijn diensten niet nodig zijn. Gemiddeld werkt hij ongeveer de helft van de beschikbaarheidsdienst. Deze tijd wordt ten dele door vrije tijd en ten dele door betaling van extra salaris gecompenseerd. De werknemer stelt dat de beschikbaarheidsdiensten moeten worden aangemerkt als arbeidstijd in de zin van Richtlijn 93/104. Het Landesarbeitsgericht Sleswich-Holstein stelt hierover prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof overweegt dat het reeds in het arrest Simap (HvJ EG 03-10-2000, JAR 2000, 251, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 19) heeft vastgesteld dat het begrip arbeidstijd gedefinieerd moet worden als tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking staat van de werkgever en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, alsmede dat de begrippen arbeidstijd en rusttijd elkaar uitsluiten. In de zaak Simap zijn dienstperioden van artsen, die fysiek aanwezig moesten zijn in gezondheidscentra, als arbeidstijd aangemerkt. Dit dient ook te gelden voor de beschikbaarheidsdiensten in onderhavig geval. Daaraan doet niet af dat een arts gedurende gedeelten van deze beschikbaarheidsdiensten kan slapen, nu deze perioden inherent zijn aan de beschikbaarheidsdienst waarbij hij fysiek aanwezig moeten zijn. De werknemer moet ook dan gescheiden blijven van zijn gezin en sociale leven en heeft minder vrijheid om de tijd te besteden waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd. Een en ander betekent dat een nationale regeling op grond waarvan alleen die tijd wordt gecompenseerd gedurende welke een werknemer, tijdens een beschikbaarheidsdienst, daadwerkelijk beroepswerkzaamheden heeft verricht, in strijd is met de richtlijn. Een lidstaat is in specifieke gevallen gerechtigd om, in plaats van de in de richtlijn gespecificeerde rusttijden, gelijkwaardige rusttijden aan te bieden. Die moeten dan wel voldoen aan de eisen en doelstellingen van de richtlijn, hetgeen betekent dat zij onmiddellijk moeten volgen op de arbeidstijd die zij geacht worden te compenseren, en dat zij ook dan niet de maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur, overuren inbegrepen, mogen overschrijden.

Verder lezen
Terug naar overzicht