HvJ EG 12-10-2004 (Wippel/P&C), JAR 2004, 279


Afroepovereenkomst. Deeltijdarbeid. Arbeidstijd. Gelijke behandeling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 279.

Tussen de werkneemster en de werkgever is een arbeidsovereenkomst gesloten in de vorm van een oproepcontract, inhoudende dat de werkgever de werkneemster zal oproepen afhankelijk van de hoeveelheid te verrichten werk en dat de werkneemster een werkaanbod kan weigeren zonder dit te hoeven rechtvaardigen. Na gedurende ruim anderhalf jaar op onregelmatige basis werkzaam te zijn geweest, vordert de werkneemster in rechte betaling van de werkgever van het verschil tussen haar salaris en het salaris behorende bij de maximum arbeidstijd. Zij stelt daartoe dat een oproepcontract minder gunstig is dan een "gewoon" arbeidscontract en dat, nu hoofdzakelijk vrouwen op basis van een oproepcontract werkzaam zijn, sprake is van discriminatie naar geslacht. De Oostenrijkse rechter stelt vervolgens prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof stelt eerst vast dat een arbeidsovereenkomst als hier aan de orde, waarin is bepaald dat de duur en de organisatie van de arbeidstijd afhangen van de hoeveelheid te verrichten werk en van geval tot geval in onderling overleg zullen worden bepaald, valt binnen de werkingssfeer van Richtlijn 76/207, omdat een dergelijke overeenkomst regels stelt betreffende de arbeidsvoorwaarden in de zin van art. 5 van deze richtlijn. Daarnaast is Richtlijn 97/81 inzake deeltijdwerk van toepassing indien de betrokken werknemer werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding, als omschreven bij wet, CAO of gebruik in zijn lidstaat, hij minder uren werkt dan een voltijder waarmee hij op grond van de richtlijn vergeleken kan worden en de lidstaat, ingeval van deeltijdwerkers die slechts incidenteel werkzaamheden verrichten, deze niet geheel of gedeeltelijk van de werking van de richtlijn heeft uitgesloten. De werkneemster komt echter geen beroep op één van beide richtlijnen toe. In de eerste plaats is het feit dat in het oproepcontract de omvang van de arbeidstijd niet nader wordt gespecificeerd, niet in strijd met de richtlijnen, omdat de Oostenrijkse wetgeving een maximumarbeidsduur kent voor zowel deeltijders als voltijders en ook oproepkrachten daar dus aan gebonden zijn. Oproepkrachten worden in dit opzicht dus niet minder gunstig behandeld dan andere werknemers. In de tweede plaats kan de werkneemster als oproepkracht niet worden vergeleken met een voltijder als bedoeld in Richtlijn 97/81 omdat bij haar werkgever geen voltijdwerkers zijn met hetzelfde type arbeidsovereenkomst als zijzelf. Aan de vraag of sprake is van discriminatie wordt daarom niet toegekomen.

Terug naar overzicht