HvJ EG 13-12-2001 (Mouflin/Académie), JAR 2002, 21


Gelijke behandeling. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 21.

De werknemer, leraar en staatsambtenaar, heeft om toekenning van rustpensioen met onmiddellijke ingang verzocht teneinde zijn ongeneeslijk zieke echtgenote te kunnen verzorgen. De onderwijsinspecteur heeft het verzoek aanvankelijk ingewilligd, maar is hier later op teruggekomen onder verwijzing naar het feit dat op grond van de wettelijke regeling inzake het rustpensioen alleen vrouwelijke ambtenaren het recht hebben om met onmiddellijke ingang met pensioen te gaan om hun invalide echtgenoot te verzorgen. De werknemer stelt dat deze regeling in strijd is met het gebod tot gelijke beloning zoals vervat in art. 119 EG-Verdrag (oud). De Franse rechter stelt prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof overweegt onder verwijzing naar het arrest-Griesmar (C-366/00, Jur. blz. I-0000) dat de op grond van de Franse rustpensioenregeling aan ambtenaren uitgekeerde pensioenen binnen de werkingssfeer van art. 119 EG-Verdrag vallen. Ten aanzien van de mogelijke discriminatie is het Europees Hof van oordeel dat mannelijke en vrouwelijke ambtenaren zich met betrekking tot het recht op een rustpensioen met onmiddellijke ingang in een vergelijkbare situatie bevinden. De situatie van een mannelijke ambtenaar wiens echtgenote invalide of ongeneeslijk ziek is en geen beroepswerkzaamheden meer kan uitoefenen, verschilt immers niet van de situatie van een vrouwelijke ambtenaar met een ernstig zieke echtgenoot. Nu de pensioenwet aan de mannelijke ambtenaar van wie de echtgenote invalide is geen rustpensioen met onmiddellijke ingang toekent, is sprake van een discriminatie op grond van geslacht. De bestreden regeling is dus in strijd met art. 119 EG-Verdrag.

Terug naar overzicht