HvJ EG 21-10-1999 Lewen/Denda, JAR 1999, 278


Gelijke behandeling. Loon. Gratificatie. Zwangerschap. Ouderschapsverlof.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 278.

Een werkneemster gaat zes weken met zwangerschapsverlof en aansluitend ongeveer drie jaar met ouderschapsverlof. De werkneemster heeft de jaren daarvoor elk jaar een kerstgratificatie ontvangen. Als de werkneemster in het jaar van het zwangerschapsverlof respectievelijk ouderschapsverlof geen kerstgratificatie ontvangt, vordert zij dit bedrag van de werkgever. Het Arbeitsgericht legt de zaak voor aan het Europese Hof van Justitie. Met betrekking tot de vraag of de kerstgratificatie loon in de zin van art. 119 EG-verdrag is, overweegt het Hof dat voor de toepassing van art. 119 de beweegredenen van de werkgever voor betaling van de uitkering van weinig belang is mits de uitkering is toegekend in verband met de arbeidsovereenkomst. Daarom is een kerstgratificatie beloning in de zin van art. 119 EG-verdrag. De kerstgratificatie is echter geen bezoldiging in de zin van de EG-richtlijn 92/85 (zwangerschapsrichtlijn) omdat er geen sprake is van het waarborgen van inkomen tijdens de zwangerschap. Met betrekking tot de vraag of het uitsluiten van werknemers die op het moment van uitbetalen van de kerstgratificatie ouderschapsverlof genieten, in strijd met art. 119 EG-verdrag, overweegt het Hof dat allereerst dient worden te beoordeeld hoe de gratificatie naar nationaal recht moet worden gekwalificeerd. Ingeval de gratificatie als beloning met terugwerkende kracht van in het jaar van toekenning verrichte arbeid wordt gekwalificeerd, dan worden werknemers die met ouderschapsverlof zijn en die in het jaar van toekenning hebben gewerkt, door de weigering van de werkgever een gratificatie toe te kennen, benadeeld ten opzichte van de werknemers wier arbeidsovereenkomst niet is geschorst als gevolg van ouderschapsverlof. Een dergelijke weigering is discriminerend in de zin van art. 119 EG-verdrag, omdat vrouwen meer met ouderschapsverlof gaan dan mannen. De weigering van de werkgever om vrouwen met ouderschapsverlof een gratificatie als buitengewone vrijwillige uitkering ter gelegenheid van kerstmis te betalen is geen discriminatie in de zin van art. 119 EG-verdrag wanneer als enige voorwaarde geldt dat de werknemer op het moment van toekenning in actieve dienst is. Een werknemer die met ouderschapsverlof is, kan niet op één lijn worden gesteld met een werkende werknemer omdat ouderschapsverlof wordt gekenmerkt door opschorting van de arbeidsovereenkomst en daarmee van de verplichtingen van de werkgever en de werknemer. Verlaging naar evenredigheid van de gratificatie in verband met zwangerschapsverlof is niet toelaatbaar, omdat de tijdvakken van zwangerschapsverlof moeten worden aangemerkt als gewerkte tijdvakken. Dit is wel toelaatbaar bij het ouderschapsverlof, omdat dit een andere situatie is dan die van een werkende man of vrouw.

Terug naar overzicht