HvJ EG 22-05-2003 (Commissie EG/Nederland), JAR 2003, 148


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 148.

De Europese Commissie stelt dat Nederland art. 7 lid 3 Richtlijn 89/391/EEG inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk niet correct heeft omgezet in nationale wetgeving. Art. 7 lid 3 bepaalt naar het oordeel van de commissie dat een werkgever eerst een beroep mag doen op externe deskundigen op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's in zijn bedrijf, als de mogelijkheden daartoe binnen het bedrijf onvoldoende zijn. In art. 17 van de Nederlandse Arbo-wet is evenwel bepaald dat een werkgever zich ofwel kan laten bijstaan door één of meer deskundige werknemers uit het bedrijf zelf of door externe deskundigen. De Arbo-wet geeft geen rangorde aan tussen beide mogelijkheden. De commissie heeft daarom het Europees Hof van Justitie verzocht om vast te stellen dat Nederland de richtlijn niet correct naleeft. De Nederlandse regering heeft ten verwere onder meer aangevoerd dat de richtlijn niet expliciet bepaalt dat geen keuze tussen interne en externe Arbo-diensten mogelijk is, dat de Nederlandse wetgeving zeker stelt dat de richtlijn nuttig effect heeft binnen haar rechtsorde, en dat de interpretatie die de commissie aan de richtlijn geeft negatieve gevolgen heeft voor zowel de werknemers als de externe Arbo-diensten. Het Europees Hof verwerpt deze argumenten. Naar het oordeel van het Europees Hof bepaalt de richtlijn in duidelijke bewoordingen dat werkgevers primair gehouden zijn om één of meer werknemers aan te wijzen die zich met de activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's zullen bezighouden. Pas als dit niet mogelijk is, kan een werkgever volgens de richtlijn een beroep doen op externe deskundigen. Het nuttig effect van de richtlijn kan volgens het Europees Hof het best verzekerd worden door de evenwichtige deelneming van werkgevers en werknemers aan de activiteiten ter bescherming tegen en preventie van beroepsrisico's. Daarom dienen deze activiteiten bij voorrang binnen het bedrijf worden georganiseerd. Daardoor wordt bovendien de betrokkenheid van werknemers bij hun eigen veiligheid vergroot. Voor negatieve gevolgen van de uitleg van de richtlijn zoals de commissie deze geeft, behoeft niet gevreesd te worden. In de eerste plaats is een werkgever niet geheel vrij in de beoordeling of hij al dan niet deskundige werknemers in zijn midden heeft, aangezien de lidstaten moeten aangegeven over welke capaciteiten en bekwaamheden deze werknemers moeten beschikken. Verder mogen werknemers geen nadeel ondervinden van hun Arbo-activiteiten. Externe diensten die door de werkgever zijn ingeschakeld, zijn ongetwijfeld beschermd tegen de plotselinge beëindiging van hun overeenkomst en zullen bovendien op de hoogte zijn van de EG-wetgeving en hun activiteiten daarop kunnen afstemmen…

Terug naar overzicht