HvJ EG 27-02-2003 (Busch/Klinikum Neustadt), NJ 2003, 654, JAR 2003, 181


Gelijke behandeling. Ouderschapsverlof. Zwangerschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 181.

De werkneemster, in dienst sinds april 1998 als verpleegster, heeft na de geboorte van haar eerste kind in juni 2000 ouderschapsverlof opgenomen voor een geplande duur van drie jaar. In oktober 2000 is zij opnieuw zwanger geworden. Bij brief van 30 januari 2001 heeft zij de werkgever verzocht om haar ouderschapsverlof te verkorten, zodat zij opnieuw voltijd als verpleegster zou kunnen werken. De werkgever heeft hiermee ingestemd. Op 9 april 2001 is de werkneemster weer gaan werken. Op de dag daarna heeft zij haar werkgever verteld dat zij zeven maanden zwanger was. Haar zwangerschapsverlof zou ingaan op 23 mei 2001. De werkgever heeft de werkneemster vervolgens per direct met verlof gestuurd en heeft zijn instemming met de werkhervatting herroepen op grond van bedrog en dwaling. De werkgever heeft daartoe gesteld dat de werkneemster vanwege de arbeidsverboden voor zwangere vrouwen niet in staat was om haar taken daadwerkelijk te vervullen alsmede dat de enige reden waarom de werkneemster het ouderschapsverlof heeft bekort is dat zij daardoor tijdens haar tweede zwangerschapsverlof de moederschapsuitkeringen, die hoger zijn dan de ouderschapsuitkeringen, alsmede de toeslagen daarop kon ontvangen. De werkneemster heeft gesteld dat zij niet verplicht was haar zwangerschap op te geven en dat zij met een aantal beperkingen, als verpleegster had kunnen blijven werken tot aan haar zwangerschapsverlof. De Duitse rechter heeft vastgesteld dat de werkgever naar Duits recht de geldigheid van zijn instemming met de verkorting van het ouderschapsverlof op goede gronden zou kunnen betwisten, doch heeft geoordeeld dat het de vraag is of het Duitse recht op dit punt strookt met EG-richtlijn 76/207/EEG. Het Europees Hof van Justitie stelt vast dat, wanneer een werkgever zou weigeren om een werkneemster haar werk te laten hervatten vóór het einde van haar ouderschapsverlof omdat zij zwanger is, dit een rechtstreekse discriminatie vormt op grond van geslacht. De werkneemster is niet verplicht om melding te maken van de zwangerschap omdat de werkgever hiermee bij de toepassing van de arbeidsvoorwaarden geen rekening mag houden. Een lidstaat heeft het recht om het verrichten van bepaalde werkzaamheden tijdens zwangerschap te verbieden indien deze gevaar opleveren voor de gezondheid of veiligheid. Een werkgever kan echter niet, onder verwijzing naar een dergelijk verbod, een zwangere werkneemster verbieden om haar werk te hervatten. De werkgever dient in zo'n geval passend werk te bieden. Ook indien een werkneemster haar werk niet (volledig) kan verrichten wegens zwangerschap is zij derhalve niet gehouden hiervan melding te maken. Het feit dat de werkneemster beoogde door de werkhervatting een hogere moederschapsuitkering te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. De werkgever komt, gezien voorgaande, ook geen beroep op dwaling toe, als hij…

Terug naar overzicht