Hypotheekhouder kon na onderhandse verkoop geen minnelijke regeling treffen


Een bank (B) heeft als executerend hypotheekhouder een woning onderhands verkocht aan K onder de ontbindende voorwaarde dat de vereiste goedkeuring van de voorzieningenrechter ex 3:268 BW niet wordt verkregen. Verder is bepaald dat de overeenkomst als ontbonden kan worden beschouwd indien lossing door de hypotheekgever plaatsvindt ex artikel 3:269 BW.

Twee weken later vindt de mondelinge behandeling plaats van het verzoekschrift waarin B de voorzieningenrechter heeft verzocht om de onderhandse verkoop aan K goed te keuren. Tijdens die behandeling is ten overstaan van de voorzieningenrechter…

Verder lezen