Ingebruikneming van een mede voor privédoeleinden gebouwde onroerende zaak door een maatschap


Wet OB 1968

Op 15 april 2011 heeft de Hoge Raad arrest gewezen inzake de volgende casus, waarbij belanghebbende een champignonkwekerij exploiteert en twee van haar drie vennoten in de periode mei 2002 tot en met februari 2004 op grond die bij beiden in eigendom was, gezamenlijk een pand hebben laten bouwen bij de kwekerij. De voor de bouw verschuldigde bedragen zijn gefactureerd aan die vennoten (of aan één van hen), betaald door belanghebbende en afgeboekt op de kapitaalrekeningen van de beide vennoten. Het pand is opgeleverd in maart 2004 en vervolgens gedeeltelijk voor bewoning door laatstbedoelde vennoten en gedeeltelijk voor de onderneming van belanghebbende in gebruik genomen. Belanghebbende heeft de ter zake van de bouw van het pand in 2002 en 2003 in rekening gebrachte omzetbelasting niet in de aangiften met betrekking tot tijdvakken in die jaren in aftrek gebracht en heeft bij bezwaar met betrekking tot de aangifte over het onderwerpelijke tijdvak om teruggaaf van de hiervoor vermelde omzetbelasting verzocht. De Inspecteur heeft die teruggaaf geweigerd, hetgeen het hof als juist had beoordeeld, omdat art. 15, lid 4, tweede volzin, Wet OB 1968 slechts van toepassing zou zijn, indien het werkelijke gebruik van de goederen bij ingebruikneming blijkt af te wijken van het oorspronkelijk voorspelde (‘bestemde’) gebruik daarvan.

De Hoge Raad stelt dat art. 15, lid 4, eerste volzin, Wet OB 1968 bepaalt dat de aftrek plaatsvindt overeenkomstig de bestemming van de goederen of diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht. Vaststaat dat het pand in de periode mei 2003 tot februari 2004 is gebouwd en in laatstvermelde maand aan belanghebbende is (…

Verder lezen
Terug naar overzicht