Inhoudingsvrijstelling kan niet via internationaalrechtelijke bepalingen worden geclaimd


Samenvatting

De onderhavige zaken zien op de vraag of ter zake van een dividendstroom tussen Nederland en de Nederlandse Antillen op grond van hetzij het LGO-besluit, hetzij de EG-verdragsvrijheden, hetzij (een van) de non-discriminatiebepalingen van het EVRM, het IVBPR of de BRK, aanspraak kan worden gemaakt op de zogenoemde inhoudingsvrijstelling. In een bijlage bij de conclusie gaat A-G Wattel in op de volgende vragen:

(i) Zijn de Nederlandse Antillen voor de toepassing van de EG-verdragsvrijheden c.q. van het LGO-besluit aan te merken als derde land ten opzichte van a. de EG als geheel, b. Nederland of c. andere EG-lidstaten?

(ii) Kan ter zake van een dividenduitkering door een in Nederland gevestigde dochter aan een op de Antillen gevestigde moeder de vrijheid van kapitaalverkeer ex art. 56 EG-Verdrag worden ingeroepen, of wordt dier toepasselijkheid geblokkeerd als het om een meerderheidsbelang gaat en daardoor (tevens) om vestigingsverkeer, dat niet vrijgemaakt is jegens derde landen?

(iii) Wordt dat anders door de werking van het LGO-besluit? Zien de bepalingen van het LGO-besluit (ook) op de interne verhouding tussen de LGO en hun moederlidstaten?

A-G Wattel komt tot de conclusie dat de verhouding LGO/moederlidstaat voor de toepassing van de EG-Verdragsvrijheden moet worden aangemerkt als een interne situatie. Daardoor is het vrije verkeer van kapitaal, dat alleen ziet op de verhouding met andere lidstaten of derde landen, niet van toepassing. Toepassing van het vrije kapitaalverkeer (of enige andere…

Verder lezen
Terug naar overzicht