JA 2017/63, Gerechtshof Amsterdam 07-02-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:368, C/15/233134 HA ZA 15/681 (met annotatie van mr. W.H. Bouman)

Inhoudsindicatie

Bewijs in deelgeschilprocedure, Ontvankelijkheid, Hoger beroep, Gebrek opstal

Samenvatting

Twee vrouwen stappen uit de lift bij een winkelcentrum en komen ten val op de aansluitende houten vloer, die door regenval glad is geworden. Zij stellen Hoorne, de eigenaar van het winkelcentrum, aansprakelijk voor hun schade. De rechtbank wijst hun verzoek af, omdat onvoldoende bewezen is dat de vloer glad was en daarmee gebrekkig in de zin van art. 6:174 BW. De deelgeschilprocedure leent zich niet voor nadere bewijsvoering.

De vrouwen gaan in hoger beroep. Hoorne bestrijdt ontvankelijkheid. Het hof beslist dat, aangezien de bodemrechter zelf heeft overwogen dat enkele rechtsoverwegingen in diens vonnis beschouwd moeten worden als beslissingen als bedoeld in art. 1019cc Rv, moet worden geconcludeerd dat de bodemrechter zich kennelijk in de bodemprocedure aan deze overwegingen gebonden acht. Daarom moeten die rechtsoverwegingen worden beschouwd als bindende eindbeslissingen die vatbaar zijn voor hoger beroep. Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of Hoorne aansprakelijk is voor de gevolgen van de valpartij niet van doorslaggevende betekenis is of deze aansprakelijkheid gebaseerd is op art. 6:174 BW dan wel art. 6:162 BW. In beide gevallen worden de Kelderluik-criteria toegepast. Het hof leidt uit de omstandigheden van het geval en ervaringsregels (het is algemeen bekend dat een houten vloer bij regen glad kan zijn) af dat voldoende bewijs geleverd is voor de stelling van eisers. Tegenbewijs is echter mogelijk.

De deelgeschilrechter was hieraan niet toegekomen omdat deze van oordeel was dat de deelgeschilprocedure zich niet leent voor bewijslevering. Aansprakelijkheid zal nader moeten worden vastgesteld in de bodemprocedure met inachtneming van wat het hof heeft besloten omtrent het bewijs van gebrekkigheid van de vloer.

Het hof vernietigt de deelbeschikking en verwijst de zaak naar de rechtbank.

Uitspraak

1. Het geding in hoger beroep

(...; red.)

2. Feiten

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende:

2.1. Op vrijdag 13 juli 2012 zijn [appellanten] onafhankelijk van elkaar ten val gekomen op de eerste etage van Winkelcentrum Spaarneboog, dat in eigendom toebehoort aan Hoorne. [appellanten] zijn allebei gevallen meteen bij het uitstappen van de lift op de eerste etage, waar het parkeerdek is gevestigd. Vóór deze lift lag een houten vloer met profiel. Ter plaatse is sprake van een overkapping, maar de zijkant is open. Het was die dag regenachtig en de vloer was vochtig als gevolg van inregenen.

2.2. Bij de val hebben [appellanten] beiden letsel opgelopen, respectievelijk een gescheurde pees in de linkerschouder en een gebroken heup.

2.3. Namens Hoorne is in augustus 2012 een offerte aangevraagd voor aanpassing van de vloer. Deze is in november 2012 voorzien van een anti-sliplaag.

2.4. In opdracht van Bureau Letselschade HBS, dat aanvankelijk als belangenbehartiger van [appellanten] optrad, is op 27 november 2013 een rapportage uitgebracht door A.G. Alblas, als onderzoeker werkzaam bij EMN Forensic B.V (hierna: de overgelegde rapportage). Deze heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van de valpartijen.

2.5. In dat kader heeft [appellante sub 1] op 18 september 2013 een verklaring afgelegd. Deze luidt, voor zover hier van belang:

“Op het moment dat ik uit de lift stapte en mijn voet op de houten vloer van de verdiepingsvloer zette voelde ik dat mijn voet weggleed op de houten vloer en dat ik mijn balans verloor c.q. dat ik viel. Voor ik precies doorhad wat er gebeurde en mij mogelijk nog had kunnen corrigeren lag ik al op de grond. (...) Op de dag van het ongeval droeg ik (...) bruine laarzen welke voorzien waren van een brede hak. Deze hak was voor zover ik mij kan herinneren voorzien van een profielhakje. (...) Of het voorgedeelte van de zool van de schoen ook voorzien was van profiel kan ik u niet meer zeggen (...) Mijn vader is enige dagen na mijn ongeval (...) foto’s wezen nemen van de locatie van het ongeval, waaronder foto’s van de vloer waarop ik was uitgegleden. (...) Op de foto’s nummer 1 tot en met nummer 4 zien we de situatie zoals die was op het moment van mijn ongeval/valpartij. U ziet hier dus een wat oude houten vloer. Verder is op de foto’s goed te zien dat de anti sliplaag behoorlijk is afgesleten. (...)”

2.6. De desbetreffende foto’s zijn als bijlage 6, nummers 1-4 bij de rapportage gevoegd in kleurenkopie. Er is een houten vloer met profiel op zichtbaar waarvan de planken vóór de lift in de lengte van de looprichting zijn gelegd.

2.7 [appellante sub 2] heeft op 26 september 2013 verklaard, voor zover hier van belang:

“(...) Bij het verlaten van de lift zette ik eerst mijn linkervoet op die verdiepingsvloer. Voordat ik de lift uitstapte keek ik echter al wel weer voor mij uit. Ik zag dus waar ik mijn linkervoet diende neer te zetten. Ik moest namelijk over de richel van de lift stappen. Op het moment dat ik mijn linkervoet neerzette voelde ik mijn linkervoet/hiel/been direct wegglijden. (...) De vloer van de 1e verdieping bestond uit een houten vloer (...) van Bangkirai hout. Het is zo’n vloer die is opgebouwd uit allemaal vlonderplanken/delen. Door de regenval en de bezoekers van het winkelcentrum was deze houten vloer in de directe omgeving van de lift spekglad geworden.(...) Op uw vraag welke schoenen ik droeg op het moment dat ik ten val kwam, kan ik u zeggen dat het schoenen (...) waren die voorzien zijn/waren van een profielzool (...)”

Bij de rapportage is een foto gevoegd van de desbetreffende schoenen. Dit zijn platte schoenen met, naar het zich laat aanzien, een kunststof of rubberen zool.

2.8. [A] heeft op 1 november 2013 een door hem ondertekende verklaring afgelegd waarvan de relevante inhoud luidt:

“Ik ben technisch manager bij WPM Groep. Uit hoofde van mijn functie ben ik belast met toezicht en technische zaken met betrekking tot vastgoed, waaronder winkelcentrum Spaarneboog te Haarlem. WPM Groep/ik verzorg(t) op verzoek van Hoorne Vastgoed(...) alle technische zaken in dit winkelcentrum. In de praktijk komt het er op neer dat ik signaleer indien zaken moeten worden vervangen en dan contact opneem met Hoorne Vastgoed. Met betrekking tot het/de ongeval(len) van 13 juli 2012 kan ik u het volgende vertellen. WPM Groep/ik heb(ben) sinds om en nabij 3 jaar het onderhoud van winkelcentrum Spaarneboog in opdracht van Hoorne Vastgoed.

Op enig moment in 2012, ik schat mei of juni 2012 constateerde ik tijdens één van mijn bezoeken aan winkelcentrum Spaarneboog dat de houten vloer op de 1e verdieping bij bepaalde weersomstandigheden ‘glad’ werd. De houten vloer werd glad bij regenachtig weer. Ik constateerde dit zelf, omdat ik op een bepaalde dag dit zelf ondervond toen ik op die houten vloer liep. Die houten vloer voelde glad aan. Ik kwam er achter op het moment dat ik lederen schoenen aan had. Omdat ik de situatie met de ‘natte’ gladde houten vloer risicovol en gevaarlijk vond heb ik direct melding gemaakt bij eigenaar Hoorne Vastgoed. In opdracht van Hoorne Vastgoed heb ik een offerte traject gedaan om de vloer te vervangen i.c. de vloer te voorzien van een anti sliplaag. Voordat deze werkzaamheden hadden plaatsgevonden vonden deze beide ongevallen dus plaats. Deze beide ongevallen vonden plaats op de eerste verdieping ter hoogte van de lift. De houten vloer daar was weliswaar wat gedateerd, maar in mijn beleving nog wel veilig. Alleen bij natte weersomstandigheden bleek deze houten vloer ‘risicovol en gevaarlijk’ te zijn. Vandaar de opdracht om de houten vloer ter plaatse aan te passen. Uiteindelijk is de gehele houten vloer op de 1e verdieping voorzien van een anti sliplaag. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de firma [X] uit [plaats]. Wanneer de opdracht/offerte van [X] precies is uitgegaan weet ik niet meer. Ik vermoed op of omstreeks 13 juli 2012. Voordien was ik namelijk bezig geweest met een offerte-traject met de firma Vloer Veilig. (...) Deze firma kon echter niet aan mijn technische eisen voldoen. De firma [X] heeft dus vervolgens een nieuwe anti sliplaag aangebracht op de bestaande houten vloer. Ik herken op de foto’s 1 t/m 5 de oude bestaande situatie bij de lift met de houten vloer. (...) Op de foto’s 1 t/m 5 zie je dat de anti sliplaag in de oude situatie niet meer optimaal was. Dat is ook wat ik persoonlijk constateerde toen ik er bij natte omstandigheden zelf overheen liep.

Op uw vraag of het ongeval van de beide vrouwen het gevolg kan zijn geweest van de gladde houten vloer bij de lift op de 1e verdieping moet ik u volmondig zeggen dat dit inderdaad mogelijk is geweest. Ik baseer mijn mening op het feit dat het die dag regenachtig was en de houten vloer kennelijk nat was geworden. Zoals gezegd heb ik persoonlijk geconstateerd dat bij natte weersomstandigheden de ‘oude’ houten vloer glad was/werd ten gevolge van de regen. Het zal ook geen toeval zijn dat 2 personen kort na elkaar op nagenoeg dezelfde locatie ten val komen. (...)”

2.9. [appellanten] hebben Hoorne aansprakelijk gesteld bij brieven van 31 januari 2013 en 3 juni 2013.

3. Beoordeling

3.1. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de verzoeken van [appellanten] afgewezen en daartoe – kort gezegd – het volgende overwogen. De rechtbank heeft de verzoeken getoetst aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van 6:174 BW. Volgens de rechtbank is alleen sprake van gebrekkigheid in de zin van dit artikel indien de mate van gladheid uitstijgt boven de gebruikelijke mate van gladheid die bij regenachtig weer van een dergelijk vloer kan worden verwacht en waarmee bezoekers rekening moeten houden. De rechtbank heeft overwogen dat in de overgelegde rapportage aanwijzingen zijn te vinden dat de vloer door slijtage van de profileringslaag extra glad en dus gebrekkig was geworden, maar dat het (voorshands) bewijs daaraan niet kan worden ontleend. [appellanten] zal het bewijs van haar stelling moeten leveren en daartoe leent de deelgeschilprocedure zich niet, aldus de rechtbank.

3.2. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] met drie grieven op. Grief 1 is gericht tegen het niet bespreken door de rechtbank van artikel 6:162 BW als grondslag van de aansprakelijkheid en tegen de afwijzing van het verzoek, in weerwil van het impliciete oordeel van de rechtbank dat aan de Kelderluikcriteria is voldaan. Grief 2 is gericht tegen de overweging dat het bewijs van de gebrekkigheid niet (voorshands) aan de overgelegde rapportage kan worden ontleend. Grief 3 klaagt over de overweging van de rechtbank dat (nog) niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [appellanten] ten val zijn gekomen als gevolg van het feit dat de vloer gevaarlijk glad was en dat [appellanten] daarvan het bewijs moeten leveren.

3.3. Hoorne heeft allereerst aangevoerd dat het hoger beroep tegen de bestreden beschikking in strijd is met doel en aard van de deelgeschilprocedure en dat – na afwijzing van het verzoek in het deelgeschil – de bodemprocedure de enige aangewezen weg is. Er is, aldus Hoorne, door de deelgeschilrechter niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist op geschilpunten betreffende de materiële rechtsverhouding van partijen. In elk geval is het geschil in hoger beroep, zo betoogt zij verder, beperkt tot dergelijke onherroepelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen. Zo daar al sprake van was heeft de rechtbank volgens Hoorne terecht vastgesteld dat haar aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld. Tot slot wijst Hoorne erop dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden.

Ontvankelijkheid

3.4. Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid allereerst dat de deelgeschilprocedure in het leven is geroepen om het buitengerechtelijk onderhandelingsproces te bevorderen door partijen een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter te verschaffen indien dat onderhandelingsproces stagneert als gevolg van een enkel geschilpunt: een deelgeschil. Beslechting van dat deelgeschil dient ertoe de buitengerechtelijke afhandeling van letselschadeclaims zodoende weer vlot te trekken. Om die functie te kunnen vervullen dient een dergelijke beslissing een zekere definitieve status te hebben. Daarom is er door de wetgever tevens voor gekozen hoger beroep tegen de deelbeschikking in beginsel uit te sluiten. Daarop is slechts een uitzondering gemaakt voor het geval de beoogde vaststellingsovereenkomst onverhoopt niet kon worden bereikt en partijen alsnog een procedure ten principale hebben geëntameerd.

3.5. Artikel 1019cc Rv ziet op die situatie en bepaalt dat hoger beroep kan worden ingesteld voor zover in de deelbeschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. Daarvoor is wel vereist dat de rechter ten principale het hoger beroep openstelt. In dit geval heeft de rechter in de bodemprocedure bij vonnis van 4 november 2015 overwogen dat de rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.9 in de bestreden beschikking moeten worden aangemerkt als beslissingen betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zodat de beschikking daarmee in beginsel vatbaar is voor hoger beroep. Zij heeft op die grond hoger beroep opengesteld.

3.6. Het hof is van oordeel dat de wetgever bij het redigeren van artikel 1019cc Rv het oog heeft gehad op beschikkingen waarin de deelgeschilrechter een tussen partijen bestaand deelgeschil heeft beslecht zonder dat partijen er daarna in geslaagd zijn tot een afwikkeling van de letselschadeclaim te komen. In dat geval rijst immers de vraag naar de status van de gegeven beslissing in deelgeschil. Als gezegd komt die beslissing naar zijn aard een definitieve status toe, teneinde de beoogde functie te kunnen vervullen. In zoverre wijkt een beslissing in deelgeschil af van een voorlopige voorziening. De wetgever heeft daarom aan die beslissing, in het geval partijen alsnog een bodemprocedure aanhangig maken, de status van bindende eindbeslissing gegeven.

3.7. In de onderhavige casus heeft de deelgeschilrechter nu juist het deelgeschil níet beslecht. Gelet op de motivering in de deelbeschikking was zij van oordeel dat de zaak zich daar niet voor leende. Dit is – in de hiervoor gegeven duiding van het oogmerk van artikel 1019cc Rv – geen situatie waarvoor artikel 1019cc Rv is geschreven. In zoverre kan Hoorne wel worden gevolgd in haar betoog dat hoger beroep tegen de afwijzing van een verzoek in deelgeschil zich niet verhoudt met de aard en het doel van de deelgeschilregeling.

3.8. Echter, nu de bodemrechter – die tevens de rechter was in het deelgeschil – bij vonnis van 4 november 2015 zelf heeft overwogen dat de rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.9 van de bestreden beschikking in deelgeschil beschouwd moeten worden als beslissingen bedoeld in artikel 1019cc Rv, moet worden geconcludeerd dat zij zich kennelijk in de bodemprocedure aan deze overwegingen gebonden acht. Daarom moeten in dit geval de door haar genoemde rechtsoverwegingen worden beschouwd als bindende eindbeslissingen die vatbaar zijn voor hoger beroep. [appellanten] zijn om die reden dan ook ontvankelijk in het hoger beroep, waarbij als gevolg van de bewoordingen van artikel 1019cc Rv dat hoger beroep beperkt blijft tot de overwegingen die als bindende eindbeslissingen zijn aangemerkt, te weten rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.9.

Beoordeling van de grieven

3.9. Het gaat hier om de overwegingen van de deelgeschilrechter dat het bewijs dat de vloer door slijtage gebrekkig was geworden, aan de overgelegde rapportage en de overige bewijsmiddelen niet (voorshands) kan worden ontleend. Daarbij speelt een rol dat de deelgeschilrechter op de overgelegde fotokopieën van foto’s van de situatie ten tijde van de valpartijen niet goed heeft kunnen zien dat de profilering ter plaatse van de lift was weggesleten: de foto’s zijn daarvoor niet duidelijk genoeg en de kleuren laten te wensen over. Daarnaast heeft Hoorne de juistheid van de verklaring van [A] op meerdere onderdelen betwist en is uit de overige verklaringen onvoldoende af te leiden dat de vloer door slijtage extra glad was geworden, aldus de deelgeschilrechter.

3.10. [appellanten] hebben betoogd dat uit het aangeleverde rapport dat bewijs al wel kan worden geput, althans dat zij geacht moeten worden voorshands in het bewijs van hun stellingen te zijn geslaagd en dat het aan Hoorne is om tegenbewijs te leveren.

3.11. Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of Hoorne aansprakelijk is voor de gevolgen van de valpartijen van [appellanten] niet van doorslaggevende betekenis is of deze aansprakelijkheid gebaseerd is op artikel 6:174 BW of artikel 6:162 BW. Immers, bij het antwoord op de vraag of de houten vloer ten tijde van de valpartijen voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, en dus niet gebrekkig was, komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk was, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de Kelderluikcriteria. (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283). Grief 1 faalt derhalve om die reden.

3.12. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewijslast ten aanzien van de gebrekkigheid van de vloer op [appellanten] rust. Zij twisten evenwel over de vraag of dat bewijs – al dan niet voorshands – is geleverd. Het hof is van oordeel dat op grond van de overgelegde rapportage, in het bijzonder de hierboven geciteerde verklaringen van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [A], in combinatie met de foto’s die als bijlage bij de overgelegde rapportage zijn gevoegd alsmede de bij memorie van grieven overgelegde kleurenfoto’s van de vloer, als voorshands bewezen moet worden geacht dat de vloer ten tijde van de valpartijen niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mochten worden.

3.13. Het hof stelt daarbij voorop dat als algemeen bekend mag worden verondersteld dat houten vloeren glad kunnen worden als zij nat zijn. Dat betekent dat men in het algemeen bij houten vloeren beducht moet zijn op het gevaar van uitglijden bij regenachtig weer. Niettemin mag van Hoorne, als eigenaar van de opstal, verwacht worden dat zij maatregelen treft om zo veel als redelijkerwijs mogelijk uitglijden te voorkomen. Daarbij moet Hoorne er bovendien rekening mee houden dat bezoekers van het winkelcentrum niet steeds de vereiste oplettendheid zullen betrachten.

In dit verband overweegt het hof dat de bewuste vloer direct aansluit op de uitgang van de lift. Gebruikers van de lift betreden dus bij het verlaten daarvan min of meer onverwacht de houten vloer, zonder dat zij daarvoor op enigerlei wijze worden gewaarschuwd. Daarbij is tevens van belang dat de vloerdelen ter hoogte van de liftuitgang in de lengte van de looprichting zijn gelegd. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] verklaren beiden dat zij direct bij het betreden van de vloer weggleden, hun balans verloren en ten val kwamen, hetgeen erop wijst dat de vloer ter plaatse zeer glad was. [A] heeft bovendien verklaard dat hij bij een eerdere inspectie (in mei of juni van dat jaar) had geconstateerd dat de houten vloer bij regenachtig weer glad aanvoelde. Hij beoordeelde de situatie met de natte gladde vloer als risicovol en gevaarlijk en nam contact op met Hoorne, die daarop opdracht gaf de vloer te vervangen of te voorzien van een anti-sliplaag. Daaruit kan worden afgeleid dat naar het oordeel van [A], die als technisch manager belast is met het toezicht op het winkelcentrum, de bestaande anti-sliplaag niet langer voldeed, welk oordeel kennelijk door Hoorne is overgenomen. Dat oordeel lijkt bevestiging te vinden in de hiervoor genoemde foto’s, waarop te zien is dat op de houten planken een donkergekleurde streep is aangebracht, door [A] aangeduid als de anti-sliplaag, die ter hoogte van de liftuitgang en op het belopen gedeelte van de vloer bijna volledig is versleten. De betwisting (bij gebrek aan wetenschap) door Hoorne dat de bij memorie van grieven overgelegde foto’s zijn gemaakt ten tijde van het ongeval kan buiten beschouwing blijven, nu Hoorne niet betwist dat deze foto’s de situatie ten tijde van het ongeval correct weergeven.

3.14. Met het voorgaande is naar het oordeel van het hof, mede gelet op hetgeen Hoorne hier tegenover heeft gesteld, het vereiste bewijs voorshands geleverd. In zoverre slaagt de tweede grief van [appellanten] Anders dan [appellanten] primair betogen staat dit evenwel nog niet vast, aangezien tegen het voorshands bewezene tegenbewijs openstaat. De deelgeschilrechter is daaraan niet toegekomen aangezien zij van oordeel was dat de deelgeschilprocedure zich niet leent voor bewijslevering, tegen welk oordeel geen grief is gericht. Dit betekent dat grief 3 niet slaagt voor zover het is gericht tegen het oordeel van de deelgeschilrechter dat de aansprakelijkheid in die procedure niet kon worden vastgesteld. Dit zal alsnog in de bodemprocedure moeten gebeuren, met inachtneming van hetgeen het hof hierboven heeft overwogen omtrent het voorshands bewezen zijn van de gebrekkigheid van de vloer.

3.15. Voor zover Hoorne nog heeft aangevoerd dat van aansprakelijkheid reeds geen sprake kan zijn, nu [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat zij schade hebben geleden, kan zij daarin niet worden gevolgd. Zowel [appellante sub 1] als [appellante sub 2] hebben immers letsel opgelopen als gevolg van hun valpartij. Daarmee is de mogelijkheid van schade reeds voldoende aannemelijk gemaakt.

3.16. Tegen de afwijzing van het gevraagde voorschot hebben [appellanten] geen afzonderlijke grief gericht, zodat die beslissing geen onderdeel uitmaakt van het hoger beroep. Wat de begroting van de buitengerechtelijke incassokosten betreft, geldt dat de bodemrechter de overwegingen die daarop betrekking hebben niet als bindende eindbeslissingen heeft aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 1019cc Rv, zodat ook dit geschilpunt in dit hoger beroep niet aan de orde is.

3.17. De grieven 2 en 3 slagen gedeeltelijk. De beschikking waarvan beroep zal in zoverre worden vernietigd. Hoorne zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt de deelbeschikking waarvan beroep, voor zover het betreft de rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.9;

verwijst de zaak naar de rechtbank opdat verder wordt beslist in de procedure ten principale, met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen;

veroordeelt Hoorne in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 405,19 aan verschotten en € 894,= voor salaris en op € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Noot

1. Deze uitspraak is om twee redenen interessant. Ten eerste als (weer een) voorbeeld van een deelgeschil over de aansprakelijkheid zelf. Dat is op zichzelf niet uitzonderlijk en bij de totstandkoming van de Wet deelgeschilprocedure ook nadrukkelijk voorzien. Net als bij deelgeschillen over andere onderwerpen, zoals causaal verband en/of schadebegroting, zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan te verwachten is dat de behandeling kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zullen zich minder snel lenen voor een behandeling als deelgeschil, aldus de wetgever (Kamerstukken II 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 10).

2. Van de tot nog toe gepubliceerde beschikkingen gaat een zeer groot, zo niet het grootste deel over aansprakelijkheid sec. Die grote vertegenwoordiging zal voor een belangrijk deel terugvoeren op de aard van het onderwerp. Andere vragen dan die naar de aansprakelijkheid lenen zich doorgaans beter voor een afdoening ter zitting, waarvan de uitkomst de jurisprudentie niet haalt. Toch, ook de kanttekeningen van de wetgever indachtig, blijft opmerkelijk dat aansprakelijkheidsvragen zo vaak aan de deelgeschillenrechter worden voorgelegd. Die rechter, een enkele uitzondering daargelaten, houdt de deur voor nadere bewijsvoering als regel gesloten, terwijl aansprakelijkheidsgeschillen plegen neer te komen op een uiteenlopende visie op het bewijs. Het verzoek sneuvelt dan op doelmatigheidsoverwegingen: bewijsvoering omtrent de feitelijk toedracht is weliswaar niet uitgesloten in een deelgeschil, maar neemt veel tijd in beslag en is kostbaar; dat past niet in een deelgeschil. Tenzij de procedure onterecht of onnodig was voorgesteld, resteert verzoeker bij afwijzing op deze gronden een begroting van zijn met de behandeling gemoeide kosten en, eventueel, een gang naar de bodemrechter.

3. Het komt mij voor dat in veel gevallen beter voor een bodemprocedure had kunnen worden gekozen, maar dat de laagdrempeligheid van de deelgeschilprocedure in combinatie met (zo niet: volgend uit) een voor verzoeker aantrekkelijke kostenregeling – die, vergeet dit niet, ook de afwezigheid van risico op een proceskostenveroordeling inhoudt – rechtzoekenden stimuleert tegen beter weten in de gok te wagen. Niet geschoten is toch altijd mis, terwijl het nadeel van verlies van het deelgeschil valt te overzien.

4. Hiermee is niet gezegd dat de deelgeschilprocedure zich slecht zou lenen voor een beoordeling van de aansprakelijkheid. Integendeel, in veel gevallen zal een positief oordeel inderdaad de weg effenen naar een vaststellingsovereenkomst. Terughoudendheid blijft echter geboden, niet in de laatste plaats omdat allerlei vragen die ná beslechting van de aansprakelijkheidsvraag kunnen opkomen, in het deelgeschil erover als regel buiten beeld blijven. Allicht kunnen over die vragen dan weer nieuwe deelgeschillen worden gestart, maar dat gaat de ratio van de procedure – kort gezegd: het effectief doorbreken van impasses – te buiten. De deelgeschilrechter mag best anticiperen op mogelijke vervolgvragen als het verweer er aanleiding toe geeft, en daar een krappere beoordelingsruimte aan verbinden.

5. Die rechter mag ook verlangen dat verzoeker bij aansprakelijkheidskwesties maximaal invulling geeft aan zijn stelplicht, dat wil zeggen blijk geeft van een indrukwekkende inspanning op het punt van pre-procedurele bewijsvoering. Is die inspanning kennelijk ontoereikend – tot aan de afdrukkwaliteit van situatiefoto’s – dan ligt een afwijzing eerder in de rede. Voor verweerder geldt mutatis mutandis hetzelfde. Het vaak min of meer bloot gevoerde verweer “dat de zaak zich vanwege de noodzaak van bewijsvoering niet leent voor behandeling in deelgeschil” wint vanzelfsprekend aan kracht als er zoveel mogelijk stukken in het geding worden gebracht die dat ondersteunen.

6. Interessant, ter afronding van het voorgaande, is nog wat de invoering van KEI gaat betekenen voor het deelgeschil. Omdat de behandeling van een deelgeschil al in veel opzichten lijkt op wat de wetgever met het KEI-project kennelijk voor ogen staat – bijvoorbeeld de rechter wordt meer casemanager – liggen grote veranderingen niet voor de hand, behalve wellicht ten aanzien van het bijbrengen van bewijs. Daar kan onder KEI al bij de mondelinge behandeling werk van worden gemaakt, in het bijzonder door het onder ede horen van getuigen of deskundigen (art. 30k lid 2 nieuw Rv). Hiervoor gelden wel bijzondere voorwaarden, zoals het tijdig inlichten van de rechter over wensen op dit punt en des rechters discretionaire bevoegdheid die wensen te laten voor wat ze zijn. De wetgever heeft het oog op vorderingszaken maar ziet ook mogelijkheden voor verzoekzaken, tenzij de aard van de zaak zich ertegen verzet. Principiële bezwaren tegen toepassing in een deelgeschil zijn niet evident, maar het lijkt mij dat de tot nog toe gebleken terughoudendheid over (nadere) bewijsvoering buiten wat partijen voor het voetlicht hebben gebracht in hun schriftelijke, inleidende stukken, niet makkelijk zal worden losgelaten. Het behandelingskader blijft praktisch. De met het doorlopen van een deelgeschil gemoeide tijd en kosten tegenover de mogelijke baten in de vorm van een vaststellingsovereenkomst, zullen wel leidend blijven.

7. Tot zover aansprakelijkheid als onderwerp van een deelgeschil. Wat de hierboven afgedrukte uitspraak verder interessant maakt zijn de appelperikelen. Zoals bekend staat tegen een beslissing in deelgeschil geen voorziening open (art. 1019bb Rv). Partijen die de beschikking willen aanvechten zullen een bodemprocedure moeten beginnen ten overstaan van dezelfde instantie waar het deelgeschil is beslecht (art. 1019cc Rv). Blijkens de parlementaire geschiedenis is over de inrichting daarvan stevig gedebatteerd. De uitkomst is bekend: voor zover in de beschikking nadrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten betreffende de materiele rechtsverhouding tussen partijen, dan is de rechter in de bodemprocedure daaraan gebonden als was het een tussenvonnis in die procedure. Houdt de beschikking een veroordeling in, dan heeft die de (beperkte) betekenis van een uitspraak in kort geding. In de wet is geregeld dat van eerstgenoemde beslissingen appel open staat bij het gerechtshof, op voorwaarde dat de bodemrechter daarvoor verlof heeft verleend en de wederpartij daarover is gehoord. Een zodanige beslissing kan ook worden aangevochten tegelijk met het eindvonnis in de bodemprocedure (art. 1019cc Rv). Het moge duidelijk zijn dat in deelgeschillen over aansprakelijkheid tussentijds appel per definitie de aangewezen weg is, aangezien een beslissing over de aansprakelijkheidsvraag een vaststelling inhoudt van de materiele rechtsverhouding tussen partijen en de sluis is richting schadedebat.

8. Wat nu als de deelgeschilbeschikking is gegeven op evident onjuiste feitelijke of juridische gronden? Het ligt voor de hand dat een beschikking met dergelijke manco’s ook door de bodemrechter in eerste aanleg terzijde kan worden gesteld. Overigens meen ik dat een goede procesorde er zich niet tegen verzet dat over beschikkingen die zijn gegeven op ondeugdelijke feitelijke en/of juridische grondslagen alternatief een tweede deelgeschil aanhangig wordt gemaakt. Dat ruikt misschien naar verkapt appel, maar stuit goed beschouwd niet op dogmatische bezwaren. Tussenvonnis blijft tussenvonnis.

9. Maar dit terzijde. In de hier besproken zaak deed zich de situatie voor waarin het deelgeschil niet werd beslecht, omdat de rechter er kort gezegd geen kwestie in zag die zich leende voor behandeling in deelgeschil. Zoals dus wel vaker wordt overwogen, was nadere bewijsvoering noodzakelijk en daarvoor leent de deelgeschilprocedure zich niet. Is dit een nadrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel over de materiele rechtsverhouding tussen partijen? Uiteraard niet, maar de rechter bij wie vervolgens de bodemprocedure aanhangig werd gemaakt (tevens de rechter in het deelgeschil), achtte zich, als ware het eindbeslissingen, gebonden aan een aantal in de deelbeschikking gegeven rechtsoverwegingen. Dat nu, zo overweegt het hof, maakte dat appellant wel ontvankelijk was in zijn hoger beroep, ook al had de deelgeschilrechter gemeend het deelgeschil niet te kunnen beslechten.

mr. W.H. Bouman, advocaat bij Lauxtermann Advocaten

Verder lezen
Terug naar overzicht