Jachthavens zijn geen sportaccommodaties: liggelden onderworpen aan het algemene tarief


Samenvatting

Belanghebbende exploiteert een recreatiecentrum, waartoe onder meer twee jachthavens behoren. De jachthavens hebben 350 ligplaatsen die in hoofdzaak aan particulieren – vaste gasten en passanten – ter beschikking worden gesteld tegen betaling van liggelden. In geschil is welk omzetbelastingtarief van toepassing is op de liggelden. Volgens belanghebbende het lage, omdat de terbeschikkingstelling van ligplaatsen voor vaartuigen kan worden beschouwd als het recht gebruik te maken van een sportaccommodatie. Het hof deelt de visie van belanghebbende niet. Na het juridische kader (richtlijn, wet en jurisprudentie) te hebben uiteengezet, concludeert het hof dat het Unierechtelijke begrip ‘recht gebruik te maken van sportaccommodaties’ het recht betreft accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding zijn bestemd, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen. Dit begrip heeft echter geen betrekking op accommodaties waar geen daadwerkelijke sportbeoefening plaatsvindt. Aangezien in de jachthavens van belanghebbende geen sprake is van actieve sportbeoefening, maar van gebruikmaken van bepaalde faciliteiten ten behoeve van het vaartuig en de opvarenden, zijn de jachthavens niet aan te merken als sportaccommodaties. Voorts bestaat, anders dan belanghebbende betoogt, geen grond voor de conclusie dat de richtlijngever de handeling bestaande uit de verhuur van ligplaatsen voor vaartuigen onder omstandigheden ook aanmerkt als het verlenen van het recht gebruik te maken van een sportaccommodatie. Evenmin is sprake van het gelegenheid geven tot sportbeoefening, aangezien het sporten (zo hiervan al sprake is) niet plaatsvindt in de jachthavens, maar in open water. De conclusie van het hof luidt dat de verhuur van de ligplaatsen in de jachthavens niet is aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onder terbeschikkingstelling van…

Verder lezen
Terug naar overzicht