Naar de inhoud

JAR 2017/21, Kantonrechter Rechtbank Amsterdam 14-12-2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9411, 5545159 KK EXPL 16-1511

Inhoudsindicatie

Sociaal plan cao later aangemeld, Geschillencommissie in cao geldig, Civiele rechter onbevoegd

Samenvatting

De werknemer is voor onbepaalde tijd in dienst bij de bank in de functie van Credit Relationship manager. Op 29 september 2016 heeft de bank een reorganisatie aangekondigd die de afdeling van de werknemer raakt. In art. 1.3 van de “Sociaal Plan cao 2017-2020” is opgenomen dat in het geval van een geschil over de cao de Geschillencommissie als arbiter zal gelden en de civiele rechter niet bevoegd is. Per brief heeft de werknemer verzocht om hem te herplaatsen in een grotendeels gelijke functie. De bank weigert dit, verwijst de werknemer naar de Geschillencommissie en benadrukt dat de civiele rechter niet bevoegd is. Op 5 december 2016 heeft de bank de Sociaal Plan cao 2017-2020 aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De werknemer vordert, in afwachting van een bodemprocedure bij de civiele rechter of de geschillencommissie, de bank te veroordelen een arbeidsplaats beschikbaar te houden en hem niet boventallig te verklaren. De werknemer stelt dat er op het moment van indienen geen bepaling was die hem beperkte om naar de burgerlijke rechter te gaan. De bank voert als verweer dat de civiele rechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen. De oorspronkelijke formulering van de geschillenregeling waar de werknemer naar verwijst en die een gang naar de civiele rechter mogelijk maakte, is niet opgenomen in de aangemelde versie van de cao.

De kantonrechter overweegt dat het partijen vrij staat om een geschillenregeling overeen te komen. De werknemer kan zich echter niet beroepen op de oorspronkelijke formulering nu deze niet is opgenomen in de definitieve versie. De Geschillencommissie kent een met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang, met een onafhankelijke voorzitter, waarbij ook een mogelijkheid is voor een voorlopige voorziening. De bank benadrukt ter zitting dat de werknemer de mogelijkheid heeft om zijn zienswijze, desgewenst met behulp van een externe deskundige, bij de Geschillencommissie naar voren te brengen. Het is niet aannemelijk geworden dat de Geschillencommissie de bijzondere positie van de werknemer in verband met zijn handicap niet bij de beoordeling zal kunnen betrekken noch dat in strijd zal worden gehandeld met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. De kantonrechter verklaart zich onbevoegd van de vorderingen kennis te nemen.

 

NB. Al eerder oordeelde de kantonrechter dat niet hij, maar de Geschillencommissie van de ABN AMRO/Fortis bevoegd was van een geschil kennis te nemen («JAR» 2011/160). Ook daar volgde dit uit de cao. In «JAR» 2003/149 baseerde de kantonrechter de bevoegdheid van de cao-adviescommissie (geschillencommissie) op de bepalingen in Rechtsvordering inzake arbitrage. Zie anders «JAR» 2006/304, waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand hield dat het betrokken geschil buiten de geschillenregeling viel.

Uitspraak

Verloop van de procedure

(...; red.)

Gronden van de beslissing

Uitgangspunten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde bewijstukken, wordt in dit geding het volgende tot uitgangspunt genomen.

De werknemer is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst van ABN Amro Bank in de functie van Credit Relationship manager CR&PM FI II op niveau 11.

1.2. De afdeling van de werknemer werkzaam is, is verantwoordelijk voor het verstrekken van kredieten en de werkzaamheden van de werknemer bestaan uit het maken van analyses.

1.3. Op 29 september 2016 heeft ABN Amro Bank een reorganisatie aangekondigd. Deze reorganisatie raakt de afdeling waar de werknemer werkzaam is.

1.4. In artikel 1.3 van de Sociaal Plan cao 2017-2020 is opgenomen, voor zover hier van belang:

“Wanneer je een geschil hebt met de Bank over de toepasselijkheid of toepassing van deze cao, dan geldt de Geschillencommissie als arbiter. De civiele rechter is niet bevoegd. De Geschillencommissie doet een bindende, arbitrale uitspraak. Dit geldt ook bij geschillen over je beëindigingsovereenkomst op basis van dit sociaal plan.”

1.5. Het Reglement van de Geschillencommissie kent de mogelijkheid een voorlopige voorziening te treffen.

1.6. Bij brief van 3 oktober 2016 heeft de gemachtigde van de werknemer aan ABN Amro Bank laten weten, voor zover hier van belang:

“Door de aangekondigde reorganisatie, komt zijn bijzondere positie uiteraard weer boven drijven: de bank heeft een traject ingezet met allerlei checks and balances, maar ik kan niet doorgronden of en op welke wijze de bank heeft voorzien in het rekening houden met bijzondere posities van werknemers die door een handicap niet voor 100% kunnen presteren in vergelijking met werknemers zonder handicap.

(...)

Volgens de richtlijnen geldt dat als er in het bestaande organogram een functie is die in het nieuwe organogram ook voorkomt met een functieomschrijving dat niet fundamenteel gewijzigd is, er directe plaatsing volgt als het aantal formatieplaatsen in de vergelijkbare functies gelijk is. Aangezien er dus in dit geval een één-op één vergelijkbare functie is dient dit dus tot directe plaatsing van de werknemer te leiden. Ik verzoek u om mij voor aanstaande vrijdag te bevestigen dat op grond van voorgaande de werknemer direct wordt geplaatst als Senior Relationship Manager infrastructure clients, op niveau 11. (...)”

1.7. Bij brief van 8 november 2016 heeft A namens ABN Amro Bank aan de gemachtigde van de werknemer laten weten, voor zover hier van belang: “U schrijft dat u verbaasd bent met de toets ingrijpend wijzigen, dat de oude functie (aangepaste functie Credit Relationshipmanager CR & PM FI II) en de nieuwe functie (Sr Relationship Manager Infrastructure Clients op niveau 11) matcht en dus niet ingrijpend gewijzigd is en u verzoek om een ‘70%-30%’oplossing via de Diversity Board. Wij volgen uw standpunt niet (...). Zoals tijdens ons gesprek van 26 oktober 2016 medegedeeld, dient u naar de geschillencommissie van de bank te gaan omdat zij bevoegd is. De civiele rechter is niet bevoegd om te oordelen over de toepasselijkheid of toepassing van de cao.”

1.8. Fuwa Consult heeft in een memo van 17 november 2016 op basis van een door haar gedaan onderzoek geconcludeerd dat de persoonlijke functie van de werknemer vergelijkend met de nieuwe functie een beperkt gewijzigde functie qua context maar inhoudelijk niet ingrijpend anders is. Volgens Fuwa Consult is de werknemer vrijwel direct inzetbaar in de nieuwe functie.

1.9. Op 5 december 2016 heeft ABN Amro Bank de Sociaal Plan cao 2017-2020 aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Vordering

2. De werknemer vordert dat ABN Amro Bank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure bij de civiele rechter dan wel bij de geschillencommissie, een arbeidsplaats in de nieuwe functie Senior Relationship manager IS (level I) voor de werknemer beschikbaar te houden voor het geval zijn bezwaren gegrond zijn. Voorts vordert de werknemer om ABN Amro Bank te veroordelen om in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure de werknemer niet boventallig te verklaren en in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure de werknemer voorlopig te plaatsen in de functie van Senior Relationship manager IS (level I). Daarnaast vordert de werknemer veroordeling van ABN Amro Bank tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en € 2.308,= inclusief BTW als kosten van het deskundigenbericht alsmede de proceskosten. Ten slotte verzoekt de werknemer benoeming van een deskundige die onderzoekt of de persoonlijke functie van de werknemer ingrijpend is gewijzigd. De werknemer stelt hiertoe, zakelijk weergegeven, dat er op het moment van indienen geen bepaling was die hem beperkte om naar de burgerlijke rechter te gaan. ABN Amro Bank wenst geen rekening te houden met zijn bijzondere positie als gehandicapte en ABN Amro Bank handelt daarmee in strijd met de wet, goed werkgeverschap en redelijkheid en billijkheid. De gevolgen voor de werknemer zijn zeer ingrijpend. De taken die de werknemer thans verricht zijn voor 95% gelijk aan de nieuwe functie, zodat van een ingrijpende gewijzigde functie geen sprake is en dus moet de werknemer direct worden geplaatst. ABN Amro Bank heeft met de afdeling FUWA fout op fout gestapeld, maar weigert rekening te houden met het professionele oordeel van een andere partij. Bij een select & match is de werknemer gelet op zijn handicap kansloos als ABN Amro Bank er niets aan doet een gelijk speelveld te creëren, maar ABN Amro Bank weigert dat. Volgens de werknemer zal de bodemrechter de werknemer direct in de nieuwe functie plaatsen omdat zijn functie niet ingrijpend gewijzigd is.

Verweer

3. ABN Amro Bank voert voor alle verweren aan dat de civiele rechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Zij stelt daartoe dat op grond van artikel 1.3 van de Sociaal Plan Cao 2017-2020 de kantonrechter niet bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. De door de werknemer in de dagvaarding opgenomen bepaling is van een eerdere versie die niet in de uiteindelijk op 5 december 2016 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde Sociaal Plan Cao 2017-2020 is terechtgekomen. De onderhavige procedure gaat over de toepassing van de Sociaal Plan Cao en in het bijzonder het onderscheid tussen ingrijpend en niet ingrijpend gewijzigde functies en dus is de geschillencommissie bij uitsluiting bevoegd en de civiele rechter onbevoegd. Inhoudelijk heeft ABN Amro Bank bestreden dat de vorderingen van de werknemer toewijsbaar zijn.

 

Beoordeling

4. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van de werknemer in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5. Het meest verstrekkende verweer van ABN Amro Bank slaagt. Uitgangspunt daarbij dat het partijen vrij staat om een geschillenregeling overeen te komen. Uit de overgelegde stukken van de zijde van ABN Amro Bank is op te maken dat zij op 5 december 2016 het Sociaal Plan 2017-2020, waar de reorganisatie onder valt, heeft aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken. In artikel 1.3 van dit Sociaal Plan is de geschillencommissie als arbiter aangewezen met uitsluiting van de civiele rechter. De enkele omstandigheid dat nog geen kennisgeving van ontvangst in dit geding is overgelegd, maar uitsluitend de aanvraag, staat aan de toepasselijkheid van de Sociaal Plan cao 2017-2020 op de onderhavige procedure niet in de weg. In dit verband verdient opmerking dat onbestreden is gebleven dat ook in de thans geldende Sociaal Plan cao een gelijke bepaling is opgenomen.

6. Voor zover namens de werknemer in dit verband is opgemerkt dat de oorspronkelijk door ABN Amro Bank gebruikte formulering van de geschillenregeling in het sociaal plan de mogelijkheid geeft voor de civiele rechter, zodat hij op goede grond zich tot de kantonrechter heeft gewend, wordt de werknemer daarin niet gevolgd. Deze versie van de tekst is uiteindelijk niet in de definitieve versie terecht gekomen, zodat de werknemer zich daarop niet kan beroepen.

7. Met betrekking tot de vraag of de Sociaal Plan cao 2017-2020 op de arbeidsovereenkomst van de werknemer van toepassing is, geldt dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat in de arbeidsovereenkomst van de werknemer een incorporatiebeding is opgenomen. Namens ABN Amro Bank is ter terechtzitting verklaard dat dit in de arbeidsovereenkomst van 26 juni 1990 is opgenomen en ABN Amro Bank heeft verklaard dat zij het bewijs daarvan zo nodig in het geding kan brengen. De werknemer heeft hiertegen geen gemotiveerd verweer gevoerd, maar slechts volstaan met een enkele betwisting. Op basis hiervan is de verwachting gerechtvaardigd dat de bodemrechter de Sociaal Plan cao 2017-2020 ook op de werknemer van toepassing zal achten, inclusief het beding als bedoeld in artikel 1.3. In dit verband verdient nog opmerking dat de werknemer er in de dagvaarding ook zonder enig voorbehoud vanuit is gegaan dat de Sociaal Plan cao 2017-2020 van toepassing was, met dien verstande dat hij toen van een, voor hem gunstiger geformuleerde bepaling was uitgegaan.

8. De Geschillenregeling kent naar het oordeel van de kantonrechter een met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang, met een onafhankelijk voorzitter, waarbij ook een voorlopige voorziening mogelijkheid is. De werknemer heeft ook de mogelijkheid om zijn zienswijze, zo gewenst met behulp van een externe deskundige, bij de Geschillencommissie naar voren te brengen, zo is namens ABN Amro Bank ter terechtzitting nog benadrukt. De namens de werknemer geuite angst dat er geen onafhankelijk oordeel gevormd kan worden en er geen mogelijkheid is van een holistische blik of een second opinion, vindt vooralsnog geen steun in de feiten. Dat de Geschillencommissie de bijzondere positie van de werknemer in verband met zijn handicap niet bij de beoordeling zal kunnen betrekken en in strijd zal worden gehandeld met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte is evenmin aannemelijk geworden.

9. Hetgeen overigens door partijen naar voren is gebracht behoeft geen bespreking.

10. De kantonrechter ziet in weerwil van de uitkomst van dit geding aanleiding de proceskosten tussen partijen als na te melden te compenseren. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding was de cao immers nog niet aangemeld en ABN Amro Bank heeft door het door verspreide concept van de cao onduidelijkheid laten bestaan.

Dat namens ABN Amro Bank de gemachtigde van de werknemer erop gewezen is dat de civiele rechter niet bevoegd was, maakt niet dat zij daarmee de onduidelijkheid volledig heeft weggenomen, zodat compensatie aangewezen is.

Beslissing

De kantonrechter:

I. verklaart zich onbevoegd van de vorderingen kennis te nemen;

II. compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Instantie Kantonrechter Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak14-12-2016
PublicatieJAR 2017/21 (Sdu Jurisprudentie Arbeidsrecht), aflevering 2, 2017
ECLIECLI:NL:RBAMS:2016:9411
Zaaknummer5545159 KK EXPL 16-1511
Overige publicaties
  • ECLI:NL:RBAMS:2016:9411
  • NTHR 2017, afl. 3, p. 152
RechtsgebiedArbeidsrecht
Rechters
  • mr. Pennink
Partijen De werknemer te (...),
eiser,
gemachtigde: mr. R.A. Moonen,
tegen
de naamloze vennootschap ABN Amro Bank NV te Amsterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds.
Regelgeving