JAR 2017/226, Kantonrechter Rechtbank Amsterdam 17-08-2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6171, 5970034 EA VERZ 17-407.01

Inhoudsindicatie

Arbitrageclausule in sociaal plan, Kantonrechter toch bevoegd, want geschil betreft niet de toepasselijkheid of toepassing van het sociaal plan

Samenvatting

De werknemer, geboren in 1953, is in 1978 bij de werkgever in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst is het Sociaal Plan 2017-2020 van toepassing. Dit is door de werkgever aangemeld als cao. Het sociaal plan voorziet bij het vervallen van de arbeidsplaats in herplaatsing of een vertrekregeling. De vertrekregeling is gemaximeerd op een bedrag gelijk aan de inkomstenderving tot aan een fictieve pensioendatum. Voor de werknemer is deze fictieve datum 1 mei 2016 en het daarbij behorende bedrag € 67.082,=. Zonder maximering zou de werknemer recht hebben op € 182.891,=. De arbeidsplaats van de werknemer is komen te vervallen. Hij heeft gekozen voor de vrijwillige vertrekregeling, maar heeft een voorbehoud gemaakt met betrekking tot de vergoeding. Met de aftopping wordt naar zijn mening namelijk verboden onderscheid naar leeftijd gemaakt. De werknemer heeft zich tot de kantonrechter gewend. De werkgever stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is en dat de werknemer zich had moeten wenden tot de Geschillencommissie, die in het sociaal plan is aangewezen als arbiter.

De kantonrechter stelt vast dat in het sociaal plan is bepaald dat een geschil met uitsluiting van de civiele rechter kan worden voorgelegd aan de Geschillencommissie, indien en voor zover het gaat over de toepasselijkheid of toepassing van het sociaal plan. In dit geval gaat het echter om de vraag of een regeling in het sociaal plan (de aftoppingsregeling) moet worden vernietigd wegens strijd met de WGBLA. Daarmee valt het geschil buiten de geschillenregeling en is de kantonrechter bevoegd van het geschil kennis te nemen. De stelling van de werkgever, dat de werknemer er in de vaststellingsovereenkomst mee heeft ingestemd dat hij de zaak zou voorleggen aan de Geschillencommissie, wordt niet gevolgd. De werkgever wist dat de Geschillencommissie op grond van het sociaal plan alleen de aanzegperiode of de termijn in de mobiliteitsorganisatie kan verlengen, maar niet een regeling nietig kan verklaren en had de werknemer daarop moeten wijzen. Overigens heeft de werknemer de bevoegdheid van de kantonrechter ook niet uitgesloten in het door hem gemaakte voorbehoud. Ten aanzien van de inhoud van het geschil overweegt de kantonrechter dat partijen hebben afgesproken dat hun zaak zal worden aangehouden totdat het Hof Amsterdam zal hebben beslist in het hoger beroep in een soortgelijke zaak.

 

NB. Over de rechtsgeldigheid van arbitrageclausules in een sociaal plan is eerder geoordeeld. In «JAR» 2011/160 en «JAR» 2017/21 verklaarde de civiele rechter zich onbevoegd. In «JAR» 2017/61 achtte de Kantonrechter Amsterdam de aftoppingsregeling in kwestie in strijd met het verbod op leeftijdsdiscriminatie. Tegen deze uitspraak blijkt hoger beroep te zijn ingesteld. Wordt vervolgd dus.

Uitspraak

Verloop van de procedure

(...; red.)

Gronden van de beslissing

Feiten

1. Bij de beoordeling gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden:

1.1. De werknemer, geboren op (...) 1953, is op (...) 1978 bij ABN AMRO in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Service Management Analist II voor 36 uur per week. Zijn laatstgenoten salaris bedroeg € 5.590,17 inclusief emolumenten.

1.2. Op de arbeidsovereenkomst is (onder meer) van toepassing het Sociaal Plan 2017-2020, welk sociaal plan door ABN AMRO op 5 december 2016 als cao is aangemeld (verder: Sociaal Plan).

1.3. Het Sociaal Plan bevat een regeling voor de werknemer, wiens arbeidsplaats door een reorganisatie is komen te vervallen. Ingevolge par. 4 Sociaal Plan wordt de werknemer voor wie na verval van de functie geen passende andere functie beschikbaar is, geplaatst in de Mobiliteitsorganisatie. Indien er tijdens deze plaatsing geen nieuwe functie wordt gevonden, wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd. Daarbij wordt een vergoeding aangeboden van 65% van de zogenoemde vertrekpremie (par. 4.5 Sociaal Plan).

1.4. Als alternatief voor gebruikmaking van de diensten van de Mobiliteitsorganisatie kan de werknemer ook kiezen voor een vrijwillig vertrek bij ABN AMRO onder uitkering van 100% van de vertrekpremie (par. 5.1 en 5.2 Sociaal Plan) en in het geval van de werknemer, vermeerderd met 8 maanden salaris (par. 5.2 sub d Sociaal Plan).

1.5. De vertrekpremie is ingevolge par. 5.2 sub c Sociaal Plan gemaximeerd op een bedrag gelijk aan de inkomstenderving tot aan een fictieve pensioendatum, met een zogenoemde bodem als ondergrens (volgens 5.2 sub e Sociaal Plan). Voor de werknemer is de fictieve pensioendatum 1 mei 2016. De bodem is voor de werknemer van

€ 67.082,= bruto.

1.6. Voor de werknemer is zonder toepassing van de aftoppingsregeling 100% van de vertrekpremie van € 146.300,= bruto, waar in het geval van de werknemer nog 8 maandsalarissen (zijnde

€ 36.591,= bruto) bijkomt. Zonder aftopping zou de werknemer derhalve recht hebben op een vertrekpremie van € 182.891,= bruto.

1.7. De werknemer heeft gekozen voor vrijwillig vertrek. Op 6 februari 2017 heeft hij het zogenaamde Overeenstemmingsformulier Vertrekpremie ondertekend. Volgens die overeenkomst is de werknemer middels een op 16 februari 2017 getekende beëindigingsovereenkomst op 6 maart 2017 uit dienst getreden.

De werknemer wordt per 1 juli 2020 AOW-gerechtigd.

1.8. Bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is aan de werknemer uit hoofde van het Sociaal Plan met toepassing van de aftoppingsregeling als vertrekpremie uitgekeerd het bodembedrag van € 67.082,= bruto (volgens par. 5.2 sub e Sociaal Plan).

1.9. Zowel op het overeenstemmingsformulier als in de beëindigingsovereenkomst heeft de werknemer een voorbehoud gemaakt met betrekking tot de hoogte van de vertrekpremie, welk voorbehoud in de beëindigingsovereenkomst als volgt is geformuleerd:

“[...] voor akkoord getekend onder voorbehoud van de hoogte van het bedrag dat door ABN AMRO als vertrekpremie is berekend. Conform het schrijven van (...) (Legal Counsel bij ABN AMRO Bank N.V.) d.d. woensdag 1 februari 2017 16:58 uur zal de hoogte van de vertrekpremie aanhangig gemaakt worden bij de geschillencommissie.”

1.10. In een conceptversie van het Sociaal Plan, hetwelk aan de werknemer ter beschikking was gesteld, is als tekst opgenomen:

“Wanneer je een geschil hebt met de bank [ABN AMRO, ktr] over de toepassing van de cao dan kun [vetgedrukt, ktr (gecursiveerd; red.)] je dit voorleggen aan de Geschillencommissie als Arbiter. De civiele rechter is dan niet bevoegd.”

1.11. In de als cao aangemelde versie is in artikel 1.3 opgenomen:

1.3. Geschillenregeling

Wanneer je een geschil hebt met de Bank over de toepasselijkheid of toepassing van deze cao, dan geldt de Geschillencommissie als arbiter. De civiele rechter is niet bevoegd. De Geschillencommissie doet een bindende, arbitrale uitspraak. Dit geldt ook bij geschillen over je beëindigingsovereenkomst op basis van dit sociaal plan.”

1.12. In artikel 8.1 van het Sociaal Plan is een hardheidsclausule opgenomen, die bepaalt:

8.1. Duidelijk onredelijke gevolgen

Wanneer je vindt dat de regels uit dit sociaal plan duidelijk onredelijke gevolgen voor jou hebben, dan kun je dit voorleggen aan de Geschillencommissie. Wanneer de Geschillencommissie het daarmee eens is, kan zij je aanzegperiode of je termijn in de Mobiliteitsorganisatie verlengen.”

1.13. De werknemer is een procedure gestart bij de Geschillencommissie met als inzet de hoogte van zijn vertrekpremie. Op 20 april 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De procedure is tijdens die mondelinge behandeling geschorst en vervolgens door de werknemer ingetrokken op 24 april 2017.

1.14. Op 4 mei 2017 heeft de werknemer het onderhavig verzoekschrift ingediend.

Verzoek en incidenteel verzoek

In de “hoofdzaak”

2. De werknemer verzoekt dat de kantonrechter de bepaling inzake de aftopping van de vertrekpremie als opgenomen in het Sociaal Plan nietig zal verklaren wegens leeftijdsdiscriminatie en daarbij bepaalt dat hij recht heeft op 100% van de vertrekpremie, zonder toepassing van de aftoppingsregeling, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van de procedure.

Incidenteel verzoek

3. ABN AMRO verzoekt harerzijds – voor alle weren – bij incidenteel verzoek dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van onderhavig geschil kennis te nemen. Volgens ABN AMRO volgt uit artikel 1.3 van het geldende Sociaal Plan dat geschillen over de toepassing en toepasselijkheid van het Sociaal Plan met uitsluiting van de civiele rechter kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie als arbiter.

4. De werknemer verweert zich tegen dit verzoek en doet daarbij een beroep op de concepttekst van het Sociaal Plan. Deze tekst heeft hij destijds van ABN AMRO gekregen en daarop heeft de werknemer zich gebaseerd. Artikel 1.3 is in die tekst een “kan-bepaling” en daaruit volgt volgens de werknemer dat er geen sprake is van een exclusieve bevoegdheid voor de Geschillencommissie. Voorts voert de werknemer aan dat het door hem beoogde doel bij de Geschillencommissie nimmer kan worden bereikt, nu die volgens artikel 8.1 Sociaal Plan alleen de aanzegperiode of de termijn in de mobiliteitsorganisatie kan verlengen. De werknemer stelt tot slot door ABN AMRO op het verkeerde been te zijn gezet door de brief van 27 januari 2017, waarin hij wordt verwezen naar de Geschillencommissie, en dat hem de toegang tot de rechter niet onthouden kan worden, te meer nu de arbitrage door de Geschillencommissie als bindend advies wordt neergezet en de werknemer geen beroepsmogelijkheden zou hebben. De werknemer verzoekt daarbij veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten van het incident.

In de “hoofdzaak”

5. De werknemer verzoekt aldus in de “hoofdzaak” – zakelijk weergegeven – betaling van de hem op grond van het Sociaal Plan toekomende (100%) vertrekpremie, zonder toepassing van de aftoppingsregeling, nu deze regeling in strijd is met artikel 13 van de Wet Gelijke Behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (verder: de WGBLA). De werknemer meent recht te hebben op het bedrag van € 182.891,= bruto, waarop het reeds uitgekeerde bedrag van € 67.082,= bruto in mindering kan worden gebracht, zodat het bedrag van € 123.939,= resteert. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2017.

6. ABN AMRO erkent – samengevat en voor zover hier van belang – dat de aftoppingsregeling inderdaad onderscheid op grond van leeftijd maakt, maar dat dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is, nu deze een legitiem doel dient en de regeling een passend en noodzakelijk middel is om dat legitieme doel te bereiken. Zij doet daarmee een beroep op art. 7 lid 1 sub c WGBLA.

7. Verdere verweren van ABN AMRO zullen bij de beoordeling aan de orde komen.

Beoordeling

In het incident

8. Met partijen is afgesproken dat de kantonrechter op proceseconomische gronden eerst zal beslissen op het incidentele verzoek van ABN AMRO. Daartoe wordt overwogen als volgt.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat in een cao overeengekomen kan worden dat een geschil bij uitsluiting van de civiele rechter moet worden voorgelegd aan een geschillencommissie. Partijen twistten aanvankelijk over welke versie van het Sociaal Plan van toepassing is bij de beoordeling van – onder meer – de bevoegdheid van de kantonrechter, doch ter zitting heeft de werknemer erkend dat de door ABN AMRO als cao aangemelde tekst leidend is.

10. Artikel 1.3 van het Sociaal Plan als weergegeven in rov 1.11 is daarmee tussen partijen van toepassing, waarmee nog niet is gezegd dat het onderhavige geschil onder de werking van dat artikel valt. Uit de tekst van artikel 1.3 volgt namelijk dat een geschil met uitsluiting van de civiele rechter kan worden voorgelegd aan de Geschillencommissie, indien en voor zover het gaat over de toepasselijkheid of toepassing van het Sociaal Plan. Alleen dan kan de werknemer zich met uitsluiting van de kantonrechter wenden tot de Geschillencommissie.

11. In onderhavig geval legt de werknemer aan zijn verzoek ten grondslag dat de aftoppingsregeling in het Sociaal Plan in strijd is met artikel 13 WGBLA. Het gaat dus niet om de toepassing of toepasselijkheid van het Sociaal Plan, maar om de vraag of een regeling in het Sociaal Plan (de aftoppingsregeling) vernietigd moet worden wegens strijd met de WGBLA. Daarmee valt het geschil buiten de geschillenregeling van artikel 1.3 en kan het incidentele verzoek van ABN AMRO niet op die grond worden toegewezen.

12. ABN AMRO heeft daarnaast gesteld dat er in de vaststellingsovereenkomst een individueel arbitraal beding overeen is gekomen, omdat de werknemer in de overeenkomsten expliciet heeft laten opnemen dat de hoogte van de vertrekpremie aanhangig zal worden gemaakt bij de geschillencommissie.

13. Dit standpunt van ABN AMRO wordt niet gevolgd. Vooreerst geldt daarbij dat het ABN AMRO bekend was dat de werknemer het niet eens was met de aftopping van de vergoeding en dat hij een procedure wenste te starten ter verkrijging van de volledige (100%) vertrekpremie. ABN AMRO weet dat dit doel, de hogere vergoeding, bij de Geschillencommissie niet kan worden bereikt en die wetenschap verhindert dat ABN AMRO het voorbehoud van de werknemer – wat daar verder ook van zij – als een individueel arbitragebeding kan aanmerken. Integendeel, ABN AMRO had de werknemer direct op deze gedachtefout dienen te wijzen.

14. ABN AMRO heeft ter zitting weliswaar (bij gebrek aan wetenschap) betwist dat het resultaat dat de werknemer beoogt niet ook bij de Geschillencommissie bereikt kan worden, maar zij is, ondanks dat dit ter zitting expliciet is verzocht en door ABN AMRO is toegezegd, hier niet meer op terug gekomen in haar brief van 17 juli 2017. In het Sociaal Plan vindt de kantonrechter deze mogelijke uitkomst voor de werknemer ook niet terug. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat het door de werknemer gestelde juist is en dat een procedure bij de Geschillencommissie niet kan leiden tot een vernietiging van de aftoppingsregeling en daarmee tot toekenning van (100% van) de vertrekpremie. Bovendien is de bevoegdheid van de kantonrechter niet uitgesloten in het door de werknemer gemaakte voorbehoud.

15. De kantonrechter verklaart zich gezien het vooroverwogene bevoegd om kennis te nemen van de werknemer verzoek.

16. De beslissing omtrent de proceskosten zal worden aangehouden tot de eindbeslissing.

In de “hoofdzaak”

17. Ter zitting is nog het volgende met partijen besproken. Partijen hebben de kantonrechter meegedeeld dat thans bij het Gerechtshof Amsterdam voorligt het hoger beroep van een vonnis in een soortgelijke zaak, waarin de kantonrechter te Amsterdam de aftoppingsregeling wegens strijd met de WGBLA heeft vernietigd (de zaak met kenmerk EA 16-726). Op 27 oktober 2017 is bij het Gerechtshof de mondelinge behandeling geagendeerd.

18. Daarop heeft de kantonrechter met partijen besproken dat op proceseconomische gronden de behandeling van de onderhavige zaak zou kunnen worden aangehouden totdat in hoger beroep over de rechtsgeldigheid van de aftoppingsregeling is beslist. Partijen hebben daar mee ingestemd, waarbij is afgesproken dat de kantonrechter kort na 27 oktober 2017 over de ontwikkelingen in de procedure bij het Gerechtshof Amsterdam zal worden geïnformeerd.

19. De kantonrechter houdt aldus iedere verdere beslissing aan tot 1 november 2017, in afwachting van informatie over de voortgang van de procedure bij het Gerechtshof Amsterdam. ABN AMRO dient – als meest gerede partij – de kantonrechter uiterlijk op 1 november 2017 over de stand van zaken in de procedure bij het Gerechtshof middels een akte te informeren.

Beslissing

De kantonrechter:

In het incident

wijst het verzoek van ABN AMRO af en verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de werknemer;

houdt de beslissing omtrent de proceskosten in het incident aan;

In de hoofdzaak

draagt ABN AMRO op zich uiterlijk 1 november 2017 uit te laten zoals in rov. 19 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Verder lezen
Terug naar overzicht