JAR 2017/237, Kantonrechter Rechtbank Oost-Brabant zp Eindhoven 28-07-2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4305, 5594376\EJ VERZ 16-843 (met annotatie van mr. C.F.J. van Tuyll van Serooskerken)

Inhoudsindicatie

Beroep op overbruggingsregeling transitievergoeding in verweer werkgever, Vervaltermijn van drie maanden niet van toepassing

Samenvatting

De werknemer is op 1 december 1999 bij de werkgever in dienst getreden. De werkgever heeft met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd tegen 1 oktober 2016. Door de werkgever is, met verwijzing naar de Overbruggingsregeling voor kleine werkgevers, een transitievergoeding betaald van

€ 4.395,=. De werknemer heeft aanspraak gemaakt op de volledige transitievergoeding ad € 26.331,90.

De kantonrechter stelt vast dat de werkgever niet het vereiste formulier bij het UWV heeft ingediend, inhoudende dat hij een beroep wilde doen op de Overbruggingsregeling. Een dergelijk beroep kan echter ook in de procedure bij de kantonrechter worden gedaan. De werkgever heeft het beroep op de Overbruggingsregeling in zijn verweerschrift gedaan en heeft geen zelfstandig tegenverzoek ingediend. De kantonrechter is van oordeel dat dit laatste geen vereiste is en dat een beroep op de Overbruggingsregeling ook bij verweer kan worden gedaan. In dat geval geldt niet de vervaltermijn van drie maanden. Art. 7:686a lid 4 BW bepaalt dat een verzoekschrift inzake de transitievergoeding binnen drie maanden moet worden ingediend, maar dat is niet de enige ingang voor een beroep op de Overbruggingsregeling. Waar het de bedoeling is geweest van de wetgever om de Overbruggingsregeling, evenals de transitievergoeding, binnen beperkte termijn ter behandeling aan de rechter voor te leggen, wordt daaraan voldaan als in verweer op de vaststelling tot de transitievergoeding een beroep wordt gedaan op de vaststelling van een lager bedrag daarvan. Een andere benadering zou ertoe leiden dat een werkgever in alle gevallen, ook bij een voor hem gunstige beslissing van het UWV op grond van art. 24 Ontslagregeling, tijdig een verzoek bij de kantonrechter zou moeten indienen. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat de werkgever voldoet aan de vereisten voor een beroep op de Overbruggingsregeling. Het verzoek van de werknemer wordt daarom afgewezen.

 

NB. In «JAR» 2017/141 werd geoordeeld dat de werkgever zijn tegenverzoek/verweer met betrekking tot de Overbruggingsregeling wel binnen drie maanden had moeten indienen. In «JAR» 2017/111 werd ook in het verweer van de werkgever een beroep gedaan op de Overbruggingsregeling, maar is kennelijk niet aan de orde gekomen of dit wel binnen de vervaltermijn was gedaan. Zie over uitleg van de Overbruggingsregeling onder meer «JAR» 2017/142 en «JAR» 2017/144.

Uitspraak

Het procesverloop

(...; red.)

De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast, voor zover voor de beoordeling van belang.

1. De werknemer is op 1 december 1999 in dienst getreden bij Clercx Liebau. De laatste functie die hij vervulde, is die van (...) tegen een maandloon van (...), exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten bij een dienstverband van 40 uur per week.

2. Clercx Liebau heeft het UWV toestemming gevraagd om het dienstverband met de werknemer op te mogen zeggen. Op 8 juli 2016 heeft het UWV deze toestemming verleend.

3. Bij brief van 9 juli 2016 heeft Clercx Liebau het dienstverband met de werknemer opgezegd tegen 1 oktober 2016.

4. Door Clercx Liebau is een transitievergoeding betaald aan de werknemer van € 4.395,= bruto.

Het verzoek

De werknemer verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, Clercx Liebau te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 26.331,90 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

Aan dit verzoek legt de werknemer ten grondslag – kort gezegd – dat hij op grond van artikel 7:673 BW recht heeft op de volledige transitievergoeding. Weliswaar kent artikel 7:673d BW een overbruggingsregeling, maar deze regeling is in dit geval niet van toepassing.

Clercx Liebau heeft immers geen toestemming gekregen van het UWV om de overbruggingsregeling toe te mogen passen. Daarnaast is de onderneming niet per 1 oktober 2016 beëindigd. En verder blijkt uit de cijfers van de holding, die niet zijn overgelegd, dat een bedrag van € 1.000.000,= is verdwenen.

Het verweer

Clercx Liebau verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding moet worden afgewezen.

Clercx Liebau voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

De onderneming van Clercx Liebau is opgeheven met ingang van 20 februari 2017. Zij had twee werknemers in dienst, waarvan de werknemer er één was.

Vanaf het jaar 2000 is de omzet van Clercx Liebau jaarlijks afgenomen, wat haar heeft doen besluiten de bedrijfsactiviteiten te beëindigen per 1 oktober 2016.

In mei 2016 is met de werknemer gesproken over het beëindigen van zijn dienstverband in onderling overleg en is hem in dat geval een transitievergoeding aangeboden van € 4.395,= bruto. De hoogte van de transitievergoeding is gebaseerd op het feit dat Clercx Liebau een kleine werkgever is en gebruik maakt van de overbruggingsregeling van artikel 7:673d BW.

De werknemer is niet ingegaan op het verzoek om de arbeidsovereenkomst in onderling overleg te beëindigen. Clercx Liebau was derhalve genoodzaakt een ontslagprocedure te starten bij het UWV. Gelijktijdig met het verzoek voor een ontslagvergunning heeft zij een aanvraag ingediend om gebruik te mogen maken van de overbruggingsregeling. Zij is daarbij uitgebreid ingegaan op haar slechte bedrijfseconomische situatie.

Thans voert zij aan dat uit de cijfers blijkt dat het resultaat in de drie betreffende jaren negatief was. Tevens is een accountantsverklaring van 7 maart 2017 overgelegd. Uit de stukken en de daarop gegeven toelichting blijkt dat Clercx Liebau heeft voldaan aan artikel 24 van het Ontslagbesluit en dat derhalve de overbruggingsregeling van toepassing is. Door gebruik te maken van haar toekomend recht kan niet worden gezegd dat zij heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of Clercx Liebau moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 26.331,90 bruto wegens transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW.

2. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer het verzoek tijdig heeft ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de verplichting tot betaling van de transitievergoeding is ontstaan.

3. Clercx Liebau heeft de verschuldigdheid van de transitievergoeding als zodanig niet weersproken. Wel heeft zij de hoogte van de verzochte transitievergoeding betwist. Clercx Liebau heeft daarbij een beroep gedaan op de overbruggingsregeling.

De kantonrechter overweegt als volgt.

4. Weliswaar heeft Clercx Liebau bij de aanvraag om een ontslagvergunning bij het UWV aangevinkt dat zij een beroep wenst te doen op de overbruggingsregeling, maar het daartoe vereiste formulier heeft Clercx Liebau niet ingediend bij het UWV. Derhalve heeft het UWV op het verzoek van Clercx Liebau om in aanmerking te komen voor een overbruggingsregeling niet beslist.

5. Artikel 8 van de Regeling UWV Ontslagprocedure sluit niet uit dat een beroep op de overbruggingsregeling enkel eerst moet worden gedaan bij het UWV. Derhalve heeft Clercx Liebau in deze procedure alsnog een beroep op de overbruggingsregeling kunnen doen.

6. Clercx Liebau heeft haar beroep op de overbruggingsregeling op grond van artikel 7:673d BW juncto artikel 24 Ontslagregeling bij wijze van verweer gevoerd en niet een (zelfstandig) (tegen)verzoek gedaan. Aan de beoordeling van een verzoek op de overbruggingsregeling ligt een geheel eigen procedure ten grondslag met een inhoudelijke toetsing van het verzoek aan artikel 24 van de Ontslagregeling. De procedure bij het UWV is echter als hiervoor geconstateerd niet verplicht of een voorwaarde voor de toepassing van de overbruggingsregeling.

7. Artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW bepaalt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van de artikelen 673, 673a, 673b, 673c en 673d betreft. De regeling ziet op verzoeken van zowel werknemers als werkgevers. In de Memorie van Toelichting (33818, p 120-121) is vermeld dat voor verzoeken die verband houden met de transitievergoeding een termijn van drie maanden geldt. Gelet op deze expliciete verwijzing door de wetgever moet worden aangenomen dat de vervaltermijn van drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd ook geldt voor de werkgever die bij wijze van verzoek een beroep wenst te doen op de overbruggingsregeling van artikel 7:673d BW.

8. Voornoemde vervaltermijn van drie maanden dient door de kantonrechter ambtshalve te worden getoetst. Op grond van de wetsgeschiedenis moet immers worden aangenomen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat voornoemde vervaltermijn ambtshalve wordt toegepast, omdat de termijn niet het belang van één partij beoogt te beschermen, maar het algemeen belang dient doordat partijen in het nieuwe systeem aanzienlijk sneller weten waar zij aan toe zijn (Memorie van toelichting 33818, p. 116).

Aangezien de eventuele toepasselijkheid van de vervaltermijn ter mondelinge behandeling niet aan de orde is gekomen heeft de kantonrechter Clercx Liebau bij brief van 13 april 2017 in aanvulling op het verzoek tot overlegging van financiële gegevens voor de volledigheid in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Bij brief van 20 april 2017 heeft Clercx Liebau geantwoord en volle toetsing bepleit. De werknemer heeft de toepasselijkheid van de vervaltermijn en niet-ontvankelijkheid om die reden bepleit.

9. Het verweerschrift in deze zaak is buiten de vervaltermijn van drie maanden ingekomen. In artikel 7:673d is niet met zoveel woorden neergelegd dat slechts bij verzoek(schrift) een beroep gedaan moet worden op de overbruggingsregeling van BW. Artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW betreft de situatie dat een verzoekschrift bij de kantonrechter wordt ingediend maar maakt dat geen uitsluitende ingang.

10. Waar het de bedoeling is geweest van de wetgever om de overbruggingsregeling evenals de transitievergoeding binnen beperkte termijn ter behandeling aan de rechter voor te leggen wordt daaraan voldaan als in verweer op de vaststelling tot transitievergoeding slechts een beroep gedaan wordt op de vaststelling van een lager bedrag daarvan. In die procedure is immers dezelfde kantonrechter bevoegd. Het zou er anders toe leiden dat een werkgever in alle gevallen, ook bij een voor hem gunstige beslissing van het UWV op grond van artikel 24 van de ontslagregeling, tijdig een verzoek bij de kantonrechter zou moeten indienen (voor een geval waarin de UWV negatief besliste vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:857)). Hij kan dan immers het risico niet lopen dat een werknemer (onverhoeds op het laatste moment) een verzoek tot transitievergoeding indient.

Het uitsluitende karakter van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW op dit punt is te minder aan te nemen nu moet worden aangenomen dat zowel werkgever als werknemer dit verzoek kunnen indienen en niet alleen bedoeld is om zich te richten tot werkgevers om altijd een verzoek in te dienen als toepassing van de overbruggingsregeling wordt voorgestaan. In het onderhavige geval was de werknemer reeds lang op de hoogte van het voornemen van de werkgever om de overbruggingsregeling toe te passen. Het bedrag is ook al voldaan. Indien deze zich daarbij had neergelegd had het zonder procedure afgewikkeld kunnen zijn.

11. Ook als verweer op het verzoek tot vergoeding van de transitievergoeding kan het beroep op de overbruggingsregeling dus worden behandeld.

12. De stelling van de werknemer dat de overbruggingsregeling in dit geval niet van toepassing is omdat Clercx Liebau geen toestemming heeft gekregen van het UWV om de overbruggingsregeling toe te mogen passen gaat als hiervoor overwogen niet op.

13. De kantonrechter oordeelt dat Clercx Liebau heeft voldaan aan de vereisten die in de Ontslagregeling artikel 24, tweede lid, ingevolge artikel 673 d BW van toepassing zijn, te weten dat:

a. het nettoresultaat van de onderneming van de werkgever over de drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet is kleiner geweest dan nul;

b. de waarde van het eigen vermogen van de onderneming van de werkgever, als bedoeld in het Besluitmodellenjaarrekening, was negatief aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet; en

c. binnen de onderneming van de werkgever aan het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, is de waarde van de vlottende activa kleiner dan de schulden met een resterende looptijd van ten hoogste een jaar. Uit een accountantsrapport van 7 maart 20156 volgt bevestiging daarvan.

14. Volgens de werknemer zou Clercx Liebau de onderneming niet per 1 oktober 2016 hebben beëindigd. Clercx Liebau heeft echter overtuigend betoogd dat de vastgoedactiviteiten geheel beëindigd zijn nadat een lange periode van afbouw heeft plaatsgevonden, wegens financiële noodzaak. De werknemer heeft de afname van werkzaamheden kunnen aanschouwen. Zijn kritiek betreft met name de financiële verantwoording. Dat de rechtspersoon nog niet is uitgeschreven op 1 oktober 2016 is geen beletsel om aan te nemen. Onweersproken is de rechtspersoon ontbonden en beëindigd op 20 februari 2017, zoals bij de Kamer van Koophandel geregistreerd.

15. Clercx Liebau is in het verloop van de procedure in de gelegenheid gesteld de inmiddels bekende laatste geconsolideerde balans over 2015 over te leggen. Er is daarin sprake van een negatief eigen vermogen. De werknemer wijst erop dat over dat jaar de opbrengst van de holding positief is. Vanwege de grote verwevenheid tussen de holding en Clercx Liebau moet volgens de werknemer naar de cijfers van de holding gekeken worden. De kantonrechter zal in dit geval niet die consequentie trekken aangezien uit het relaas van de werkgever is gebleken dat de holding juist de vastgoedpoot lange tijd heeft moeten steunen om niet onderuit te gaan. Vanaf 2009 is al sprake van een verlieslatende onderneming. De verwevenheid gaat overigens naar het oordeel van de kantonrechter niet zo ver dat tot vereenzelviging moet worden overgegaan.

Ten aanzien van de vennootschapsbelastingverplichting van Clercx Liebau is aangevoerd dat onder strikt toezicht van de bank is geopereerd en dat door de belastingdienst een bepaalde verhouding was voorgeschreven. Dat geen accountantsverklaring over deze jaarstukken is overgelegd kan Clercx Liebau niet worden verweten aangezien het een recente opgave was die nog niet kon worden gecontroleerd. Wat betreft de afboekingen is verhelderd dat een oninbare vordering niet op de balans mag blijven staan maar dat Clercx Liebau ook dan was blijven voldoen aan de voorwaarden voor de overbruggingsregeling.

16. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer als gronden heeft aangevoerd:

1. er is geen toestemming van het UWV verkregen voor het toepassen van de overbruggingsregeling,

2. de onderneming is niet per 1 oktober 2016 geëindigd zoals is gesteld in de UWV aanvraag en op basis waarvan wel toestemming is verleend, en

3. de cijfers van de holding zijn niet overgelegd, waaruit opmerkelijk genoeg in één jaar een bedrag van 1 miljoen is verdwenen,

en dat in het voorgaande deze stellingen van de werknemer zijn weerlegd.

17. Het verzoek komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. De werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt de werknemer tot betaling van de proceskosten aan de kant van Clercx Liebau, welke kosten tot op heden worden vastgesteld op € 400,= als bijdrage in het salaris van de gemachtigde;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Noot

Dit is alweer de tweede zaak over de overbruggingsregeling transitievergoeding kleine (en armlastige) werkgevers (de Overbruggingsregeling) die ik annoteer. Naar (eigen) verwachting neemt mijn pro bono praktijk weldra een hoge vlucht (met de mogelijkheid van een abrupte landing per 1 januari 2020).

De vorige uitspraak en mijn annotatie daarover (Rb. Gelderland 12 april 2017, «JAR» 2017/141) heeft in ieder geval één pen in beweging gekregen. Met belangstelling las ik de annotatie van Steven Palm bij deze zaak (JIN 2017/134). Ik zou menen dat we hetzelfde over de onderliggende materie denken: de eis dat een werkgever een (zelfstandig) (tegen)verzoek moet indienen voor de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling kan onder omstandigheden onbillijk uitpakken. Anders dan Palm meen ik echter dat dit een consequentie van de wettelijke systematiek is en zie ik naar huidig recht geen uitweg.

Eerst de onderhavige casus. Feitelijk ligt hier dezelfde rechtsvraag voor als in voornoemde zaak van Rb. Gelderland. Geldt de – ambtshalve toe te passen – vervaltermijn van 3 maanden ten aanzien van een werkgever die zich in zijn verweer(schrift) op de Overbruggingsregeling ex artikel 7:673d BW beroept? Ook in deze zaak zijn partijen in de gelegenheid gesteld stukken in te dienen en zich hier nader over uit te laten. De Rb. Oost-Brabant komt tot een tegengesteld oordeel dan de Rb. Gelderland: “In artikel 7:673d is niet met zoveel woorden neergelegd dat slechts bij verzoek(schrift) een beroep gedaan moet worden op de overbruggingsregeling […]. Artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW betreft de situatie dat een verzoekschrift bij kantonrechter wordt ingediend maar maakt dat geen uitsluitende ingang.” De kantonrechter maakt vervolgens duidelijk dat het beroep op de Overbruggingsregeling ook als verweer op het verzoek tot vergoeding van de transitievergoeding kan worden behandeld en dat te dien aanzien de vervaltermijn van 3 maanden niet geldt.

Hier zit de crux. Is het inderdaad zo dat een (zelfstandig) (tegen)verzoek geen vereiste is en het voeren van verweer door werkgever tegen toekenning van de ‘reguliere’ transitievergoeding afdoende? Ik zie dit niet terug in wet of toelichting. Artikel 7:673d BW kent – weliswaar als afgeleide van artikel 7:673 BW – een zelfstandige grondslag. Ook in artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW staat artikel 7:673d BW apart genoemd – naast artikelen 7:673, 7:673a, 7:673b en 7:673c BW – als rechtsgrond waarvoor een vervaltermijn van drie maanden na einde arbeidsovereenkomst geldt om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen.

Dit maakt de situatie anders dan de door Palm aangehaalde voorbeelden waarvoor hij vreest dat - in het verlengde van de redenering van de Rb. Gelderland - ook mogelijk een tegenverzoek vereist zal zijn, zoals de uitsluiting van kleine werkgevers van de hogere transitievergoeding voor oudere werknemers en het in mindering brengen van transitie - en/of inzetbaarheidskosten op de transitievergoeding. Op deze gronden kan de werkgever wel degelijk verweer voeren tegen de (hoogte van de) door de werknemer geëiste transitievergoeding. In deze gevallen vloeit het recht op transitievergoeding en de toepasselijke uitsluiting- en/of matigingsgrond immers voort uit hetzelfde wetsartikel (respectievelijk 7:673a en 7:673 BW). Daar is in onderhavig geval nu juist geen sprake van.

Ik zeg overigens niet dat de expliciete vermelding van artikel 7:673d BW in de opsomming van 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW zinledig zou zijn als bij verweer een beroep kan worden gedaan op de Overbruggingsregeling. Zoals Palm terecht aanvoert kan een werknemer eveneens een verzoek tot toepassing van de Overbruggingsregeling doen (ook de Rb. Oost-Brabant lijkt hiernaar te hinten in r.o. 10, paragraaf 2). Dit betreft uiteraard wel de uitzondering. Zo volgt uit de vierde Wwz-voortgangsbrief van 5 juli 2017 dat in 2016 twee werknemers om een rechtsoordeel van het UWV hebben gevraagd ter zake de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling (tegen 338 verzoeken van werkgeverszijde). De regering geeft hiervoor als reden dat een werknemer een dergelijk verzoek kan indienen “omdat hij wil weten hoe UWV dit beoordeelt en zo een goede afweging kan maken om al dan niet de zaak aan de rechter voor te leggen als werkgever niet de volledige transitievergoeding betaalt.” Ik laat me niet uit over de strategische merites van een dergelijke afweging. In ieder geval lijkt mij de kans dat een werknemer bij de kantonrechter een beroep doet op de Overbruggingsregeling nog kleiner dan bij het UWV. Al met al lijkt mij onaannemelijk dat de vermelding van artikel 7:673d BW in de opsomming van 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW, is ingegeven vanwege de mogelijkheid tot het doen van een werknemersverzoek. Dit blijkt ook niet uit de toelichting.

Feit blijft dat onverkorte toepassing van de vervaltermijn van 3 maanden onbillijk kan uitpakken voor een werkgever die een beroep doet op de Overbruggingsregeling. De Rb. Oost-Brabant overweegt in dit verband dat “het er anders toe zou leiden dat een werkgever in alle gevallen, ook bij een voor hem gunstige beslissing van het UWV op grond van artikel 24 van de ontslagregeling, tijdig een verzoek bij de kantonrechter zou moeten indienen [ ]. Hij kan dan immers het risico niet lopen dat een werknemer (onverhoeds op het laatste moment) een verzoek tot transitievergoeding indient.” Hierbij moet nog in aanmerking worden genomen dat een werkgever doorgaans pas op de hoogte raakt van een door de werknemer ingediend verzoek nadat hij een oproeping door de griffie heeft ontvangen. Afhankelijk van de voortvarendheid waarmee de griffie handelt, kan zelfs een enkele dagen voor het aflopen van de termijn ingediend verzoekschrift derhalve problematisch zijn voor de werkgever.

Hoewel de kantonrechter met bovenstaande overweging helemaal gelijk heeft, betekent deze (onbillijke) gevolgtrekking mijns inziens niet dat dan maar voorbij moet worden gegaan aan de wetssystematiek. Soms is het beter te erkennen (en op te schrijven) dat iets niet goed doordacht is, dan jezelf in bochten te wringen om er nog iets van te maken. In het eerste geval zal bij de ander - in dit geval: de wetgever - eerder de noodzaak ontstaan om verbeteringen aan te brengen. Laat nu net op dit moment het onderzoek naar de effectiviteit van de Overbruggingsregeling plaatsvinden (zie wederom de vierde Wwz-voortgangsbrief). De evaluatie gaat onder meer over het verkorten dan wel verlengen van de duur van de huidige Overbruggingsregeling (zie Plan van aanpak monitor en evaluatie Wet werk en zekerheid, bijlage bij Voortgangsbrief Wwz van 27 november 2015). Het lijkt me goed als ook dit punt zou worden meegenomen.

mr. C.F.J. van Tuyll van Serooskerken

Verder lezen
Terug naar overzicht