JB 2017/109, CRvB 22-03-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1129, 15/4804 WMO (met annotatie van L.J.M. Timmermans)

Inhoudsindicatie

Gewijzigde 4:6 toetsing, Gevolgen onjuiste toetsing door rechtbank

Samenvatting

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In het voorliggende geval betekent dit dat appellant terecht heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de afwijzing van zijn aanvraag heeft getoetst aan art. 4:6 Awb en in dat kader alleen heeft beoordeeld of sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Raad zal daarom het bestreden besluit toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. (...)

Uitspraak

Procesverloop

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Namens appellant is mr. Van Es verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is bij besluit van 30 januari 2007 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een scootmobiel in bruikleen toegekend. Ter uitvoering daarvan zijn aan appellant achtereenvolgens een scootmobiel van het type [type 1] en per medio 2013 van het type [type 2] verstrekt.

1.2. Op 29 november 2013 heeft appellant een aanvraag ingediend voor vervanging van de [type 2] omdat deze een te beperkt actieradius heeft en niet snel genoeg rijdt. Bij besluit van 2 december 2013 heeft het college die aanvraag afgewezen. Niet gebleken is dat vervanging van de verstrekte scootmobiel noodzakelijk is.

1.3. Op 27 maart 2014 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om zijn scootmobiel te vervangen. Bij besluit van 23 mei 2014 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat ten opzichte van het besluit van 2 december 2013 niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 30 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, na een inhoudelijke beoordeling en onder wijziging van de grondslag van artikel 4:6 van de Awb in artikel 4 van de Wmo en artikel 2, eerste lid van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag, ongegrond verklaard. Het college heeft hierbij overwogen dat appellant bij vervanging van de [type 1] , na het maken van proefritten, zelf heeft gekozen voor de [type 2] . De door appellant genoemde klachten zijn meerdere keren door een monteur onderzocht waarbij geen mankementen aan de [type 2] zijn geconstateerd. Het klopt dat de [type 2] met een snelheid van 12 km per uur, trager is dan de Winner die een snelheid haalt van 15 km per uur. Ook klopt het dat de zitbreedte van 50 cm van de [type 1] groter is dan de zitbreedte van 47 cm van de [type 2] , en ook dat de actieradius van de [type 1] groter is. De [type 2] is echter beter geveerd en daar ging het appellant bij de vervanging van de [type 1] om. Het college ziet geen reden voor de conclusie dat appellant om de door hem genoemde redenen toe is aan vervanging van de scootmobiel aangezien de verstrekte [type 2] als een geschikt vervoermiddel kan worden aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – ambtshalve – geoordeeld dat sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat wat appellant bij zijn aanvraag van 27 maart 2014 heeft aangevoerd ten opzichte van de aanvraag van 29 november 2013 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb betreffen.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte artikel 4:6 van de Awb aan de afwijzing ten grondslag gelegd, aangezien het college bij het bestreden besluit deze afwijzingsgrond niet heeft gehandhaafd en de afwijzing inhoudelijk heeft gemotiveerd. Appellant voert verder aan dat de in 2013 verstrekte scootmobiel van het merk [type 2] voor hem niet passend is en herhaalt hij wat hij daarover in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.

3.2. Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd.

4.2. In het voorliggende geval betekent dit dat appellant terecht heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de afwijzing van zijn aanvraag heeft getoetst aan artikel 4:6 van de Awb en in dat kader alleen heeft beoordeeld of sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Raad zal daarom het bestreden besluit toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag.

4.3. Het college is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat er geen noodzaak bestaat de in juli 2013 aan appellant verstrekte scootmobiel van het merk [type 2] te vervangen. Appellant is na het maken van een proefrit met de verstrekking van deze scootmobiel akkoord gegaan. Dit betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat deze scootmobiel voor appellant geschikt is. Hij wordt geacht van deze scootmobiel gebruik te kunnen maken zolang geen sprake is van een wijziging in de omstandigheden waardoor de betreffende scootmobiel geen adequate compensatie meer biedt. Van een dergelijke wijziging in de omstandigheden is niet gebleken. Dat appellant voor het vervoer naar zijn zoon in Rotterdam zijn scootmobiel tekort vindt schieten, met name in snelheid en in actieradius, vormt geen reden voor vervanging omdat het daarbij niet gaat om lokaal vervoer waarvoor de scootmobiel is bedoeld. Verder heeft een monteur de scootmobiel op de door appellant genoemde mankementen onderzocht en daarbij geen gebreken geconstateerd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door onvolkomenheden aan de scootmobiel in het verkeer in gevaarlijke situaties kan belanden. Ter zitting heeft het college bovendien benadrukt dat een scootmobiel direct wordt ingenomen als daarvan bekend wordt dat deze voor onveilige situaties kan zorgen.

4.4. Uit wat in 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Gelet op wat in 4.2 is overwogen, bestaat er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 990 voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De Centrale Raad van Beroep

– bevestigt de aangevallen uitspraak;

– veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990;

– bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123 vergoedt.

Noot

1. Appellant is bij besluit van 30 januari 2007 op grond van de Wmo (oud) een scootmobiel in bruikleen toegekend. Volgens appellant heeft de scootmobiel een te beperkte actieradius en is de maximumsnelheid te laag. Hij dient 29 november 2013 een aanvraag in bij het college voor een ander type scootmobiel. De aanvraag wordt op 2 december 2013 door het college afgewezen. Vervanging van de scootmobiel is niet noodzakelijk gebleken. Met deze boodschap is appellant niet tevreden. Hij dient echter geen bezwaarschrift in. Er volgt een nieuwe aanvraag op 27 maart 2014. Deze aanvraag wordt door het college afgedaan met toepassing van art. 4:6 lid 2 Awb. Bij gebreke aan nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, wordt de aanvraag afgewezen met verwijzing naar de motivering van het besluit van 2 december 2013. Een geval waarvoor art. 4:6 Awb is bedoeld. Doordat het college niet verplicht (maar wel bevoegd) is om een herhaalde identieke aanvraag opnieuw inhoudelijk in behandeling te nemen, wordt voorkomen dat de wettelijke bezwaar- en beroepstermijnen worden ontgaan en bovendien wordt daarmee een efficiënte en doelmatige besluitvorming bevorderd (R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtstaat, band 1 (HSB), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 310-311).

Uit r.o. 1.4 van de hier besproken uitspraak volgt dat het college in het kader van de beslissing op bezwaar zich niet heeft beperkt tot een enkele toets of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, maar dat het de zaak inhoudelijk heeft beoordeeld. Niettemin handhaaft het college zijn conclusie dat er geen reden is om de scootmobiel te vervangen door een ander type. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van 22 mei 2015, zaaknr. 14/10309, conform de oude lijn ambtshalve geoordeeld dat sprake is van een herhaalde aanvraag, dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, zodat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. Deze ‘werkmethode’ is echter met onmiddellijke ingang bij uitspraak van de CRvB van 20 december 2016, «JB» 2017/13, m.nt. L.J.M. Timmermans, AB 2017, 102, m.nt. H.E. Bröring onder AB 2017,101, bijgesteld onder verwijzing naar ABRvS 23 november 2016, «JB» 2017/7, m.nt. L.J.M. Timmermans (waarover ook A.T. Marseille, ‘Het einde van de bestuursrechtelijke ne bis in idem-rechtspraak’, AA 2017, p. 321-326). Zie voor de oude lijn Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (R&P nr. SB3), 2017, p. 472-490. Overigens wordt in dit boek op p. 473, gewezen op ABRvS 22 juni 2016, «JB» 2016/166, AB 2016, 253, m.nt. M. Reneman welke uitspraak aanleiding vormde voor de Afdeling om de koers met betrekking tot art. 4:6 Awb op alle terreinen te herzien. Deze verwachting wordt wel uitgesproken, maar de nieuwe rechtspraak is niet meegenomen in de nieuwe druk van dit werk.

2. Zoals aangegeven, heeft het college beslissend op bezwaar, ook al betreft het een herhaalde aanvraag, zich niet beperkt tot een beoordeling of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Conform de nieuwe lijn dient de bestuursrechter dan, gelet op de beroepsgronden, de beslissing op bezwaar te toetsen alsof dit het eerste besluit over de aanvraag betreft. Deze ‘normale’ toetsing van het bestreden besluit, levert appellant niets op. Uit r.o. 4.3 blijkt dat de scootmobiel die eerder aan appellant in bruikleen is toegekend, geacht wordt geschikt te zijn. Hierin kan verandering komen indien door een wijziging in de omstandigheden de scootmobiel niet langer een adequate voorziening betekent voor appellant. Voorts wordt benadrukt dat de scootmobiel is bedoeld voor lokaal vervoer. Een beperkte actieradius en snelheid vormt geen reden voor vervanging. Bovendien heeft de scootmobiel geen mankementen en appellant heeft anderszins niet aangetoond dat hij door onvolkomenheden aan de scootmobiel in het verkeer in gevaarlijke situaties kan belanden. Kortom: het college heeft op goede gronden geweigerd appellant een scootmobiel van een ander type ter beschikking te stellen.

Uit de hier opgenomen uitspraak blijkt dat de bestuursrechter meer werk heeft, of kan hebben, bij de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit. Voordeel is wel dat de eerder aanwezige ‘rechtsvrije ruimte’ die het bestuursorgaan toekwam bij het hanteren van het ne bis in idem-kader, gedicht is (zie over deze ‘rechtsvrije ruimte’ Bröring in AB 2017, 101, p. 663 en Marseille, AA 2017, p. 322). De vraag die rijst, is wat de nieuwe lijn met betrekking tot art. 4:6 Awb oplevert. Daarvoor is naar aanleiding van deze uitspraak via www.rechtspraak.nl de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak tot en met 31 mei 2017 doorgenomen. Alleen die uitspraken waarin uitdrukkelijk wordt gewezen op de uitspraken van 20 december 2016 respectievelijk 23 november 2016 zijn bekeken. Bij de toepassing van art. 4:6 Awb zijn meerdere mogelijkheden denkbaar die op het bordje van de bestuursrechter kunnen belanden en waarvoor de Afdeling in ABRvS 23 november 2016, «JB» 2017/7, m.nt. L.J.M. Timmermans, AB 2017, 101, m.nt. H.E. Bröring, als het ware een stappenplan heeft gegeven (zie ook de noot van Bröring en Schlössels/Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat band 1 (HSB) 2017, p. 314). Dat wordt bij de weergave van de rechtspraak gevolgd.

3. Het bestuursorgaan kan ondanks dat het een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit betreft, de zaak inhoudelijk beoordelen. In dat geval toetst de bestuursrechter, zoals ook in de hier besproken uitspraak, het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit als ware dit het eerste besluit op die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen wordt niet meer ambtshalve onderzocht of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De doorgenomen rechtspraak biedt naast de hier besproken uitspraak twee voorbeelden. In de eerste plaats CRvB 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1654, waarin ondanks dat sprake is van een herhaalde aanvraag betreffende ondersteuning bij werk en inkomen ingevolge de Wajong 2010, het bestuursorgaan (UWV) de aanvraag geheel inhoudelijk heeft behandeld. De Raad geeft aan niet langer meer ambtshalve te onderzoeken of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en gaat over tot een beoordeling van het bestreden besluit als ware het een eerste besluit over de aanvraag. De conclusie is dat het UWV terecht de (herhaalde) aanvraag heeft afgewezen. De tweede zaak betreft CRvB 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1899. In dit geval heeft appellant de Sociale verzekeringsbank (SVB) verzocht terug te komen op een besluit houdende de vaststelling van een AOW-pensioen. Deze moet achteraf op een hoger bedrag worden vastgesteld. De SVB beoordeelt dit verzoek conform zijn beleidsregels die zien op het terugkomen op een rechtens onaantastbaar besluit. De SVB heeft een verhoging van het AOW-pensioen toegekend met terugwerkende kracht van een jaar. De Centrale Raad van Beroep is van oordeel dat het gehanteerde beleid niet kennelijk onredelijk is en dat het bestreden besluit in overeenstemming is met dit beleid. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die nopen tot afwijken van dit beleid (zie punt 6 waarin de SVB gelet op art. 4:84 Awb en de omstandigheden van het geval genoodzaakt was om af te wijken van zijn beleid omdat anders het bestreden besluit evident onredelijk is).

Het bestuursorgaan kan ook besluiten om bij een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen op een besluit, toepassing te geven aan art. 4:6 lid 2 Awb. In dat geval moet worden beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die er toe nopen om de herhaalde aanvraag te honoreren of het eerder genomen besluit te herzien. Is het bestuursorgaan van mening dat dit niet het geval is maar de bestuursrechter wel, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of de bestuursrechter het geschil finaal kan beslechten of dat hij moet terugverwijzen. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is hierover tot en met 31 mei 2017 geen uitspraak te vinden van de Afdeling bestuursrechtspraak of de Centrale Raad van Beroep.

4. Het is ook mogelijk dat zowel het bestuursorgaan als de bestuursrechter van oordeel zijn dat zich geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voordoen. Dit kan dan de afwijzing van de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit de beslissing in beginsel dragen. In beginsel omdat nog onderzocht moet worden of handhaving van het eerder genomen besluit evident onredelijk is. Het kan ook zijn dat het bestuursorgaan ter zake beleid voert hoe om te gaan met een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit waarbij geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dan moet worden beoordeeld of dit beleid juist is toegepast. Voert het bestuursorgaan dergelijk beleid niet en is hierover in het bestreden besluit ook geen standpunt ingenomen, dan krijgt het bestuursorgaan de gelegenheid om dat alsnog te doen. In deze categorie zijn diverse uitspraken te vinden. Begonnen wordt met de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, vervolgens wordt de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep neergezet.

In ABRvS 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:59, gaat het om een herhaald Wob-verzoek. Het eerste verzoek is in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten geweigerd. Appellant voerde als nieuw feit aan dat uit een vonnis van de strafrechter was gebleken dat de officier van justitie (OvJ) niet ontvankelijk was verklaard. Dit is echter geen nieuw feit in de zin van art. 4:6 lid 2 Awb. De toets op ‘evidente onredelijkheid’ levert niets op. Het feit dat de OvJ de bestandsdragers had laten wissen en dat dit handelen vanwege de niet-ontvankelijkheid niet verder wordt onderzocht, maakt het besluit op de herhaalde aanvraag niet evident onredelijk. Rijden onder invloed kan een strafrechtelijke vervolging tot gevolg hebben alsmede de oplegging van een EMG door het CBR. Nadat appellant door de kantonrechter was vrijgesproken, verzocht hij het CBR terug te komen op het besluit tot oplegging van de EMG. Anders dan appellant betoogde, wordt het vonnis van de kantonrechter niet aangemerkt als een nieuw feit. De toets op ‘evidente onredelijkheid’ wordt wel verricht, maar heeft op papier weinig om het lijf. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden om te concluderen dat de weigering om terug te komen evident onredelijk is. Rijden onder invloed kan er ook toe leiden dat aan betrokkene door het CBR de verplichting wordt opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid (ABRvS 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1436). Appellant is ook strafrechtelijk vervolgd wegens rijden onder invloed, maar vrijgesproken door de kantonrechter. Met dit vonnis in de hand verzoekt appellant het CBR om het besluit te herzien zodat hij niet meer verplicht is mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid. Conform vaste rechtspraak wordt deze vrijspraak niet aangemerkt als een nieuw feit of gewijzigde omstandigheid die noopt om het eerdere besluit te herzien (zie ook hierna punt 7, waaruit blijkt dat de Centrale Raad van Beroep eenzelfde koers volgt). Tot slot wordt nog aangegeven dat appellant geen beroepsgronden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5. Een casus waar wellicht meer ‘brood in zit’ als het gaat om de toets op evidente onredelijkheid, biedt ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:679, «JB» 2017/84. Appellant was gepakt wegens rijden onder invloed. Gevolg is dat twee besluiten worden uitgevaardigd: ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en oplegging van deelname aan het alcoholslotprogramma (asp). Met het arrest HR 3 maart 2015, «JB» 2015/50, m.nt. B. de Kam, AB 2001, 159, m.nt. R. Stijnen en de uitspraak ABRvS 4 maart 2015, «JB» 2015/57, m.nt. A.M.M.M. Bots, AB 2015, 160, m.nt. R. Stijnen, is het asp naar de prullenmand verwezen. Volgens appellant steunt met deze rechtspraak zijn verzoek om terug te komen op de eerder genomen besluiten op nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. Bovendien ontbeert de weigering om terug te komen iedere belangenafweging. Daarvoor wijst appellant op de wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling), waardoor iemand die voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn rijbewijs in de categorieën C of D, zoals appellant als taxichauffeur, niet langer in aanmerking komt voor een alcoholslotprogramma. De Afdeling verwijst hier naar r.o. 5.8 van ABRvS 4 maart 2015, «JB» 2015/57, m.nt. A.M.M.M. Bots, AB 2015, 160, m.nt. R. Stijnen waarin is bepaald dat de onverbindendheid van art. 17 (oud) van de Regeling, het CBR, hoewel daartoe bevoegd, niet gehouden is om reeds in rechte onaantastbaar geworden besluiten tot oplegging van een asp te heroverwegen. Er is dan ook geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Bovendien wordt uit de uitspraak van 4 maart 2015 afgeleid dat het op zichzelf niet evident onredelijk is indien het CBR weigert om terug te komen van een eerder opgelegd asp. De omstandigheden van het geval kunnen anders meebrengen. Uit de feiten leidt de Afdeling af dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst van appellant als taxichauffeur vroegtijdig was beëindigd wegens rijden onder invloed. Het feit dat hij weer in dienst zou worden genomen indien appellant onbelemmerd zijn werk kan uitvoeren, maakt niet dat de persoonlijke omstandigheden dusdanig zijn dat het evident onredelijk is dat het CBR niet terugkomt van zijn besluit tot oplegging van het asp.

Ook in ABRvS 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:619, «JB» 2017/82, m.nt. J.A.F. Peters, AB 2017, 124, m.nt. A.C. Hendriks, wordt geoordeeld dat geen sprake is van een nieuw feit dat noopt om het verzoek te honoreren terug te komen op de weigering om betrokkene in het BIG-register te registreren als klinisch neuropsycholoog. Volstaan wordt met de constatering dat het besluit van de Registratiecommissie Specialismen Gezondsheidszorgpsycholoog van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen niet evident onredelijk is. In een andere zaak heeft appellant, een vluchteling, het college van Vaals opnieuw verzocht de hem betreffende gegevens in de basisregistratie personen te verbeteren of aan te vullen (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:647). Bij deze herhaalde aanvraag heeft appellant een brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gevoegd. De Afdeling komt met het college van Vaals tot het oordeel dat deze brief geen nieuwe feit of gewijzigde omstandigheid oplevert. Uit hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, blijkt niet dat de afdoening van de herhaalde aanvraag door het college met toepassing van art. 4:6 lid 2 Awb evident onredelijk is.

6. De Centrale Raad van Beroep wijst er in CRvB 26 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:383, «JB» 2017/64, op dat partijen het erover eens zijn dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, maar dat de bestuursrechter aan de hand van hetgeen de rechtzoekende heeft aangevoerd moet onderzoeken of het besluit op de herhaalde aanvraag of de weigering om terug te komen op het eerdere besluit, zoals in casu, evident onredelijk is. Dan volgt de ‘dooddoener’ dat hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, niet leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. In CRvB 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:343, wordt geoordeeld dat appellant heeft verzuimd in hoger beroep gemotiveerd te bestrijden dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Vervolgens wordt volstaan met verwijzing naar de aangevallen uitspraak van de rechtbank, waarbij wordt gewezen op de koerswijziging in CRvB van 20 december 2016, «JB» 2017/13, m.nt. L.J.M. Timmermans. Een toets op evidente onredelijkheid wordt, gelet op het stappenplan, ten onrechte niet verricht. Iets soortgelijks treft men aan in CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894, «JB» 2017/90, waarin het draait om een herhaalde aanvraag voor een Wajong-uitkering en CRvB 14 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1439, waarin het een herhaalde aanvraag voor een WAO-uitkering betreft. CRvB 7 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1334, ziet op een herhaalde aanvraag voor arbeidsondersteuning op grond van de Wajong 2010. Nadat is vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, zou men verwachten dat beoordeeld wordt of de afwijzing van de herhaalde aanvraag conform art. 4:6 lid 2 Awb evident onredelijk is. Deze toets blijft ook hier achterwege. Hetzelfde beeld biedt CRvB 11 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1553, betreffende een herhaalde aanvraag voor een bijstandsuitkering. De toets op evidente onredelijkheid wordt wel verricht in CRvB 14 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1431, waarin appellant het UWV had verzocht terug te komen op een besluit tot weigering van een uitkering op grond van de Ziektewet. Volstaan wordt echter met de constatering dat uit hetgeen appellant heeft aangevoerd, niet blijkt dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Evidente onredelijkheid is wel aan de orde in CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:881, «USZ» 2017/187, m.nt. E. van den Boogaard. In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een AOW-pensioen. Door een duidelijke fout van de SVB heeft appellant gedurende veertien jaar en twee maanden te weinig AOW ontvangen. De SVB heeft beleid met betrekking tot het ten voordele terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit ex art. 4:6 Awb. Concreet betekent dit dat appellant met terugwerkende kracht over een periode van vijf jaar alsnog een volledig AOW-pensioen ontvangt. Vaststaat dat op zichzelf geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het oordeel spitst zich toe op de vraag of het besluit tot het gedeeltelijk terugkomen op het eerdere besluit evident onredelijk is, waarbij de bijzonderheid is dat de SVB ter zake beleid voert. In dat kader wordt getoetst of de SVB een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. De Raad stelt vast dat gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, betrokkene heeft destijds alle juiste gegevens verstrekt, er reden is om met toepassing van art. 4:84 Awb af te wijken van het beleid. Daar staat tegenover dat betrokkene uit de toegekende bedragen had kunnen afleiden dat hem geen volledig AOW-pensioen werd uitbetaald, zodat er reden was om eerder aan de bel te trekken. Alles bij elkaar genomen heeft appellant er volgens de Raad recht op dat hij met terugwerkende kracht van zeven jaar en één maand bijbetaling van zijn AOW ontvangt (zie punt 3, waarin de SVB niet op grond van art. 4:84 Awb hoefde af te wijken van zijn beleid). Ook in CRvB 21 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1630, werd in het kader van een herhaalde aanvraag voor een AOW-pensioen vastgesteld dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De toets op evidente onredelijkheid heeft weinig om het lijf nu volstaan wordt met de constatering dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet tot het oordeel leidt dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is.

7. In de sfeer van de handhaving zijn enkele uitspraken gewezen waaruit blijkt dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en dat bovendien het bestreden besluit niet evident onredelijk is. Zo leerde een appellant dat nieuwe jurisprudentie geen nieuw feit vormt in de zin van art. 4:6 lid 2 Awb (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1875). Aan betrokkene waren bestuurlijke boeten opgelegd wegens handelen in strijd met de Werkloosheidswet. Appellant verzocht naar aanleiding van CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, om de boetebesluiten te herzien. De rechtbank heeft volgens de Raad met juistheid geoordeeld dat jurisprudentie gewezen na een besluit dat rechtens onaantastbaar is geworden, geen nieuw feit oplevert. Nu geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kan het bestreden besluit in beginsel door de beugel. Vraag is enkel nog of de afwijzing van het verzoek tot herziening evident onredelijk is. De Raad komt niet verder dan tot de vaststelling dat uit hetgeen appellant in het voorliggende geval heeft aangevoerd, niet blijkt dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

In twee andere zaken ging het ook om handhavingsbesluiten, namelijk tot terugvordering van een genoten bijstandsuitkering wegens het niet melden dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde. De eerste zaak betreft CRvB 28 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:991, «USZ» 2017/138. Betrokkene is in deze zaak strafrechtelijk vervolgd op grond van art. 227b Wetboek van Strafrecht, maar vrijgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze vrijspraak heeft betrokkene ertoe gebracht om te verzoeken de eerdere besluiten te herzien op grond waarvan hij verplicht wordt tot terugbetaling. De uitspraak biedt beschouwingen over de verhouding strafrechter – bestuursrechter en een oordeel van de Raad op het beroep van betrokkene op EHRM 16 april 2012, AB 2004, 75, m.nt. N. Verheij (Dangeville/Frankrijk). De Raad stelt vast dat het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden wel een nieuw gegeven is, maar geen feit of omstandigheid in de zin van art. 4:6 lid 2 Awb die noopt tot terugkomen op de eerdere besluiten (zie hiervoor punt 4, waar blijkt dat de Afdeling dezelfde lijn volgt). Bovendien volgt uit hetgeen appellant heeft aangevoerd niet dat de weigering om terug te komen op de eerdere besluiten evident onredelijk is. Dezelfde redenering treft men aan in de tweede handhavingszaak in het kader van ten onrechte genoten bijstand (CRvB 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1261). Het bijzondere is hier dat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd dat terugvordering deels een wettelijke grondslag ontbeert. De Raad stelt vast dat op het moment van het terugvorderingsbesluit (juni 2007) aan appellant bekend was, althans bekend had kunnen zijn dat een deel van de vordering een wettelijke grondslag ontbeerde. Dit punt had appellant al naar voren kunnen brengen in een bezwaarprocedure tegen het terugvorderingsbesluit. Maar appellant heeft om hem moverende reden destijds geen bezwaar gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit van juni 2017. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat de weigering om terug te komen van dit besluit niet evident onredelijk is.

8. Uit de tot en met 31 mei 2017 gewezen rechtspraak lijkt te volgen dat de nieuwe lijn niet tot veel extra werk leidt voor de bestuursrechters. Daar waar het bestuursorgaan ondanks een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen, de zaak inhoudelijk beoordeelt, kan de bestuursrechter niet meer volstaan met beantwoording van de vraag of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De zaak moet dan worden beoordeeld als betreft het een besluit over een eerste aanvraag. Naast de hier besproken uitspraak heb ik twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep aangetroffen waar dit het geval was. Tot veel extra werk lijkt het niet te hebben geleid voor de Raad. Over de derde stap waarin het bestuursorgaan en de bestuursrechter het erover eens zijn dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden zijn, zoals uit de beschreven rechtspraak blijkt, behoorlijk wat uitspraken beschikbaar. Daarbij valt op dat appellant er goed aan doet duidelijk te adstrueren welke bijzonderheden zich voordoen wat maakt dat afwijzing van de herhaalde aanvraag of handhaving van het eerder genomen besluit evident onredelijk maakt. Doet hij dit niet, dan wordt hij daarop onherroepelijk ‘afgerekend’. Verder valt op dat regelmatig de toets op ‘evident onredelijk’ niet zichtbaar wordt verricht en daar waar dat wel het geval is, kan niet duidelijk worden opgemaakt waarom niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Dat is niet handig voor de praktijk. In een enkel geval wordt wel een toets op ‘evident onredelijk’ uitvoerig verricht. Uit de beschreven uitspraken lijkt te volgen dat hier de lat behoorlijk hoog ligt. Er moet nogal wat aan de hand zijn wil de rechtens onaantastbaarheid van een besluit worden doorbroken. Dat valt weer goed te verklaren aan de hand van de achtergrond van art. 4:6 Awb, waarover hiervoor punt 1. Vooralsnog lijkt de correctie, na de toets dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden de beoordeling op ‘evident onredelijk’, minder ingrijpend te zijn dan wellicht gedacht.

L.J.M. Timmermans

Verder lezen
Terug naar overzicht