JB 2017/121, RvS 03-05-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1177, 201607748/1/A3

Inhoudsindicatie

Vaststelling selectielijsten archieven AIVD en MIVD, Belanghebbendheid, Kring beroepsgerechtigden

Samenvatting

Beroepen tegen besluiten tot vaststelling selectielijsten als bedoeld in de Archiefwet 1995. In een geval als het onderhavige, waarin tegen de besluiten door een ieder zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, is de kring van beroepsgerechtigden kleiner dan de kring van personen die een zienswijze naar voren konden brengen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb volgt dat dit een bewuste keuze van de wetgever is geweest.

De besluiten raken op gelijke wijze alle personen die de archieven van de AIVD en de MIVD willen raadplegen of gebruiken. Om als belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 1 Awb bij deze besluiten te kunnen worden aangemerkt dient het belang van appellant zich in voldoende mate te onderscheiden. De omstandigheid dat appellant de archieven veelvuldig raadpleegt en gebruikt ten behoeve van zijn project, is onvoldoende voor het oordeel dat zijn belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van anderen die de archieven willen raadplegen of gebruiken, of dat in de toekomst willen doen. Ook de mogelijke omstandigheid dat appellant en wijlen zijn vader voorkomen in de archieven, is onvoldoende voor dat oordeel. De selectielijsten hebben immers betrekking hebben op een bijzonder grote hoeveelheid archiefbescheiden. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat appellant geen belanghebbende is en zijn beroepen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Procesverloop

Bij gezamenlijk genomen besluit van 25 maart 2016 hebben de ministers van Onderwijs en Binnenlandse Zaken de ‘selectielijst voor de archieven van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en voorgangers’ vastgesteld.

Bij gezamenlijk genomen besluit van 25 maart 2016 hebben de ministers van Onderwijs en Defensie de ‘selectielijst voor de archieven van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en voorgangers’ vastgesteld.

Bij uitspraak van 13 oktober 2016 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht (niet opgenomen; red.).

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De ministers hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2017, waar [appellant], en de minister van Onderwijs, vertegenwoordigd door mr. Kurvink, mr. E.A.T.M. Schreuder en drs. W. Schepen, de minister van Defensie, vertegenwoordigd door mr. P. de Jonge, en de minister van Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd door mr. J.A.C. Verbeek, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De ministers van Onderwijs en Binnenlandse zaken hebben op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Archiefwet 1995 gezamenlijk de selectielijst AIVD vastgesteld. De selectielijst heeft betrekking op de archiefbescheiden van de AIVD en zijn voorgangers vanaf de periode 1946 tot op heden. In deze selectielijst is aangegeven welke archiefbescheiden daarvan moeten worden bewaard en welke moeten worden vernietigd. Daarnaast hebben de ministers van Onderwijs en Defensie op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Archiefwet 1995 gezamenlijk de selectielijst MIVD vastgesteld. De selectielijst heeft betrekking op de archiefbescheiden van de MIVD en zijn voorgangers vanaf de periode 1945 tot op heden. In deze selectielijst is aangegeven welke archiefbescheiden daarvan moeten worden bewaard en welke moeten worden vernietigd. Beide selectielijsten zijn tot stand gekomen in overeenstemming met het Generiek waarderingsmodel Rijksoverheid, een hulpmiddel voor ministers bij het opstellen van selectielijsten.

[appellant] stelt dat hij werkt aan een groot project om dossiers en rapportages van inlichtingendiensten door middel van openbaarmaking voor een breed publiek toegankelijk te maken. Hij heeft ernstige bezwaren tegen de opzet en inhoud van de selectielijsten.

Aangevallen uitspraak

2. De rechtbank heeft de beroepen van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellant] geen belanghebbende is. De omstandigheid dat in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, waarmee de besluiten zijn voorbereid, voor een ieder de mogelijkheid bestond om zienswijzen in te brengen, maakt niet dat een ieder belanghebbende bij de besluiten is. Ook de omstandigheid dat [appellant] veelvuldig gebruik maakt van de archieven, maakt hem niet tot een belanghebbende. Het gebruiken van een voorziening als een archief is niet het type relatie dat de hoedanigheid van belanghebbende schept. Het voorkomen van [appellant] zelf of van zijn vader in de archieven is naar het oordeel van de rechtbank voorts onvoldoende onderscheidend om hem als belanghebbende aan te merken.

Hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belanghebbende bij de besluiten is. Daartoe voert hij aan dat gelet op het feit dat in artikel 4, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995 is bepaald dat een ieder een zienswijze kan indienen, een ieder als belanghebbende bij de besluiten tot vaststelling van de selectielijsten moet worden beschouwd. Dat vloeit volgens [appellant] voort uit het feit dat met de besluiten een algemeen belang is gemoeid, namelijk het veilig stellen van archiefstukken voor huidige en toekomstige generaties. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het algemene belang bij de besluiten ook zijn persoonlijke belang als belangrijke gebruiker van deze archieven is. Dit belang onderscheidt hem van personen die de archieven niet raadplegen. [appellant] wijst in dit verband op zijn project om dossiers en rapportages van diensten door middel van openbaarmaking toegankelijk te maken. Op grond van de selectielijsten zullen archiefstukken worden vernietigd, waardoor de voortgang van zijn project wordt belemmerd. Tot slot voert [appellant] aan dat zijn belang bij de besluiten tot vaststelling van de selectielijsten voortvloeit uit de omstandigheid dat hij, alsmede wijlen zijn vader, in de archieven van de AIVD en MIVD voorkomen.

Oordeel van de Afdeling

4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Archiefbesluit moet een selectielijst worden voorbereid met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Ingevolge artikel 3:15, tweede lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 4, tweede lid, van het Archiefbesluit, kunnen zienswijzen in het kader van de voorbereiding van een selectielijst niet alleen door belanghebbenden, maar door een ieder naar voren worden gebracht. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, brengt dat echter niet met zich dat een ieder als belanghebbende bij het besluit moet worden aangemerkt. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald wie als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende beroep tegen een besluit instellen bij de bestuursrechter. In een geval als het onderhavige, waarin tegen het besluit door een ieder zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, is de kring van beroepsgerechtigden kleiner dan de kring van personen die een zienswijze naar voren konden brengen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Kamerstukken II 1999-2000, 27 023, nr. 3, p. 6) volgt dat dit een bewuste keuze van de wetgever is geweest.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

4.2. De besluiten tot vaststelling van de selectielijsten raken op gelijke wijze alle personen die de archieven van de AIVD en de MIVD willen raadplegen of gebruiken. Ook [appellant] heeft als veelvuldig gebruiker van de archieven een belang bij de besluiten tot vaststelling van de selectielijsten. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij deze besluiten te kunnen worden aangemerkt dient zijn belang zich echter in voldoende mate te onderscheiden van dat van gebruikers en potentiële gebruikers. De omstandigheid dat [appellant] de archieven veelvuldig raadpleegt en gebruikt ten behoeve van zijn project, is onvoldoende voor het oordeel dat zijn belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van anderen die de archieven willen raadplegen of gebruiken, of dat in de toekomst willen doen.

4.3. Ook de mogelijke omstandigheid dat [appellant] en wijlen zijn vader voorkomen in de archieven, is onvoldoende voor het oordeel dat het belang van [appellant] bij de besluiten zich in voldoende mate onderscheidt van dat van anderen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de selectielijsten betrekking hebben op een bijzonder grote hoeveelheid archiefbescheiden. Het gaat namelijk om de archiefbescheiden van de AIVD vanaf 1946 en van de MIVD vanaf 1945, waarvoor nog geen selectielijsten bestonden en welke nog niet zijn gewaardeerd en geselecteerd.

5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is. De rechtbank heeft de beroepen van [appellant] dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Terug naar overzicht