JB 2017/123, RvS 17-05-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1301, 201607199/1/A1

Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning, Hoger beroep, -omvang, (Onzuivere) Brummenlijn

Samenvatting

Het college, dat zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting van 20 december 2016 op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep van appellant sub 1 en anderen en het beroep van Wakker Dier op grond van art. 6:13 Awb gedeeltelijk niet-ontvankelijk had moeten verklaren, nu mr. V. Wösten volgens het college wat een aantal van deze appellanten betreft geen toereikende machtiging heeft overgelegd om namens hen een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren te brengen. Het college betwist in dit verband de overweging van de rechtbank dat het college voorafgaand aan het besluit van 16 december 2014 geen gelegenheid heeft geboden om dit gebrek te herstellen, dan wel in dat besluit aan het ontbreken van machtigingen geen gevolgen heeft verbonden.

Het college heeft geen hoger beroep of incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitdrukkelijke overwegingen van de rechtbank dat het college wat het ontbreken van machtigingen betreft geen herstelmogelijkheid heeft geboden, dan wel aan het ontbreken daarvan in het besluit van 16 december 2014 geen gevolgen heeft verbonden. Dit had wel op de weg van het college gelegen. Nu tegen vorenbedoelde overwegingen geen hoger beroep of incidenteel hoger beroep is ingesteld, wordt van de juistheid van deze overwegingen uitgegaan. Er bestaat dan geen grond voor het oordeel dat de rechtbank op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan art. 6:13 Awb.

Uitspraak

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2014 heeft het college aan [appellante sub 4] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie 1] te Grubbenvorst.

Bij uitspraak van 11 augustus 2016 heeft de rechtbank de hiertegen ingestelde beroepen deels niet-ontvankelijk en voor het overige gegrond verklaard en het besluit van 16 december 2014 vernietigd, wat betreft de vergunningvoorschriften 8.2, 9.1 tot en met 9.4 en 10.1, aanhef en onder a. De rechtbank heeft bepaald dat de vergunningvoorschriften 9.5 tot en met 9.13 gehandhaafd blijven en worden vernummerd tot vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.9, dat nieuwe voorschriften 8.2, 8.6 en 8.7 aan de omgevingsvergunning worden verbonden en dat vergunningvoorschrift 10.1, aanhef en onder b tot en met d, wordt vernummerd tot vergunningvoorschrift 10.1, aanhef en onder a tot en met c. Deze uitspraak is aangehecht (niet opgenomen; red.).

Hiertegen hebben [appellant sub 1] en anderen, Wakker Dier en Behoud de Parel hoger beroep ingesteld. [appellante sub 4] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en anderen, [appellante sub 4] en het college hebben stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2017, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, vergezeld door drs. ing. C. den Hertog, Wakker Dier, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, Behoud de Parel, vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, vergezeld door ing. G.G.L.M.M. van den Berk, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.G. Werkhoven en ir. A.P.M. Meures-Janssen, vergezeld door drs. O.A.M. Beckers, zijn verschenen.

Na zitting hebben [appellant sub 1] en anderen, Wakker Dier, [appellante sub 4] en het college, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Afdeling, stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een tweede zitting.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij het besluit van 16 december 2014 is omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting, bestaande uit een pluimveehouderij met een slachterij – een zogenoemde korte keten veehouderij – en een bio-energiecentrale op het perceel [locatie 1] te Grubbenvorst. In totaal zullen in de inrichting maximaal 1.059.840 vleeskuikens en 74.448 ouderdieren worden gehouden. In de bio-energiecentrale worden mest en (afval)stoffen van plantaardige en dierlijke herkomst be- en verwerkt. Deze stoffen zijn zowel afkomstig van de eigen pluimveehouderij als van andere bedrijven.

[appellant sub 1] en anderen, Wakker Dier en Behoud de Parel kunnen zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning en met de uitspraak van de rechtbank van 11 augustus 2016. Zij vrezen dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot onaanvaardbare milieugevolgen, onder meer wat betreft geur en geluid.

Ontvankelijkheid hoger beroep [belanghebbende]

2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is artikel 6:13 in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

[belanghebbende] heeft geen beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 16 december 2014. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die maken dat hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Voor hem stond dan ook geen hoger beroep open tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen is niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld door [belanghebbende].

Wanneer in de hiernavolgende overwegingen over [appellant sub 1] en anderen wordt gesproken, wordt niet mede [belanghebbende] bedoeld.

Ontvankelijkheid beroepen bij de rechtbank

3. Het college heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting van 20 december 2016 op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] en anderen en het beroep van Wakker Dier op grond van artikel 6:13 van de Awb gedeeltelijk niet-ontvankelijk had moeten verklaren, nu mr. V. Wösten volgens het college wat een aantal van deze appellanten betreft geen toereikende machtiging heeft overgelegd om namens hen een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren te brengen. Het college betwist in dit verband de overweging van de rechtbank dat het college voorafgaand aan het besluit van 16 december 2014 geen gelegenheid heeft geboden om dit gebrek te herstellen, dan wel in dat besluit aan het ontbreken van machtigingen geen gevolgen heeft verbonden.

3.1. Het college heeft geen hoger beroep of incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitdrukkelijke overwegingen van de rechtbank dat het college wat het ontbreken van machtigingen betreft geen herstelmogelijkheid heeft geboden, dan wel aan het ontbreken daarvan in het besluit van 16 december 2014 geen gevolgen heeft verbonden. Dit had wel op de weg van het college gelegen. Nu tegen vorenbedoelde overwegingen geen hoger beroep of incidenteel hoger beroep is ingesteld, wordt van de juistheid van deze overwegingen uitgegaan. Er bestaat dan geen grond voor het oordeel dat de rechtbank op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 6:13 van de Awb.

4. Het college heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting van 20 december 2016 voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant sub 1] en anderen geen belanghebbenden zijn bij het besluit van 16 december 2014, zodat voor hen geen beroep tegen dat besluit openstond. Volgens het college kunnen [appellant sub 1] en anderen geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van het in werking zijn van de inrichting. Bepalend voor deze gevolgen zijn volgens het college de milieuaspecten geur en geluid. Gelet op de in de omgeving reeds aanwezige achtergrondniveaus voor geur en geluid, zijn van de geur- en geluidbelasting vanwege de inrichting geen gevolgen van enige betekenis te verwachten ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1] en anderen, aldus het college.

4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, moet om belanghebbende te zijn bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis van de vergunde inrichting kunnen worden ondervonden. De rechtbank heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat op meer dan 1.000 m van de inrichting nog milieuhinder van enige betekenis kan worden ondervonden. Binnen die afstand heeft de rechtbank dit wel aannemelijk geacht. Omdat de percelen van [appellant sub 1] en anderen zijn gelegen op niet meer dan 1.000 m van de inrichting heeft de rechtbank hen als belanghebbenden bij het besluit van 16 december 2014 aangemerkt. De Afdeling ziet, in aanmerking genomen de aard en omvang van de inrichting, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank dit ten onrechte heeft gedaan. Daargelaten de juistheid van de stelling van het college dat alleen de milieuaspecten geur en geluid in dit verband ter zake doen, acht de Afdeling aannemelijk dat zich wat die aspecten betreft ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1] en anderen gevolgen van enige betekenis kunnen voordoen. Dat, zoals het college stelt, de achtergrondniveaus voor geur en geluid in de omgeving reeds hoog zijn, betekent niet dat de geur en het geluid van de inrichting zich niet kunnen uitstrekken tot de percelen van [appellant sub 1] en anderen en daar een geur- en geluidbelasting van enige betekenis kunnen veroorzaken.

Directe ammoniakschade

5. [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier voeren aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat niet wordt voldaan aan de in het rapport ‘Stallucht en Planten’ ter voorkoming van onaanvaardbare directe ammoniakschade genoemde minimale afstand van 25 m. Zij stellen zich in dit verband op het standpunt dat ten tijde van het nemen van het besluit van 16 december 2014 door [bedrijf], behorend tot de appellanten [appellant sub 1] en anderen, in wisselteelt rozen werden gekweekt op minder dan 25 m afstand van de geprojecteerde buitengevel van stal 7 van de inrichting.

[appellante sub 4] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet met zekerheid is vast te stellen of ten tijde van het nemen van het besluit van 16 december 2014 rozen werden gekweekt en, zo ja, op welke afstand van de geprojecteerde buitengevel van stal 7. Volgens [appellante sub 4] kan worden vastgesteld dat die afstand in ieder geval groter was dan de in het rapport ‘Stallucht en Planten’ genoemde afstand van 25 m.

5.1. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van de overgelegde stukken niet met zekerheid is vast te stellen of en op welke afstand van de geprojecteerde buitengevel van stal 7 ten tijde van het nemen van het besluit van 16 december 2014 rozen werden gekweekt. Ook indien er echter van wordt uitgegaan dat tot aan de perceelsgrens, op ongeveer 20 m van die buitengevel, rozen waren geplaatst en dat rozen in het kader van het rapport ‘Stallucht en Planten’ als beschermde planten zijn aan te merken, zoals gesteld door [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier, maar betwist door het college en [appellante sub 4], is volgens de rechtbank aannemelijk dat wordt voldaan aan dat rapport, omdat het gedeelte van de stal waar de dieren daadwerkelijk zullen verblijven zich op ongeveer 30 m van de perceelsgrens bevindt.

5.2. De rechtbank heeft bij haar oordeel uitdrukkelijk in het midden gelaten of rozen al dan niet werden gekweekt op minder dan 25 m van de buitengevel van stalgebouw 7, omdat de rechtbank die buitengevel in dit geval niet bepalend heeft geacht voor de toepassing van het rapport ‘Stallucht en Planten’. Het betoog van [appellante sub 4] is derhalve gericht tegen een overweging die niet dragend is geweest voor het oordeel van de rechtbank, zodat dit betoog faalt.

5.3. Blijkens de tekeningen bij de aanvraag bevinden zich achter de buitengevel van stalgebouw 7 eerst ruimten met onder meer technische installaties en hygiënesluizen. Het daadwerkelijke dierenverblijf ligt daar achter. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat voor de vraag of wordt voldaan aan de in het rapport ‘Stallucht en Planten’ genoemde afstand van 25 m in dit geval kon worden uitgegaan van de wand van het dierenverblijf. Onbestreden is dat de afstand daarvan tot aan de grens van het perceel waarop naar gesteld de rozen werden gekweekt meer dan 25 m bedraagt. De rechtbank heeft reeds hierom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vergunning geweigerd had moeten worden vanwege het aspect directe ammoniakschade. In het midden kan daarom blijven of ten tijde van het nemen van het besluit van 16 december 2014 rozenteelt plaatsvond op de door [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier gestelde locatie en of rozen wel als te beschermen planten in het kader van het rapport ‘Stallucht en Planten’ zijn te beschouwen. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier faalt.

Volksgezondheid

6. [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar mogelijke risico’s voor de volksgezondheid vanwege het in werking zijn van de inrichting. Er had volgens hen een advies aan de GGD gevraagd moeten worden met betrekking tot de gezondheidsrisico’s voor de direct omwonenden van de inrichting. Zij verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de conclusies van het rapport ‘Veehouderij en gezondheid van omwonenden’ uit 2016 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM-rapport).

6.1. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier het RIVM-rapport in hoger beroep niet aan de orde kunnen stellen, kan het hierin niet worden gevolgd. Het RIVM-rapport betreft een nieuw argument ter ondersteuning van de door [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier reeds in beroep aangevoerde grond dat de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid onvoldoende zijn onderzocht. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat in hoger beroep nieuwe argumenten worden aangevoerd ter nadere onderbouwing van een reeds in beroep aangevoerde grond.

6.2. Het college is in het besluit van 16 december 2014 ingegaan op het aspect volksgezondheid, waarbij het rapporten van het RIVM, de Gezondheidsraad en de GGD heeft betrokken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze rapporten geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat het in werking zijn van de inrichting tot zodanige risico’s voor de volksgezondheid leidt, dat de vergunning geweigerd had moeten worden, of dat daaraan nadere voorschriften verbonden hadden moeten worden. Daarbij heeft het college er op gewezen dat binnen de inrichting verschillende maatregelen worden getroffen en voorzieningen aanwezig zijn, zoals hygiënesluizen, waarmee eventuele verspreiding van ziektekiemen wordt geminimaliseerd.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college hiermee het aspect volksgezondheid op onjuiste of ontoereikende wijze heeft beoordeeld. [appellant sub 1] en Wakker Dier hebben niet met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk gemaakt dat het in werking zijn van de inrichting wel leidt tot zodanige risico’s voor de volksgezondheid, dat het college de vergunning had moeten weigeren, dan wel daaraan nadere voorschriften had moeten verbinden. De door hen aangehaalde conclusies van het RIVM-rapport bevatten geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten die dit aannemelijk maken.

Het betoog faalt.

Geluid

7. Behoud de Parel betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting op de toegangsweg naar de inrichting als indirecte hinder moet worden beschouwd. Volgens Behoud de Parel moet deze geluidhinder in dit geval als directe hinder worden beschouwd, omdat sprake is van een doodlopende weg waarop vrijwel uitsluitend verkeer van en naar de inrichting aanwezig zal zijn.

7.1. Dat, zoals Behoud de Parel stelt, de toegangsweg een doodlopende weg is waarop vrijwel uitsluitend verkeer van en naar de inrichting aanwezig zal zijn, doet niet ter zake voor de vraag of geluidhinder vanwege dat verkeer als directe of indirecte geluidhinder moet worden aangemerkt. De toegangsweg maakt geen deel uit van de inrichting, zodat het om indirecte geluidhinder gaat. De overweging van de rechtbank dat wordt voldaan aan de door het college voor de beoordeling van deze indirecte geluidhinder gehanteerde circulaire ‘Beoordeling geluidhinder van het wegverkeer in verband met vergunningverlening Wm’, is verder in hoger beroep niet bestreden.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1] en anderen, Wakker Dier en Behoud de Parel betogen dat de rechtbank ten onrechte zelf voorziend een nieuw voorschrift 8.2, met gewijzigde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Zij betwisten onder meer dat met dit voorschrift alsnog naleefbare grenswaarden zijn gesteld. Zij wijzen er op dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank geen berekeningen beschikbaar waren waaruit bleek dat de gewijzigde grenswaarden naleefbaar waren en dit is volgens hen ook niet in hoger beroep alsnog aannemelijk geworden.

8.1. In het door het college aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 8.2 waren grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van vier beoordelingspunten op 50 m afstand ten noorden, zuiden, oosten en westen van de inrichting, variërend van 40 tot 49 dB(A) in de dagperiode en van 34 tot 48 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Deze grenswaarden waren gebaseerd op een akoestisch rapport van G&O Consult van 25 april 2014. In het in de beroepsprocedure bij de rechtbank uitgebrachte deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening is geconcludeerd dat in het rapport van 25 april 2014 van een aantal binnen de inrichting aanwezige geluidbronnen het geluidniveau is onderschat. De bronvermogenniveaus van de luchtwassers van de pluimveestallen zijn volgens het deskundigenbericht fors onderschat, tot maximaal 32,6 dB, doordat in het rapport van 25 april 2014 een rekenmethode uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai is gebruikt die daarvoor niet geëigend is en bovendien in dit geval niet correct is toegepast. Verder is volgens het deskundigenbericht het bronvermogenniveau van de luchtwasser van de bio-energiecentrale met 8,1 dB onderschat en is ook het geluid vanwege het gekraai van de in de inrichting aanwezige hanen onderschat. De rechtbank heeft op grond hiervan overwogen dat de in voorschrift 8.2 gestelde grenswaarden in de praktijk zullen worden overschreden. De rechtbank heeft het besluit van 16 december 2014 daarom wat dit voorschrift betreft vernietigd. Op voorstel van het college heeft de rechtbank zelf voorziend een nieuw voorschrift 8.2 aan de omgevingsvergunning verbonden, waarin niet langer grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gesteld op beoordelingspunten op 50 m van de inrichting, maar ter plaatse van woningen van derden, welke op grotere afstand zijn gelegen. De in het nieuwe voorschrift 8.2 gestelde grenswaarden bedragen 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

8.2. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank nieuwe akoestische berekeningen ter onderbouwing van de naleefbaarheid van het door de rechtbank vastgestelde voorschrift 8.2 ontbraken. Gelet op de constateringen in het deskundigenbericht met betrekking tot de bronvermogenniveaus van de luchtwassers van de pluimveestallen en de bio-energiecentrale, had de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling bij ontbreken van zulke berekeningen onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat het nieuwe voorschrift 8.2 wel naleefbaar was.

8.3. Het college en [appellante sub 4] hebben in hoger beroep notities overgelegd van Windmill Milieu Management Advies en G&O Consult, waaruit volgens hen blijkt dat met het treffen van aanvullende geluidreducerende maatregelen, zoals het toepassen van geluidabsorberend materiaal in de luchtwassers of het plaatsen van schermen, kan worden voldaan aan het nieuwe voorschrift 8.2. Anders dan [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier stellen, maakt het feit dat in deze notities genoemde maatregelen niet in de aanvraag zijn opgenomen niet dat deze maatregelen buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling of de grenswaarden naleefbaar zijn. Het gaat niet om maatregelen van zodanige aard dat bij het treffen daarvan de grondslag van de aanvraag zou worden verlaten.

De Afdeling stelt echter vast dat in de notities een groot aantal nieuwe akoestische standpunten wordt ingenomen en de notities voorts een andere, althans alternatieve, onderbouwing bevatten ten aanzien van de naleefbaarheid van het nieuwe voorschrift 8.2. De juistheid hiervan, die is betwist in een door [appellant sub 1] en anderen overgelegde notitie van De Roever Omgevingsadvies, is voor de Afdeling onvoldoende vast te stellen, zodat geoordeeld moet worden dat met deze notities niet alsnog inzichtelijk is gemaakt dat de door de rechtbank zelf voorziend gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau naleefbaar zijn. Het door de rechtbank vastgestelde voorschrift 8.2 kan dan ook niet in stand kan blijven.

Het betoog slaagt.

9. De Afdeling acht aannemelijk dat het college, mede in aanmerking genomen zijn beoordelingsvrijheid ter zake, alsnog grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zal kunnen vaststellen die zowel toereikend als naleefbaar zijn. Gelet hierop bestond voor de rechtbank geen aanleiding om vanwege het geluidaspect te komen tot een verdergaande vernietiging van het besluit van 16 december 2014 dan vernietiging van voorschrift 8.2.

Geur

10. [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat als gevolg van het op 1 januari 2016 in werking treden van afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer de aan de omgevingsvergunning met betrekking tot de geuremissie vanuit de slachterij en de bio-energiecentrale verbonden voorschriften 9.1 tot en met 9.13 van rechtswege zijn komen te vervallen en het geuraspect in zoverre niet meer aan de orde kan zijn in het kader van de omgevingsvergunning. Volgens [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier is, gelet op het tweede lid van artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit milieubeheer, afdeling 2.3 in dit geval niet van toepassing. Ook als afdeling 2.3 wel van toepassing zou zijn, moet er volgens [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier op grond van de tweede volzin van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo van worden uitgegaan dat in dit geval ruimte blijft bestaan voor een beoordeling van geur in het kader van de omgevingsvergunning.

10.1. Artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo luidt:

‘Voor zover met betrekking tot de activiteit algemeen verbindende voorschriften gelden, kunnen de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden daarvan alleen afwijken voor zover dat bij die regels is toegestaan. In afwijking van de eerste volzin worden aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, voorschriften verbonden die afwijken van de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in de eerste volzin, voor zover met die voorschriften niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het tweede of derde lid of artikel 2.14.’

Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer geeft algemene regels over onder meer geur.

Artikel 2.3a, eerste lid, luidt:

‘Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.’

Het tweede lid luidt:

‘In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Indien de BBT-conclusie van toepassing is op een groep van stoffen, geldt de eerste volzin voor alle stoffen die tot die groep van stoffen behoren.’

10.2. Niet in geschil is dat de slachterij en de bio-energiecentrale IPPC-installaties zijn. Partijen zijn het er blijkens het verhandelde ter zitting bij de Afdeling verder over eens dat er BBT-conclusies zijn die (mede) betrekking hebben op het voorkomen of beperken van geuremissie vanuit de slachterij en de bio-energiecentrale, zij het dat het daarbij niet om concrete emissieniveaus gaat. Dit laatste staat niet in de weg aan het van toepassing zijn van de uitzondering van artikel 2.3a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Die uitzondering is, gelet op de tekst van artikel 2.3a, tweede lid, immers niet beperkt tot gevallen waarin concrete emissieniveaus zijn gesteld. Nu niet in geschil is dat er BBT-conclusies zijn met betrekking tot de geuremissie vanuit de slachterij en de bio-energiecentrale, is voornoemde uitzondering van toepassing. Dit betekent dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is op de emissie van geur vanuit de slachterij en de bio-energiecentrale en de hierover bij het besluit van 16 december 2014 gestelde vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.13 niet van rechtswege zijn komen te vervallen.

Het betoog slaagt.

11. De rechtbank heeft, ondanks dat de voorschriften 9.1 tot en met 9.13 volgens haar van rechtswege waren vervallen, aanleiding gezien het besluit van 16 december 2014 te vernietigen, wat betreft de voorschriften 9.1 tot en met 9.4. De Afdeling zal hierna aan de hand van hetgeen door [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier naar voren is gebracht met betrekking tot het geuraspect nagaan of de rechtbank aanleiding had moeten zien om vanwege dat aspect tot een verdergaande vernietiging van het besluit van 16 december 2014 te komen.

12. [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de totale geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten vanwege de inrichting voor het college aanleiding had moeten zijn om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. De door het college bij de beoordeling van de totale geurbelasting gehanteerde gewogen gemiddelde grenswaarde van 12,5 odour units per kubieke meter als 98-percentiel (hierna: OU/m3) biedt volgens [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier onvoldoende bescherming tegen geurhinder, doordat is gemiddeld met de bijdrage van het veehouderijgedeelte van de inrichting en de daarvoor geldende wettelijke grenswaarde van 14,0 OU/m3, welke grenswaarde reeds een hoog hinderniveau met zich brengt.

12.1. Het college heeft in het besluit van 16 december 2014 de geurbelastingen die ter plaatse van geurgevoelige objecten worden veroorzaakt door de pluimveehouderij, de slachterij, de bio-energiecentrale en door overige geurbronnen binnen de inrichting, zoals de afvalwaterzuivering, allereerst afzonderlijk op aanvaardbaarheid beoordeeld. Het college heeft daarbij vastgesteld dat de geurbelasting vanwege de pluimveehouderij voldoet aan de daarvoor in de Wet geurhinder en veehouderij gestelde grenswaarden en dat de geurbelasting vanwege de slachterij en de bio-energiecentrale voldoet aan de streef- en richtwaarde uit de in de Nederlandse emissierichtlijn lucht opgenomen bijzondere regelingen voor de vleesindustrie onderscheidenlijk GFT-compostering. Het college heeft daarnaast de totale geurbelasting vanwege de inrichting op aanvaardbaarheid beoordeeld aan de hand van een gewogen gemiddelde grenswaarde van 2,7 OU/m3 voor woningen binnen de bebouwde kom en 12,5 OU/m3 voor woningen buiten de bebouwde kom. Ook aan deze gewogen gemiddelde grenswaarde wordt volgens het college voldaan. Dit is door [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier op zichzelf niet betwist. Zij achten de gewogen gemiddelde grenswaarde echter ontoereikend als norm voor de totale geurbelasting vanwege de inrichting.

12.2. Vaststaat dat geen kaders beschikbaar zijn voor het beoordelen van de totale geurbelasting vanwege alle tot de inrichting behorende geuremitterende onderdelen. Bij de vraag of en op welke wijze, naast een afzonderlijke beoordeling van de geurbelasting vanwege elk van die onderdelen, een beoordeling van de totale geurbelasting vanwege de inrichting dient plaats te vinden, komt het college beoordelingsruimte toe. Het college heeft ervoor gekozen om de totale geurbelasting te toetsen aan een gewogen gemiddelde grenswaarde, waarbij mede is gemiddeld met de wettelijke grenswaarde uit de Wet geurhinder en veehouderij voor het veehouderijgedeelte. In het deskundigenbericht is de beoordeling van de totale geurbelasting in het licht van de beroepsgronden onderzocht. In het deskundigenbericht is een alternatieve benadering uiteengezet, waarmee in ieder geval deels tegemoet wordt gekomen aan de kritiek van [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier dat niet gemiddeld hoort te worden met de wettelijke grenswaarde van 14,0 OU/m3 voor woningen buiten de bebouwde kom. Deze benadering komt er op neer dat de geur van het veehouderijgedeelte niet in de gewogen norm wordt meegenomen, maar dat voor de gezamenlijke geurbelasting van de andere geurbronnen binnen de inrichting een gewogen gemiddelde grenswaarde van 1,0 OU/m3 wordt gehanteerd. Blijkens het deskundigenbericht wordt ook aan deze gewogen norm voldaan. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat met de door het college gevolgde benadering, dan wel de alternatieve benadering in het deskundigenbericht geen toereikende beoordeling van de totale geurbelasting vanwege de inrichting heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft in de totale geurbelasting vanwege de inrichting dan ook geen aanleiding hoeven zien om het besluit van 16 december 2014 te vernietigen.

Het betoog faalt.

13. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier in hoger beroep betogen dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op hetgeen in beroep is aangevoerd over de juistheid van de door het college bij de berekening van de geurbelasting afkomstig van de pluimveestallen gehanteerde uitgangspunten, overweegt de Afdeling als volgt.

In beroep is door [appellant sub 1] en anderen, onder verwijzing naar een notitie van De Roever Omgevingsadvies van 9 maart 2015, naar voren gebracht dat de geurberekening waarvan het college bij het nemen van het besluit van 16 december 2014 is uitgegaan, is gebaseerd op verschillende onjuiste aannames, onder meer wat betreft het gewicht van de dieren, de dimensionering van de luchtwassers en de uittreedsnelheid van de ventilatielucht. Hierdoor was volgens hen de geuremissie onderschat en overschreed de geurbelasting vanwege de pluimveestallen ter plaatse van de woning [locatie 2] de daarvoor ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij geldende grenswaarde van 14,0 OU/m3. Ter zitting bij de Afdeling hebben [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier echter desgevraagd te kennen gegeven dat de conclusie in het deskundigenbericht dat de afzonderlijke geurbelastingen van de diverse onderdelen van de inrichting voldoen aan de daarvoor geldende normen niet wordt betwist. Ook de rechtbank is er in haar uitspraak van uitgegaan dat partijen het er niet langer over oneens waren dat de berekende maximale geuremissie als gevolg van de dierenverblijven van de inrichting bij de woning [locatie 2] 13,0 OU/m3 bedraagt en derhalve lager is dan de grenswaarde uit de Wet geurhinder en veehouderij. Gelet hierop bestond er voor de rechtbank in zoverre geen aanleiding om in te gaan op hetgeen was aangevoerd ten aanzien van de door het college bij de berekening van de geurbelasting afkomstig van de pluimveestallen gehanteerde uitgangspunten.

Voor zover het betoog van [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier er op neerkomt dat de luchtwassers van de pluimveestallen in de praktijk niet goed zullen functioneren, overweegt de Afdeling dat, zoals ook het college heeft opgemerkt, de goede werking van deze luchtwassers gewaarborgd is via de rechtstreeks op de inrichting van toepassing zijnde artikelen 3.123 en verder van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de artikelen 3.97 en verder van de Activiteitenregeling milieubeheer. Indien overtreding van die artikelen plaatsvindt, kan het college daartegen handhavend optreden.

Het betoog faalt.

14. Wat betreft de door [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden over de aan de omgevingsvergunning verbonden vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.13, overweegt de Afdeling ten slotte als volgt.

In voorschrift 9.1 was een geurverwijderingsrendement van de luchtwassers van de slachterij en de bio-energiecentrale van 95% voorgeschreven. Gelet op de conclusie in het deskundigenbericht dat een geurverwijderingsrendement van 95% niet realistisch is, heeft het college erkend dat dit voorschrift, alsook de daarmee samenhangende voorschriften 9.2 tot en met 9.4 niet gehandhaafd konden blijven, hetgeen de aanleiding is geweest voor de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 16 december 2014, voor zover het deze voorschriften betreft. Het college heeft aangegeven dat de vernietigde voorschriften vervangen kunnen worden door drie nieuwe voorschriften 9.1, 9.2 en 9.3, waarbij in het nieuwe voorschrift 9.1 een geurverwijderingsrendement van 92,5% kan worden voorgeschreven, te behalen door de inzet van een extra aktief koolfilter. Tegen de aldus voorgestelde voorschriften hebben [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier blijkens het verhandelde ter zitting bij de Afdeling als zodanig geen bezwaren. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat met deze nieuwe voorschriften en de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften 9.5 tot en met 9.13 een goede werking van de luchtwassers van de slachterij en bio-energiecentrale niet voldoende is gewaarborgd.

15. Gelet op het voorgaande, concludeert de Afdeling dat voor de rechtbank geen aanleiding bestond om vanwege het geuraspect te komen tot een verdergaande vernietiging van het besluit van 16 december 2014 dan vernietiging van de voorschriften 9.1 tot en met 9.4. In zoverre bestaat geen grond voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De beslissing van de rechtbank om te bepalen dat de voorschriften 9.5 tot en met 9.13, met vernummering daarvan, gehandhaafd blijven, kan in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen echter geen stand houden. In zoverre zal de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigen.

Slotoverwegingen

16. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen is, behoudens voor zover het [belanghebbende] betreft, gegrond. De hoger beroepen van Wakker Dier en Behoud de Parel zijn gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 4] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover de rechtbank daarbij een nieuw voorschrift 8.2 aan de bij het besluit van 16 december 2014 verleende omgevingsvergunning heeft verbonden en heeft bepaald dat de vergunningvoorschriften 9.5 tot en met 9.13 gehandhaafd blijven en worden vernummerd tot vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.9. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient voor het overige te worden bevestigd.

De Afdeling zal zelf voorziend de door het college voorgestelde nieuwe voorschriften 9.1 tot en met 9.3 aan de omgevingsvergunning verbinden en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de door de rechtbank vernietigde vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.4. De Afdeling zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen wat betreft het door de rechtbank vernietigde vergunningvoorschrift 8.2. Het college dient een nieuw voorschrift 8.2 vast te stellen met toereikende en naleefbare grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. In het kader van de voorbereiding van het daartoe te nemen besluit dient het college door middel van een nieuw, integraal akoestisch rapport inzichtelijk te (laten) maken welke uitgangspunten worden gehanteerd met betrekking tot de geluidbronnen in de inrichting, met bijzondere aandacht voor de bronvermogenniveaus van de luchtwassers en hetgeen daarover in het deskundigenbericht is opgemerkt, en de geluidreducerende maatregelen die in de inrichting zullen worden getroffen. Verder dient het college [appellant sub 1] en anderen, Wakker Dier en Behoud de Parel voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit in de gelegenheid te stellen om op het nieuwe akoestisch rapport te reageren. Het college behoeft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit niet opnieuw toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb.

17. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 16 december 2014 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit.

18. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen, Wakker Dier en Behoud de Parel op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat [appellant sub 1] en anderen en Wakker Dier betreft is er bij de berekening van het te vergoeden bedrag voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van uitgegaan dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld door [belanghebbende], en voor het overige gegrond;

II. verklaart het hoger beroep van Stichting Wakker Dier, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu en het hoger beroep van Vereniging Behoud de Parel en [appellant sub 3] gegrond;

III. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 4] en Bio Energie Centrale Maashorst B.V. ongegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 augustus 2016 in zaken nrs. 15/372, 15/374 en 15/375, voor zover de rechtbank daarbij een nieuw voorschrift 8.2 aan de bij het besluit van 16 december 2014 verleende omgevingsvergunning heeft verbonden en heeft bepaald dat de vergunningvoorschriften 9.5 tot en met 9.13 gehandhaafd blijven en worden vernummerd tot vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.9;

V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

VI. bepaalt dat de hiernavolgende voorschriften worden verbonden aan de bij het besluit van 16 december 2014 verleende omgevingsvergunning:

9.1 Het geurverwijderingsrendement van de luchtwassers LW1 en LW2 bedraagt 92,5%.

9.2 Binnen 4 maanden na het volledig in gebruik nemen van de inrichting moet vergunninghouder, door middel van geurmetingen en berekeningen volgens NTA 9065, aantonen dat het geurverwijderingsrendement van de luchtwassers LW1 en LW2 voldoet aan de eis uit het vorige voorschrift. Het meetplan moet vooraf worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden.

9.3 De resultaten worden binnen twee maanden na uitvoering van het onderzoek uit vorig voorschrift overgelegd aan het bevoegd gezag.

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de door de rechtbank vernietigde vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.4;

VIII. draagt het college van gedeputeerde staten van Limburg op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen wat betreft het door de rechtbank vernietigde vergunningvoorschrift 8.2 en dit nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en daarvan mededeling te doen;

IX. bepaalt dat tegen het onder VIII genoemde besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

X. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 16 december 2014 tot zes weken na bekendmaking van het onder VIII genoemde besluit;

XI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van hun hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.547,42 (zegge: vierduizend vijfhonderdzevenenveertig euro en tweeënveertig cent), waarvan € 495 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Limburg aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij Stichting Wakker Dier, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van hun hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Limburg aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij Vereniging Behoud de Parel en [appellant sub 3] in verband met de behandeling van hun hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Limburg aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van hun hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 (zegge: vijfhonderddrie euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Limburg aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan Stichting Wakker Dier, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van hun hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 (zegge: vijfhonderddrie euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Limburg aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan Vereniging Behoud de Parel en [appellant sub 3] het door hen voor de behandeling van hun hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 (zegge: vijfhonderddrie euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Limburg aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Terug naar overzicht