Naar de inhoud

JB 2017/45, CRvB 22-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4941, 15/5036 APPA

Inhoudsindicatie

Weigering te beslissen, Geen afwijzing aanvraag, Geen besluit, Voor rechtsbescherming gelijkstelling met besluit, Dwangsom, Ook voor de toepassing van art. 4:17 lid 1 en art. 4:19 lid 1 gelijkstelling met beschikking op aanvraag

Samenvatting

De schriftelijke weigering van het college van 21 april 2015 houdt niet in de afwijzing van de aanvraag van appellante en is daarom geen besluit (beschikking) als bedoeld in art. 1:3 lid 2 Awb. Op grond van art. 6:2 aanhef en onder a Awb wordt deze weigering voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wel gelijkgesteld met een besluit. De schriftelijke weigering is evenmin een beschikking op aanvraag als bedoeld in art. 4:17 lid 1 Awb. Deze bepaling is ook geen wettelijk voorschrift over bezwaar en beroep. De Raad ziet echter aanleiding om ook voor de toepassing van deze bepaling de schriftelijke weigering om op een aanvraag te beslissen gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat het instrument van de dwangsom bij niet tijdig beslissen ertoe strekt te voorkomen dat het bestuursorgaan niet tijdig handelt naar aanleiding van een aanvraag en in de tweede plaats (ook) de schriftelijke weigering een besluit te nemen een handeling naar aanleiding van een aanvraag is. Nu de wetgever de schriftelijke weigering een besluit te nemen voor de rechtsbescherming heeft gelijkgesteld met een besluit, is er voorts geen reden om deze voor de toepassing van art. 4:17 lid 1 Awb niet gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. In het verlengde hiervan moet deze gelijkstelling ook gelden voor de toepassing van art. 4:19 lid 1 Awb.

Uitspraak

Procesverloop

Bij brief van 22 november 2013 heeft appellante het college verzocht om voortzetting vanaf 30 april 2014 van haar uitkering op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Bij brief van 21 april 2015 heeft het college geweigerd een besluit te nemen op de aanvraag van appellante. Bij brief van 29 mei 2015 heeft appellante daartegen bewaar gemaakt en voorts het college in gebreke gesteld ten aanzien van het niet tijdig beslissen op haar aanvraag en er daarbij op gewezen dat een dwangsom is verschuldigd als het college niet binnen twee weken alsnog een besluit neemt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.C.W.C. van Zon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat.

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr. M.C.W.C van Zon tegen het besluit van 3 maart 2016 beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 juni 2016 heeft het college bepaald dat de Appa-uitkering van appellante wordt voortgezet van 30 april 2014 tot en met 5 juni 2017.

Bij brief van 30 juni 2016 heeft mr. Van Zon bericht dat het beroep wordt gehandhaafd voor zover het betrekking heeft op de volgens appellante door het college verschuldigde dwangsom en dat ook het verzoek om veroordeling van het college in de kosten wordt gehandhaafd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Dwangsom

1.1. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, voor ten hoogste 42 dagen aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

1.2. De Raad gaat er bij zijn beoordeling van uit dat het besluit van 3 maart 2016 in dit specifieke geval tevens een beschikking inhoudt over de verschuldigdheid van de dwangsom als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb.

1.3. De schriftelijke weigering van het college van 21 april 2015 houdt niet in de afwijzing van de aanvraag van appellante en is daarom geen besluit (beschikking) als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt deze weigering voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wel gelijkgesteld met een besluit. Door deze bepaling wordt zeker gesteld dat in gevallen waarin geen inhoudelijk besluit wordt genomen maar wordt geweigerd om tot een besluit te komen, tegen die weigering dezelfde rechtsmiddelen kunnen worden aangewend als tegen een wel tot stand gekomen besluit (vgl. PG Awb I, p. 281). Het tegen de brief van 21 april 2015 gemaakte bezwaar berust op deze bepaling. De schriftelijke weigering is evenmin een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Deze bepaling is ook geen wettelijk voorschrift over bezwaar en beroep. De Raad ziet echter aanleiding om ook voor de toepassing van deze bepaling de schriftelijke weigering om op een aanvraag te beslissen gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat het instrument van de dwangsom bij niet tijdig beslissen ertoe strekt te voorkomen dat het bestuursorgaan niet tijdig handelt naar aanleiding van een aanvraag en in de tweede plaats (ook) de schriftelijke weigering een besluit te nemen een handeling naar aanleiding van een aanvraag is. Nu de wetgever de schriftelijke weigering een besluit te nemen voor de rechtsbescherming heeft gelijkgesteld met een besluit, is er voorts geen reden om deze voor de toepassing van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb niet gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. In het verlengde hiervan moet deze gelijkstelling ook gelden voor de toepassing van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb.

1.4. In dit geval is de ingebrekestelling verstuurd na de schriftelijke weigering van 21 april 2015. Het college was op dat moment niet meer in gebreke tijdig te besluiten en is daarom geen dwangsom verschuldigd. Het college heeft dan ook bij het besluit van 3 maart 2016 terecht geweigerd een dwangsom toe te kennen. Het beroep daartegen is ongegrond.

Proceskosten

2. Met het besluit van 15 juni 2016 heeft het college de aanvraag van appellante alsnog ingewilligd. Er is daarom aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 496 in bezwaar en op € 992 in beroep voor verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De Centrale Raad van Beroep

– verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 2016 ongegrond;

– veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.488.

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak22-12-2016
PublicatieJB 2017/45 (Sdu Jurisprudentie Bestuursrecht), aflevering 3, 2017
ECLIECLI:NL:CRVB:2016:4941
Zaaknummer15/5036 APPA
Overige publicaties
  • ECLI:NL:CRVB:2016:4941
  • USZ 2017/70
  • NJB 2017/228
  • AB 2017/130 met annotatie van L.M. Koenraad
RechtsgebiedBestuursrecht
Rechters
  • mr. Van Vulpen-Grootjans
Partijen Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen (college)
Regelgeving
  • Awb - 1:3 lid 2
  • Awb - 4:17
  • Awb - 4:19 lid 1
  • Awb - 6:2 onder a