JBPR 2017/37, Hoge Raad 24-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:306, 16/03564 (met annotatie van mr. dr. M.O.J. de Folter)

Inhoudsindicatie

Voeging, Belang

Samenvatting

Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Gelet op zijn wettelijke taak heeft het Zorginstituut belang bij voeging. Het Zorginstituut beheert het Zorgverzekeringsfonds (art. 40 Zvw), is onder meer belast met het bevorderen van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van het verzekerd pakket (art. 64 lid 1 Zvw) en adviseert de minister daarover (art. 66 Zvw). Toewijzing van de vordering kan het beleid van het Zorginstituut met betrekking tot de uitvoering van zijn wettelijke taak doorkruisen, met name ten aanzien van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van het verzekerd pakket. Een ongunstige uitkomst van de hoofdzaak voor Menzis kan dus gevolgen voor het Zorginstituut hebben.

Uitspraak

Conclusie Advocaat-Generaal

(mr. Wesseling-van Gent)

 

Het gaat in dit voegingsincident om beantwoording van de vraag of eisers in het incident, (hierna: het Zorginstituut en de Staat), voldoende belang hebben om zich in cassatie te mogen voegen aan de zijde van eiseres tot cassatie (hierna: Menzis).

1. Procesverloop

1.1. Menzis, vertegenwoordigd door mr. K. Teuben, heeft bij dagvaarding van 15 juni 2016 cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem) van 19 oktober 2010, 12 juli 2011 en 15 maart 2016 met zaaknummer 200.051.478 in het geding tussen verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) en Menzis.

1.2. De zaak is op 2 september 2016 aangebracht.

1.3. Bij incidentele conclusie van 2 september 2016 hebben het Zorginstituut en de Staat, eveneens vertegenwoordigd door mr. Teuben, tijdig1 gevorderd te worden toegelaten als gevoegde partijen in de onderhavige cassatieprocedure om het standpunt van Menzis te ondersteunen.

1.4. [verweerster] heeft op 28 oktober 2016 in de hoofdzaak geconcludeerd tot verwerping van het principale cassatieberoep en heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Voorts heeft zij in het voegingsincident geconcludeerd tot referte.

1.5. Menzis heeft op 28 oktober 2016 geconcludeerd tot toewijzing van de incidentele vorderingen tot voeging.

1.6. Op 4 november 2016 is arrest gevraagd in het voegingsincident.

1.7. In de hoofdzaak is op 25 november 2016 door Menzis geconcludeerd in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep en is door beide partijen schriftelijke toelichting gevraagd.

2. Bespreking van de incidentele vorderingen tot voeging

Juridisch kader voeging

2.1. Op de voet van art. 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Een dergelijke vordering kan ook (voor het eerst) in cassatie worden ingesteld.2

2.2. Indien aan het vereiste van art. 217 Rv is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Aan de toewijsbaarheid kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan. Afwijzing van een incidentele vordering tot voeging wegens strijd met de goede procesorde is onder meer mogelijk indien toewijzing tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zou leiden (art. 20 Rv).3

2.3. Het belangvereiste van art. 217 Rv (art. 285 Rv oud) heeft een ontwikkeling doorgemaakt en is ook versoepeld.4 Werd in 1956 nog geoordeeld dat voor toewijsbaarheid van een vordering tot (tussenkomst of) voeging is vereist (i) dat is gebleken van een belang van de derde om benadeling of verlies te voorkomen van een hem toekomend recht, (ii) dat bedreigd wordt door het tussen andere partijen aanhangige geding en (iii) voor het behoud waarvan zijn optreden in het geding nodig is, in zijn arrest van 14 maart 2008 heeft de Hoge Raad bepaald dat voor het aannemen van het belang bij voeging voldoende is dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden.5

Een verdere versoepeling blijkt uit HR 6 september 20136 waarin is beslist dat degene die in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder partij was geweest in de procedure bij de rechtbank maar geen hoger beroep heeft ingesteld, in hoger beroep in verband met zijn positie bij de afwikkeling van de nalatenschap een voldoende belang heeft tot voeging in verband met het antwoord op de vraag welk recht op die afwikkeling van toepassing is.

2.4. In zijn arrest van 28 maart 2014 heeft de Hoge Raad nader omschreven wat de nadelige gevolgen zijn die een partij die voeging vordert, kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt: dat zijn de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.7 Deze precisering is nadien herhaald.8

2.5. Het belangvereiste is nogmaals aan de orde geweest in het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015.9 In die zaak procedeerden TenneT c.s. en ABB c.s. tegen elkaar evenals Alstom c.s. en TenneT c.s. met dezelfde inzet: TenneT c.s. vorderden schadevergoeding naar aanleiding van de beschikking van de Europese Commissie van 24 januari 2007, waarbij is vastgesteld dat onder meer ABB c.s. en Alstom c.s. zich met betrekking tot de levering van gasgeïsoleerd schakelmateriaal hebben schuldig gemaakt aan een inbreuk op, kort gezegd, het kartelverbod.

In de cassatieprocedure tussen ABB c.s. en TenneT c.s. vorderden Alstom c.s. zich in dit geding te mogen voegen aan de zijde van ABB c.s. op de grond dat de uitspraak van de Hoge Raad bepalend kan zijn voor de uitkomst van de tegen hen door TenneT c.s. aangespannen procedure.

2.6. De Hoge Raad heeft het door Alstom c.s. gestelde belang opgevat als een beroep op de precedentwerking van het arrest in de zaak tussen ABB c.s. en TenneT c.s. en daarover geoordeeld dat dat niet een voldoende belang is, ook niet indien sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen, waarmee de gevorderde voeging werd afgewezen.

2.7. A-G Van Peursem is in zijn conclusie vóór dit arrest nog wat dieper ingegaan op het argument van precedentwerking. Z.i. gaat de vrees voor een nadelig “precedent” als grond voor het toestaan van voeging veel te ver, omdat dan in elke (cassatie)procedure een derde met een belang bij (het voorkomen van) precedentwerking voeging kan vorderen, die dan zou moeten worden toegewezen. Een regeling die een derde die niet rechtstreeks bij het geding is betrokken, de mogelijkheid zou gaan bieden om, eventueel ook tegen de wil van (één van) de oorspronkelijke procespartijen in, als procespartij aan het geding deel te nemen, zou ook de deur kunnen openzetten voor een (vertragende) procestactiek, waarin partijen een bepaalde procedure tussen derden kunnen afwachten om naar gelang de rechtsontwikkeling op het betreffende terrein op het laatst denkbare moment, in cassatie, voeging te vorderen.10

De onderhavige zaak

2.8. De hoofdzaak betreft een geschil tussen zorgverzekeraar Menzis en haar verzekerde [verweerster] over de vraag of Menzis, onder verwijzing naar het standpunt ter zake van het College voor zorgverzekeringen (hierna: CVZ, thans: het Zorginstituut), vergoeding van door [verweerster] gemaakte kosten voor een op 21 augustus 2007 uitgevoerde rugoperatie mocht weigeren op de grond dat die volgens de PTED-methode verrichte behandeling – een transforaminale decompressieoperatie – destijds niet conform de stand van de wetenschap en praktijk was zodat de kosten daarvan niet onder de dekking van de zorgverzekering vielen.

Het hof heeft in zijn eindarrest geoordeeld, op basis van het rapport van een door het hof benoemde deskundige (prof. dr. F.C. Öner), dat de PTED-methode in augustus 2007 conform de stand van de wetenschap en praktijk was en heeft Menzis veroordeeld om de door [verweerster] gevorderde kosten van de behandeling (gedeeltelijk) te vergoeden.

Menzis komt in cassatie op tegen dit oordeel van het hof. In de kern klaagt Menzis dat het hof in de bestreden arresten het toetsingskader voor de beoordeling of een bepaalde behandeling behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk, heeft miskend. Volgens Menzis is het hof op rechtens onjuiste gronden, althans zonder toereikende motivering, voorbij gegaan aan adviezen van het CVZ uit 2006 en 2008 waarin het op basis van uitvoerig en deugdelijk onderzoek gemotiveerd herhaaldelijk tot de conclusie is gekomen dat de behandeling volgens de PTED-methode niet behoorde tot de stand van de wetenschap en praktijk.

2.9. Het Zorginstituut heeft in de incidentele conclusie uitvoerig uiteengezet dat zij als “beheerder” van het verzekerd pakket de wettelijke taak heeft om eenduidige uitleg te geven aan de inhoud en omvang van het verzekerd pakket en dat zij daarbij dient te beoordelen of een bepaalde vorm van zorg voldoet aan het criterium “stand van de wetenschap en praktijk”, bij welke beoordeling zij een vast beoordelingskader (de principes van “evidence based medicine”) hanteert.

2.10. Met betrekking tot het belang bij voeging aan de zijde van Menzis is in de eerste plaats aangevoerd dat de instandhouding van het oordeel van het hof (nadelige) gevolgen kan hebben voor de hantering van dit beoordelingskader door het Zorginstituut.

In de tweede plaats stelt het Zorginstituut dat instandhouding van het oordeel van het hof tot gevolg kan hebben dat in de toekomst (te) eenvoudig voorbij wordt gegaan aan adviezen van het Zorginstituut door (bijvoorbeeld, zoals in deze zaak) de opinie van een deskundige te laten prevaleren bij de beoordeling of een bepaalde behandeling deel uitmaakt van de stand van de wetenschap en praktijk, terwijl de wetgever nu juist het Zorginstituut heeft aangewezen om voor een eenduidige uitleg van de verzekerde prestaties zorg te dragen.

2.11. Het Zorginstituut heeft niet, althans m.i. onvoldoende, toegelicht dat en waarom de veroordeling van Menzis tot (gedeeltelijke) vergoeding van de door [verweerster] gevorderde kosten van de in augustus 2007 uitgevoerde PTED-behandeling dan wel het oordeel van het hof dat de PTED-behandeling in augustus 2007 tot de stand van de wetenschap en praktijk behoorde, (rechtstreeks) gevolgen kan hebben voor het door het Zorginstituut voor de beoordeling van andere vormen van zorg te hanteren beoordelingskader. De procedure tussen [verweerster] en Menzis heeft immers niet als inzet om een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van het door het Zorginstituut gebezigde beoordelingskader. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt m.i. niet in te zien dat de uitkomst van een individuele zaak als de onderhavige, die betrekking heeft op een vordering tot vergoeding van een op een bepaald moment verrichte specifieke behandeling, en enkel gezag van gewijsde heeft tussen partijen, direct van invloed zou kunnen zijn op het (in het algemeen) door het Zorginstituut gehanteerde beoordelingskader.

2.12. Uit het tweede deel van het betoog blijkt dat het Zorginstituut beducht is voor de precedentwerking die van de instandhouding van het arrest van het hof zou kunnen uitgaan: zij is bevreesd dat dit ertoe kan leiden dat adviezen van het Zorginstituut in de toekomst door de rechter vaker terzijde zullen worden geschoven ten faveure van een rapport van een deskundige. Zoals hiervoor onder 2.6 opgemerkt, heeft de Hoge Raad reeds uitgemaakt dat de mogelijke precedentwerking van een uitspraak niet een voldoende belang oplevert voor voeging op de voet van art. 217 Rv.

Het voorgaande brengt m.i. mee dat de incidentele vordering van het Zorginstituut tot voeging in cassatie niet kan worden gehonoreerd.

2.13. De Staat heeft, ter onderbouwing van zijn belang om zich in deze cassatieprocedure te voegen aan de zijde van Menzis, gesteld dat het oordeel van het hof – indien in stand gelaten – ook gevolgen (kan) hebben voor andere behandelingen waarvan ter discussie staat of zij voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk en een uitbreiding van het verzekerde pakket met dergelijke behandelingen ook (nadelige) gevolgen heeft voor de Staat, “nu de kosten van de ter verzekeren dekking van de zorgverzekering mede ten laste komen van de Staat” en daardoor “het stelsel van de Zorgverzekeringswet – waarvoor de Staat verantwoordelijkheid draagt – onder druk komt te staan.”

2.14. Uit de stellingen van de Staat kan ik niet anders dan concluderen dat zijn belang (enkel) is gelegen in het voorkomen van precedentwerking en dit belang onvoldoende is om te worden toegelaten tot voeging in deze cassatieprocedure.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot afwijzing van de incidentele vorderingen tot voeging van het Zorginstituut en de Staat.

Hoge Raad

 

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 178683/HA ZA 08-2152 van de rechtbank Arnhem van 22 april 2009 en 14 oktober 2009;

b. de arresten in de zaak 200.051.478 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 oktober 2010, 12 juli 2011, 29 juli 2014, 6 januari 2015 en 15 maart 2016.

(...; red.)

 

2. Het geding in cassatie

(...; red.)

 

3. Beoordeling van de incidentele vorderingen tot voeging

3.1. De hoofdzaak van deze procedure betreft een geschil tussen zorgverzekeraar Menzis en haar verzekerde [verweerster] over de vraag of de behandeling volgens de zogeheten PTED-methode deel uitmaakt van de stand van wetenschap en praktijk als bedoeld in art. 2.1 lid 2 Besluit zorgverzekering en daarom op grond van art. 11 Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) door Menzis aan [verweerster] vergoed dient te worden, zoals [verweerster] vordert. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en de vordering van [verweerster] toegewezen, waartegen het middel van Menzis zich keert.

3.2. Het Zorginstituut en de Staat vorderen zich in dit geding in cassatie te mogen voegen aan de zijde van Menzis. Het Zorginstituut en de Staat stellen hiertoe belang te hebben, het Zorginstituut gelet op zijn wettelijke taak met betrekking tot het verzekerd pakket als bedoeld in art. 11 Zvw en de door hem over de onderhavige kwestie uitgebrachte adviezen, de Staat gelet op zijn wettelijke verantwoordelijkheid met betrekking tot dat pakket en op het feit dat hij bijdraagt aan de financiering van de zorgverzekering.

3.3. Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert. (HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295, en HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369)

3.4. Gelet op zijn wettelijke taak heeft het Zorginstituut belang bij voeging. Het Zorginstituut beheert het Zorgverzekeringsfonds (art. 40 Zvw), is onder meer belast met het bevorderen van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van het verzekerd pakket (art. 64 lid 1 Zvw) en adviseert de minister daarover (art. 66 Zvw). Toewijzing van de hiervoor in 3.1 genoemde vordering kan het beleid van het Zorginstituut met betrekking tot de uitvoering van zijn wettelijke taak doorkruisen, met name ten aanzien van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van het verzekerd pakket. Een ongunstige uitkomst van de hoofdzaak voor Menzis kan dus gevolgen voor het Zorginstituut hebben als hiervoor in 3.3 bedoeld.

De vordering van het Zorginstituut is derhalve toewijsbaar.

3.5. De Staat heeft niet voldoende onderbouwd dat hij het vereiste belang heeft bij voeging. Hij heeft niet duidelijk gemaakt dat en waarom de toe- dan wel afwijzing van de vordering tegen Menzis als zorgverzekeraar of het gezag van gewijsde van de uitspraak in de hoofdzaak feitelijke of juridische gevolgen voor hem heeft in verband met de hiervoor in 3.2 genoemde, door hem ingeroepen verantwoordelijkheid dan wel financiering.

 

4. Beslissing

De Hoge Raad:

met betrekking tot de incidentele vordering van het Zorginstituut:

laat het Zorginstituut toe zich te voegen aan de zijde van Menzis;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het door het Zorginstituut opgeworpen incident tot de einduitspraak in cassatie;

begroot deze kosten tot op deze uitspraak aan de zijde van het Zorginstituut op € 68,07 aan verschotten en € 800,= voor salaris, en aan de zijde van Menzis en [verweerster] op nihil;

verwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2017 voor voortprocederen;

met betrekking tot de incidentele vordering van de Staat:

wijst de incidentele vordering tot voeging van de Staat af;

veroordeelt de Staat in de kosten van het door hem opgeworpen incident;

begroot deze kosten tot op deze uitspraak aan de zijde van Menzis en [verweerster] op nihil.

Noot

1. Voeging houdt in dat een derde zich kan voegen in een zaak tussen andere partijen, mits hij daarbij voldoende belang heeft. In deze zaak waren er twee voegende partijen, namelijk het Zorginstituut en de staat. Het geding waarin ze zich wilden voegen betrof een zaak tussen zorgverzekeraar Menzis en een van haar verzekerden met als inzet de vraag of Menzis de vergoeding van de door verzekerde gemaakte kosten voor een op 21 augustus 2007 uitgevoerde rugoperatie mocht weigeren op de grond dat die volgens de PTED-methode verrichte behandeling – een transforaminale decompressieoperatie – destijds niet conform de stand van de wetenschap en praktijk was zodat de kosten daarvan niet onder de dekking van de zorgverzekering vielen. Het hof heeft in zijn eindarrest geoordeeld, op basis van het rapport van een door het hof benoemde deskundige, dat de PTED-methode in augustus 2007 conform de stand van de wetenschap en praktijk was en heeft Menzis veroordeeld om de door de verzekerde gevorderde kosten van de behandeling (gedeeltelijk) te vergoeden. De Hoge Raad laat het Zorginstituut als gevoegde partij toe. Daarbij wordt op het volgende gewezen: “Het Zorginstituut beheert het Zorgverzekeringsfonds (art. 40 Zvw), is onder meer belast met het bevorderen van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van het verzekerd pakket (art. 64 lid 1 Zvw) en adviseert de minister daarover (art. 66 Zvw). Toewijzing van de vordering kan het beleid van het Zorginstituut met betrekking tot de uitvoering van zijn wettelijke taak doorkruisen, met name ten aanzien van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van het verzekerd pakket. Een ongunstige uitkomst van de hoofdzaak voor Menzis kan dus gevolgen voor het Zorginstituut hebben.” De voeging van de staat wordt afgewezen. Volgende de Hoge Raad heeft de staat niet voldoende onderbouwd dat deze voldoende belang heeft bij voeging. Verrassend genoeg wijst A-G Wesseling-Van Gent zowel de voeging van het Zorginstituut als van de staat af.

2. Terecht merkt mijns inziens de A-G op: “Het belangvereiste van art. 217 Rv (art. 285 Rv oud) heeft een ontwikkeling doorgemaakt en is ook versoepeld.” Na dit gelezen te hebben zou men verwachten dat het Zorginstituut wordt aanvaard als gevoegde partij, maar zij ziet niet in dat dat “de uitkomst van een individuele zaak als de onderhavige, die betrekking heeft op een vordering tot vergoeding van een op een bepaald moment verrichte specifieke behandeling, en enkel gezag van gewijsde heeft tussen partijen, direct van invloed zou kunnen zijn op het (in het algemeen) door het Zorginstituut gehanteerde beoordelingskader.” Bovendien wijst zij op mogelijke precedentwerking, maar dat is niet de kern van de grond waarop de Hoge Raad de voeging toewijst. Zie in dit verband uitvoerig HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602 (Alstom/ABB), NJ 2015, 295; «JBPr» 2015/64, m.nt. De Folter. Het verschil tussen de inschatting van de A-G en die van de Hoge Raad is gelegen in de vraag of deze individuele zaak in voldoende mate effect heeft op het beleid van het Zorginstituut. De Hoge Raad wijst daarbij op een aantal door de wet voorgeschreven taken van dit instituut, terwijl de A-G redeneert dat het instituut zich eigenlijk beperkt tot het formuleren van een algemeen zorgbeleid. Datzelfde kan volgens haar mutatis mutandis ook gezegd worden van de staat.

3. Dat de toelating van voeging in het Nederlandse procesrecht verruimd en versoepeld is, is naar mijn mening geen nieuwtje meer gelet op de uitspraak HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692; NJ 2008, 168; «JBPr» 2008/26, m.nt. De Folter. Deze verruiming brengt echter niet mee dat: “iedere belangenvereniging automatisch de bevoegdheid tot voeging heeft in een geding dat door individuele vertegenwoordigers van de betreffende doelgroep tegen een derde wordt gevoerd.” Aldus M.O.J. de Folter, Vrijwaring & interventie, Deventer 2009, nr. 122. Mijns inziens gaat het erom dat de inzet van de individuele zaak zodanig verreikend moet zijn – in dit geval de vraag naar vergoeding door Menzis van de kosten van een rugoperatie – dat het deelbelang van de belangenorganisatie door de gevolgen van de uitspraak geraakt wordt (reflexwerking). Simpel gezegd: valt de rugoperatie binnen het verzekerd pakket of niet? Op grond hiervan kan minimaal aangenomen worden dat het Zorginstituut zeker indirect partij is in deze zaak. Een bevestiging hiervan biedt het feit dat Menzis zich ter verdediging van de weigering om de betreffende operatie te vergoeden beroept op het standpunt in deze van het College voor Zorgverzekeringen. Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) is een voormalig bestuursorgaan van de overheid met een aantal belangrijke taken binnen het Nederlandse ziekenfondsstelsel. Het CVZ is sinds 1 april 2014 van naam veranderd en heet voortaan: Zorginstituut Nederland. Het huidige takenpakket van het CVZ wordt met de nieuwe naam uitgebreid. Het Zorginstituut heeft voortaan ook de verantwoordelijkheid de zorgkwaliteit te stimuleren en verzekerden hiervan op de hoogte te houden. Ook zal het advies gaan geven aan het ministerie van Volksgezondheid over innovatie en vernieuwingen in de zorg. Hieruit volgt dat Menzis zich beroept op het beleid van een toonaangevend (zelfstandig) bestuursorgaan, dat vergeleken met vroeger alleen maar zwaarder is opgetuigd, dus meer verantwoordelijkheid heeft gekregen en nog steeds een (mee)beslissende stem heeft ten aanzien van de hamvraag of een bepaalde medische ingreep door de verzekeraar wordt betaald of dat de verzekerde daarvoor zelf moet opdraaien.

4. De staat is in deze zaak niet als gevoegde partij geaccepteerd. Uiteraard heeft de staat een zeer ruime taak en kan eigenlijk elk rechtsgebied het beleid van de overheid raken. Zou evenwel een willekeurige ambtenaar op een ministerieel departement een diepgravende beleidsnotitie hebben geschreven over zorgkwesties, dan kan er mijns inziens geen twijfel over bestaan dat de overheid als zodanig niet geraakt wordt door een uitspraak inzake Menzis en de eventuele vergoeding van rugoperaties. In een dergelijke situatie doet zich geen enkele reflexwerking voor en de notitie kan eenvoudig herschreven worden. Dit geldt voor veel overheidszaken en daarom lijkt het me ook niet nodig dat de staat als een soort van “dwarskijker” of observator bij elk civiel proces zich zou kunnen voegen. Daarvoor bestaat te minder reden nu al een vertegenwoordiger van de overheid zich volop kan manifesteren in vele civiele zaken, te weten het Openbaar Ministerie. Dit overheidsorgaan beschikt over een uitgebreid scala aan bevoegdheden en acties binnen het strafrecht. Maar ook in het faillissements-, het rechtspersonen- en het familierecht worden aan het OM eigen procedurele bevoegdheden toegekend. Zie voor een overzicht uitvoerig M.E. de Meijer, Het openbaar ministerie in civiele zaken, diss. Rotterdam 2003.

mr. dr. M.O.J. de Folter, juridisch adviseur

Voetnoten

1
Art. 218 Rv bepaalt dat de vordering tot voeging wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen. Aan die eis is voldaan, nu de conclusie tot voeging in cassatie door het Zorginstituut en de Staat is ingediend op de roldatum waarop de zaak is aangebracht, namelijk op 2 september 2016.
2
Zie HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, rov. 3.3.
3
HR 28 maart 2014, 13/02422, ECLI:NL:HR:2014:768 (Fiar c.s./Thuiskopie), rov. 4.2.2 en 4.2.3.
4
Zie voor een overzicht van de ontwikkeling van het begrip belang in de rechtspraak tot 2003 de conclusie van A-G Bakels vóór HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313 met verdere verwijzingen.
5
HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, rov. 3.3.
6
ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, m.nt. S. Perrick, rov. 3.6.2.
7
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, rov. 5.3.
8
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295 (Alstom/ABB), rov. 3.2 en HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534 (Staat/Europese Octrooi Organisatie, rov. 3.4.
9
ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295, rov. 3.2.
10
Zie de conclusie A-G vóór HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2015/295, onder 2.9.