JIN 2017/103, Hoge Raad 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:646, 16/03202 (met annotatie van C.J.A. de Bruijn)

Inhoudsindicatie

Oplegging tbs-maatregel bij veroordeling belaging

Samenvatting

Het hof heeft in het bestreden arrest tot uitdrukking gebracht dat aan de verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. In aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de feiten en omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde belaging is begaan, is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.

De verdachte is veroordeeld voor belaging. Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de maatregel tbs met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen als bedoeld in art. 38e eerste lid Sr en art. 359 zevende lid Sv.

De Hoge Raad overweegt dat ingeval aan de verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege is opgelegd, de rechter – bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359 zevende lid Sv – in zijn motivering van de maatregel tot uitdrukking dient te brengen dat deze wel of niet ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd. Zulks is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de tbs is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf – dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen – bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a eerste lid onder 1° Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd. (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY8434, NJ 2013/161, r.o. 4.3.)

Het hof heeft in het bestreden arrest tot uitdrukking gebracht dat aan de verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. In aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de feiten en omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde belaging is begaan, is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.

Uitspraak

Hoge Raad:

 

(...; Red.)

2 Beoordeling van het vierde middel

2.1. Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in art. 38e, eerste lid, Sr en art. 359, zevende lid, Sv.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 10 augustus 2013 tot en met 16 november 2013 te Zutphen en te Voorst, gemeente Voorst, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1], met het oogmerk [betrokkene 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte in voornoemde periode

- meermalen (telkens) geld (1 eurocent, althans enig geldbedrag) overgemaakt aan [betrokkene 1] en (daarbij en met als achterliggend doel) op/in de (bank)overschrijving (sexueel getinte) kwetsende en/of beledigende en/of intimiderende en/of bedreigende teksten geplaatst en

- meermalen, (telkens) (sexueel getinte) kwetsende en/of beledigende en/of intimiderende en/of bedreigende teksten geplaatst op de Facebook pagina en op een social mediapagina van [betrokkene 1] en

- zich meermalen, zichtbaar en/of hinderlijk opgehouden voor en/of nabij de woning van de ouders van [betrokkene 1] en

- zich meermalen zichtbaar en/of hinderlijk opgehouden in de directe nabijheid van [betrokkene 1] en

- meermalen, (vanuit detentie) (hinderlijk) meerdere brieven geschreven aan [betrokkene 1] en/of de ouders van [betrokkene 1], welke brieven in ieder geval waren gericht aan de familie [van betrokkene 1].”

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de door de verdachte ter terechtzitting van de Rechtbank Gelderland op 21 januari 2014 afgelegde verklaring, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

“Het is juist dat ik via de sociale media kwetsende opmerkingen heb gemaakt tegenover [betrokkene 1].

Er was een civielrechtelijk conflict met [betrokkene 1]. In eerste instantie heb ik [betrokkene 1] benaderd over geld met betrekking tot het geschil. Ik handelde uit eigenbelang en was egocentrisch. [betrokkene 1] wilde geen contact met mij. Ik had haar toen met rust moeten laten. U vraagt mij of ik werkelijk dacht dat ik door deze teksten in gesprek met haar kon komen, omdat de taal nu niet echt uitnodigt voor een gesprek. Ik snap wel dat zij daar geen zin in had.

Ik heb mij op Facebook voorgedaan als [A] en [B]. Onder die namen heb ik [betrokkene 1] ellendige berichten gestuurd. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik de in het dossier genoemde berichten als: “wacht maar, jij krijgt precies wat je verdient” en “geld is goed, niet waar kankerslet” heb verzonden. Ik schreef de teksten op en ik heb de teksten per mail verzonden. [betrokkene 1] kreeg de berichten en zij voelde zich daardoor slecht.

Ik heb ook telkens geldbedragen gestort en bij die overboeking grove dingen geschreven. Het klopt dat ik, toen ik op 13 september 2013 geld heb overgemaakt naar [betrokkene 1], wilde controleren of het haar rekeningnummer was. Het klopt dat [betrokkene 1] geld heeft teruggestort met de opmerking “hou hiermee op”. Ik ben doorgegaan met het benaderen van [betrokkene 1].

In september ben ik naar Zwolle gegaan, naar Windesheim. Eigenlijk wilde ik [betrokkene 1] opzoeken. Zij zit daar op school.

Ik ben in de buurt van de woning van [betrokkene 1] geweest. Op 5 oktober 2013 ben ik er expres langs gelopen.

Het klopt dat ik vanuit de penitentiaire inrichting brieven heb gestuurd naar de familie van [betrokkene 1].

Ik was heel erg bezig met [betrokkene 1]. Ik heb haar brieven gestuurd en ik heb op een drammerige manier toenadering gezocht.”

2.2.3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde, onder aanhaling van art. 285b Sr, gekwalificeerd als “belaging”.

2.2.4. Het Hof heeft de verdachte te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar. Voorts heeft het Hof gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Met betrekking tot de terbeschikkingstelling heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

“Nu verdachte weigert mee te werken aan een terbeschikkingstelling met voorwaarden, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het noodzakelijk is om de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan verdachte op te leggen, opdat verdachte in een dwingend kader behandeld kan worden en er voldoende mogelijkheden zijn om de veiligheid van personen te borgen. Het hof zal derhalve de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte bevelen, nu de door het hof bewezen verklaarde belaging behoort tot de misdrijven die worden genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel en de verpleging eist.

De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.”

2.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 37a, eerste lid, Sr:

“De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen (...) 285b (...) Wetboek van Strafrecht (...) en

2. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.”

- art. 38e, eerste lid, Sr:

“De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

- art. 285b, eerste lid, Sr:

“Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

- art. 359, zevende lid, Sv:

“Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.”

2.4. Ingeval aan de verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd, dient de rechter

- bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359, zevende lid, Sv – in zijn motivering van de maatregel tot uitdrukking te brengen dat deze wel of niet ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd. Zulks is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de TBS is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf – dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen – bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a, eerste lid onder 1, Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd. (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY8434, NJ 2013/161, rov. 4.3.)

2.5. Het Hof heeft in het bestreden arrest tot uitdrukking gebracht dat aan de verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. In aanmerking genomen hetgeen in 2.4 is vooropgesteld en gelet op hetgeen het Hof, zoals hiervoor onder 2.2.2 weergegeven, heeft vastgesteld omtrent de feiten en omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde belaging is begaan, is het oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

 

(...; Red.)

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, waaronder begrepen de last tot TBS doch niet de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie van de Advocaat-Generaal:

 

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 13 juni 2016 voor: belaging veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest bepaald.

 

(...; Red.)

 

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof artikel 359 lid 7 Sv heeft geschonden omdat het hof heeft verzuimd zijn oordeel dat de terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen met redenen te omkleden.

6.2. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Artikel 37a, eerste lid, Sr:

“De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen (...) 285b (...) van het Wetboek van Strafrecht en

2. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.”

- Artikel 38e, eerste lid, Sr:

“De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

Artikel 285b, eerste lid, Sr:

“Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

- Artikel 359, zevende lid, Sv:

“Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.”

6.3. In HR 12 februari 2013, NJ 2013, 161 m.nt. van Kempen1, waarnaar de schriftuur ook verwijst, heeft de Hoge Raad zich gebogen over een voordracht tot cassatie in het belang der wet in een zaak waarin het gerechtshof Arnhem de vordering van de officier van justitie tot verlenging van een terbeschikkingstelling had afgewezen. De terbeschikkingstelling met verpleging was opgelegd bij een veroordeling voor artikel 285 Sr, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Artikel 285 Sr is een in het eerste lid onder 1 van artikel 37a Sr genoemd misdrijf waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Het hof had uit rechtspraak van het EHRM opgemaakt dat het niet aan de verlengingsrechter is om zelfstandig vast te stellen of het misdrijf waarvoor de terbeschikkinggestelde is veroordeeld gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander. Het hof achtte zich niet bevoegd om het veroordelend arrest te gaan interpreteren en kwam tot de slotsom dat de terbeschikkingstelling aan een maximum van vier jaar was gebonden. De Hoge Raad raadpleegde de geschiedenis van artikel 38e Sr en het arrest van het EHRM in de zaak Van der Velden tegen Nederland.2 De wetsgeschiedenis toont aan dat de wetgever een einde wilde maken aan de onzekerheid omtrent het begrip ‘geweldsmisdrijf’ dat tot dan toe in artikel 38e Sr voorkwam en dat aanleiding gaf tot onzekerheid in relatie tot verschillende zedendelicten. Uit de uitspraak van het EHRM leidde de Hoge Raad af dat het aan de opleggingsrechter is om te bepalen dat het misdrijf waarvoor hij veroordeelt gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen. De verlengingsrechter zal op dat oordeel moeten afgaan. De Hoge Raad vervolgt dan:

“4.3. De vaststelling van dat oordeel door de verlengingsrechter zal in de regel betrekkelijk eenvoudig zijn indien de opleggingsrechter in zijn motivering van de opgelegde TBS - bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359, zevende lid, Sv - tot uitdrukking heeft gebracht dat de maatregel wel of niet ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd. Zulks is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de TBS is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf – dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen – bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a, eerste lid onder 1°, Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd.”

Uit deze overweging maak ik op dat volgens de Hoge Raad ook misdrijven als bedreiging of belaging de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander kunnen raken. De rechter die de terbeschikkingstelling heeft opgelegd kan motiveren waarom hij in het concrete geval een bedreiging of belaging als, kort gezegd, een ‘geweldsdelict’ beschouwt. Maar zo een motivering kan ook ontbreken. De Hoge Raad vervolgt dan aldus:

“4.4. De enkele omstandigheid dat de opleggingsrechter in zijn motivering niet met zoveel woorden heeft vermeld dat de TBS is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, brengt echter nog niet mee dat de maatregel niet meer voor verlenging vatbaar is indien haar totale duur een periode van vier jaren te boven gaat. Art. 38e, eerste lid, Sr stelt als voorwaarde voor verlenging van de TBS enkel dat de maatregel moet zijn opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf. Of daarvan sprake is, kan ook worden afgeleid uit de - al dan niet in onderling verband en samenhang gelezen - overige inhoud van de einduitspraak van de opleggingsrechter, zoals bewezenverklaring, bewijsmiddelen, kwalificatie, motivering van de weerlegging van gevoerde verweren en motivering van de opgelegde sanctie(s). Als op grond daarvan evident is dat sprake is van een geweldsmisdrijf, kan in elk geval niet worden gezegd dat de mogelijkheid van verlenging van de maatregel na vier jaren voor de terbeschikkinggestelde niet voorzienbaar was.”

Als de uitspraak van de opleggingsrechter aan de verlengingsrechter geen aanknopingspunt biedt voor een oordeel of de tbs al dan niet voor een geweldsmisdrijf is opgelegd kan de verlengingsrechter uit andere stukken dan de einduitspraak toch tot zo een conclusie komen:

“4.5. De opvatting van het Hof dat het, afgezien van gevallen als vorenbedoeld, niet aan de verlengingsrechter is “door interpretatie van de uitspraak van de opleggingsrechter” alsnog vast te stellen of de TBS al dan niet is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, vindt evenwel geen steun in voormelde beslissing van het EHRM en kan ook overigens niet als juist worden aanvaard. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de verlengingsrechter mede op grond van andere dan de in de einduitspraak vermelde gegevens – bijvoorbeeld het verhandelde ter terechtzitting van de opleggingsrechter zoals daarvan blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal door interpretatie van het oordeel van de opleggingsrechter tot het oordeel komt dat de TBS is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, terwijl ook niet kan worden uitgesloten dat andere processtukken waarover de opleggingsrechter beschikte, daaromtrent uitsluitsel geven.

4.6. De raadpleging van deze stukken zal vooral aangewezen zijn indien de einduitspraak niet een voldoende duidelijke motivering bevat als bedoeld als in art. 359, zevende lid, Sv of anderszins niet voldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat het feit waarvoor de TBS is opgelegd, zonder meer moet worden gekarakteriseerd als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zoals de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. In zo een geval zal de verlengingsrechter zich een oordeel dienen te vormen over de vraag of – gelet op alle feiten en omstandigheden die destijds bekend waren – de bedreiging een dergelijk geweldsmisdrijf oplevert. In dit verband verdient nog opmerking dat - anders dan het Hof tot uitgangspunt lijkt te hebben genomen – de verlengingsrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking moet nemen. Daarbij zal hij onder meer kunnen betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.

Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de verlengingsrechter het oordeel dat sprake was van een geweldsmisdrijf, besloten kan achten in de einduitspraak van de opleggingsrechter.”

Alleen zo kan worden voorkomen dat onzekerheid bestaat over het al dan niet gemaximeerd zijn van de tbs als de opleggingsrechter verzuimd heeft zich daarover duidelijk uit te spreken. Het verzuim van de opleggingsrechter om zich daarover uit te laten mag er niet toe leiden dat de tbs ingevolge het eerste lid van artikel 38e Sr maar vier jaar zou kunnen duren, terwijl het voor iedereen duidelijk [s dat de rechter heeft veroordeeld voor een geweldsmisdrijf.

6.4. In de onderhavige zaak heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd. De rechtbank had zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de ook door de rechtbank aan verdachte opgelegde tbs aan een maximumtermijn van vier jaar zou zijn gebonden:

“De rechtbank dient vervolgens ambtshalve de vraag te beantwoorden of de terbeschikkingstelling gemaximeerd moet worden tot vier jaar, of onbeperkt kan worden verlengd. Daartoe dient te worden vastgesteld of de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen, of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Is dat het geval dan is de terbeschikkingstelling niet gemaximeerd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bewezenverklaring, kwalificatie en strafmotivering, in onderling verband en samenhang bezien, niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. In deze strafzaak zijn er alleen verbale en schriftelijke bedreigingen geuit, maar is geenszins sprake van een geweldscomponent. Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake was van een misdrijf dat gericht was tegen, of gevaar veroorzaakte voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Hieruit volgt dat er in de onderhavige zaak sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling en dat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar niet te boven mag gaan.”

Het hof heeft in zijn arrest onder het hoofd “Oplegging van straf en/of maatregel” het volgende overwogen:

“De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.”

Het hof heeft aldus in zijn motivering van de opgelegde tbs in de bewoordingen van het zevende lid van artikel 359 tot uitdrukking gebracht dat de maatregel ter zake van een ‘geweldsmisdrijf’ is opgelegd. Het hof heeft aldus voldaan aan de aanwijzing die de Hoge Raad in overweging 4.3 van zijn hiervoor aangehaalde beslissing heeft gegeven. Zowel de rechtbank als het hof hebben, uitgaande van het feit dat verdachte de beschuldigingen heeft bekend, volstaan met een opgave van bewijsmiddelen zoals voorzien in het derde lid, laatste volzin van artikel 359 Sv. Dat betekent dat een uitgewerkte bewijsvoering, waarin de details van verdachtes handelen zichtbaar zouden worden, ontbreekt.

6.5. Het arrest NJ 2013, 161 heeft betrekking op de ruimte die aan de verlengingsrechter toekomt in de uitleg van de opleggingsbeslissing van de tbs. Slechts indirect laat de Hoge Raad zich in deze beslissing uit over de motiveringseisen die gelden wanneer de vonnisrechter een terbeschikkingstelling wil opleggen die niet gebonden is aan een eindtermijn van vier jaar. De Hoge Raad lijkt de feitenrechter die een terbeschikkingstelling met verpleging oplegt te willen aanbevelen om steeds aan te geven of de veroordeling betrekking heeft op een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het komt mij voor dat de Hoge Raad graag ziet dat vermeden wordt dat pas in de verlengingsprocedure komt vast te staan of de terbeschikkingstelling al dan niet kan worden verlengd. Reeds op het moment van oplegging van de maatregel moet voorzienbaar zijn of de terbeschikkingstelling beperkt zal zijn tot een duur van in totaal vier jaar of niet. Het is voor de veroordeelde van groot belang of hij vanaf het begin er rekening mee moet houden dat de terbeschikkingstelling langer dan vier jaar kan gaan duren. Ook voor de invulling van de behandeling die hem zal moeten worden aangeboden zal, dunkt mij, de mogelijke duur daarvan relevant zijn. Vandaar het belang van inachtneming van het zevende lid van artikel 359 Sv. De rechter die de maatregel van terbeschikkingstelling oplegt zal zich er rekenschap van dienen te geven of die terbeschikkingstelling langer kan gaan duren dan vier jaar. Hij kan daarvan blijk doen geven door uitdrukkelijk te overwegen dat de veroordeling al dan niet een ‘geweldsdelict’ betreft.

De Memorie van toelichting houdt over artikel 38e Sr het volgende in:

“De rechter die de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging oplegt zal gemotiveerd moeten beslissen of er sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”3

Over de wijziging van artikel 359 Sv schrijft de Memorie van toelichting meer specifiek het volgende:

“De voorgestelde wijziging van artikel 359 kan als een pendant van de voorgestelde wijziging van artikel 38e WvSr worden beschouwd. De rechter, die de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging oplegt, dient in zijn vonnis of arrest onder opgave van redenen aan te geven of hij van oordeel is dat er in casu sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Aldus is van het begin af aan duidelijk of de terbeschikkingstelling al dan niet gemaximeerd is. In de regel zal hij bij zijn motivering ermee kunnen volstaan met te wijzen op de aard van het misdrijf, zoals dat is bewezenverklaard en gekwalificeerd. Aan de voorgeschreven motivering zullen dus normaliter niet zulke strenge eisen behoeven te worden gesteld. Onder omstandigheden zal de rechter evenwel in zijn motivering moeten wijzen op de concrete feiten of omstandigheden.”4

Als zo een overweging in het vonnis ontbreekt wordt de verlengingsrechter uiteindelijk met een onzekerheid geconfronteerd. De verlengingsrechter zal dan moeten beslissen of aan de voorwaarden van artikel 38e Sr is voldaan. Op de wijze zoals de Hoge Raad dat in NJ 2013, 161 heeft voorgetekend zal de verlengingsrechter te werk kunnen gaan om na te gaan of de opleggingsrechter van een ‘geweldsdelict’ is uitgegaan. Als de opleggingsrechter echter uitdrukkelijk heeft overwogen dat de veroordeling geen geweldsdelict betreft is de verlengingsrechter daaraan gebonden.

6.6. Het oordeel van de opleggingsrechter dat het al dan niet om een ‘geweldsdelict’ gaat kan aan de cassatierechter worden voorgelegd.5 In sommige gevallen zal de feitenrechter kunnen zijn uitgegaan van een onjuiste uitleg6 van een bepaald misdrijf door ten onrechte op dat misdrijf de kwalificatie van ‘geweldsdelict’ te plakken, maar ook kan de feitenrechter gehouden zijn oordeel dat er sprake is van een ‘geweldsdelict’ nader te motiveren met het oog op de latere toepassing van artikel 38e Sr, zeker wanneer deze kwalificatie niet van het begin af aan in het oog springt.

6.7. Ik veroorloof mij een kleine uitstap naar de voorwaardelijke veroordeling, waar voor bepaalde beslissingen van de rechter ook relevant is of de veroordeling een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Ik wijs in dit verband op het tweede lid van artikel 14b Sr en op het eerste lid van artikel 14e Sr. Artikel 14e lid 1 Sr heeft de volgende inhoud:

“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

De geschiedenis van artikel 14e Sr biedt geen opheldering over motiveringseisen die verbonden zouden zijn aan de nieuwe mogelijkheid. Wel schrijft de Minister in de Memorie van toelichting dat een uitvoerbaarheid bij voorraad voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen heeft en daarom is omringd met waarborgen.7 Maar wat de kenmerken zijn van de misdrijven die tot zo een uitvoerbaarheid bij voorraad aanleiding kunnen geven wordt niet duidelijk.

In de rechtspraak is wél nadere invulling gegeven aan de motiveringseisen die artikel 14e lid 1 Sr stelt. In HR 25 november 2014, ECLI:2014:3379 was verdachte veroordeeld voor belaging, welke er in had bestaan dat hij belastende teksten aan het slachtoffer had gestuurd, zichzelf met sandwichborden had behangen met vergelijkbare teksten, pamfletten aan willekeurige voorbijgangers heeft uitgereikt met zulke teksten, pamfletten aangeplakt in de directe woonomgeving van het slachtoffer, aan het slachtoffer zulke pamfletten heeft gegeven, en het slachtoffer heeft aangesproken en met hem is meegelopen onder het uitspreken van beledigingen en verwensingen. Het hof had de verdachte bijzondere voorwaarden opgelegd en bevolen dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zouden zijn. De Hoge Raad overwoog:

“5.5. Gelet op art. 14e, eerste lid, Sr en mede in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring niet een gedraging bevat die onmiskenbaar is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de aangever terwijl het misdrijf “belaging” niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf “dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” als bedoeld in voornoemde bepaling, diende het Hof te motiveren waarom het de dadelijke tenuitvoerlegging van de voorwaarden heeft bevolen. Dat het Hof heeft overwogen dat de verdachte “eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit”, dat “het recidiverisico als hoog gemiddeld wordt ingeschat” en dat “de verdachte op geen enkele wijze blijk [heeft] gegeven het laakbare van zijn handelingen in te zien”, is geen toereikende motivering nu daaruit niet zonder meer volgt dat aan voormeld vereiste van art. 14e, eerste lid, Sr is voldaan.”

Om redenen van doelmatigheid deed de Hoge Raad de zaak zelf af en vernietigde het bevel tot tenuitvoerlegging bij voorraad.

In HR 21 juni 2016, ECLI:2016:1239 veroordeelde het hof verdachte voor 1. Belaging en voor 2. en 3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Aan die veroordeling verbond het hof bijzondere voorwaarden en reclasseringtoezicht en beval dat die bijzondere voorwaarden en het reclasseringtoezicht dadelijk uitvoerbaar waren. De Hoge Raad overwoog dat een rechterlijke uitspraak in de regel pas tenuitvoer mag worden gelegd als zij onherroepelijk is geworden, maar dat artikel 14e Sr daarop een uitzondering biedt. Die uitzondering kan voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen hebben. Daarom zal de rechter die tot dadelijke uitvoerbaarheid beslist ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in artikel 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. De Hoge Raad vervolgde aldus:

“2.5. Het bestreden arrest voldoet niet aan deze motiveringsverplichting nu uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven niet zonder meer volgt dat de bewezenverklaarde feiten waren gericht tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat er voorts ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk feit zal begaan.”

De Hoge Raad deed vervolgens weer de zaak zelf af en vernietigde het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.

In HR 5 juli 2016, ECLI:2016:1400 was verdachte niet voor belaging maar voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, met bijzondere voorwaarden. Het hof verklaarde de algemene en bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar en weer greep de Hoge Raad in. De Hoge Raad wees weer op de verstrekkende gevolgen die een uitvoerbaarheid bij voorraad kan hebben en op de daarmee samenhangende verplichting voor de rechter om in de motivering van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk te geven te hebben nagegaan of aan de voorwaarden van artikel 14e Sr is voldaan. De Hoge Raad achtte deze motiveringsplicht geschonden nu niet zonder meer duidelijk was dat de bewezenverklaarde feiten waren gericht tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Weer deed de Hoge Raad de zaak zelf af.

6.8. Ik meen dat HR NJ 2013, 161 wat verder verwijderd staat van de kwestie welke motiveringseisen voor de vonnisrechter, die een terbeschikkingstelling oplegt, gelden dan de rechtspraak over artikel 14e lid 1 Sr. HR NJ 2013, 161 heeft betrekking op de verhouding tussen de verlengingsrechter en de vonnisrechter en geeft een wegwijzer voor de verlengingsrechter die moet nagaan of het vonnis is opgelegd voor een ‘geweldsmisdrijf’ of niet. Mijns inziens mag niet uit HR NJ 2013, 161 worden afgeleid dat de vonnisrechter, die in de bewoordingen van het zevende lid van artikel 359 Sv tot uitdrukking heeft gebracht dat de terbeschikkingstelling voor een ‘geweldsmisdrijf’ wordt opgelegd, niet het risico van cassatie neemt als het misdrijf waarvoor hij veroordeelt op geen enkele wijze als zodanig te kwalificeren is. Zoals gezegd, dat arrest richt zich tot de verlengingsrechter en geeft geen motiveringseisen voor het opleggingsvonnis. Bij artikel 14e lid 1 Sr gaat het wel om eisen die aan het vonnis zelf worden gesteld, en niet aan enigerlei verlengingbeslissing of executiebeslissing.

6.9. In de onderhavige zaak is de bewezenverklaring gekwalificeerd als ‘belaging’. De bewezenverklaring houdt niets in wat er op neer zou komen dat (mede) sprake was van een misdrijf dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van aangeefster. Omdat het hof artikel 359 lid 3, tweede volzin Sv heeft toegepast is er geen aanvulling met bewijsmiddelen opgemaakt. Behoudens de mededeling in het arrest dat de maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is, is in het arrest niets aan te treffen dat zo een duiding van de bewezenverklaring kan verklaren. Aansluitend bij de rechtspraak over artikel 14e Sr concludeer ik dat deze kwalificatie van het hof van het misdrijf waarvoor verdachte wordt veroordeeld ontoereikend is gemotiveerd.

6.10. Artikel 359 lid 7 Sv is dus naar mijn oordeel geschonden. Ik heb mij afgevraagd of de Hoge Raad de zaak eigenhandig zou kunnen afdoen door de mededeling van het hof over de aard van het bewezenverklaarde misdrijf van een tegengestelde inhoud te voorzien. Maar bij nader inzien lijkt mij dat niet aangewezen. Niet uitgesloten is immers dat het hof, anders dan de rechtbank in het dossier toch aanknopingspunten heeft aangetroffen voor zo’n kwalificatie, maar verzuimd heeft deze aanknopingspunten in het arrest te benoemen. Evenmin is uitgesloten dat het hof, zich realiserend dat een verlenging van de terbeschikkingstelling zou zijn uitgesloten, het totale sanctiepakket anders zou hebben ingericht. Vandaar dat ik Uw Raad adviseer om het arrest van het hof te vernietigen voor zover het hof een gevangenisstraf van een jaar en een terbeschikkingstelling met verpleging heeft opgelegd en de zaak terug te wijzen naar het hof.

7. De middelen 1 tot en met 3 falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vierde middel lijkt mij terecht te zijn voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover inhoudende de oplegging van een gevangenisstraf en de last tot terbeschikkingstelling met verpleging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Noot

De verdachte is door het hof veroordeeld voor belaging tot een gevangenisstraf van een jaar en tbs met dwangverpleging. De verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer gedurende een lange tijd (ook) bedreigende berichten heeft gestuurd, lange brieven heeft geschreven, op Facebook heeft lastiggevallen en meerdere malen heeft opgewacht of langs haar huis is gelopen.

Het hof heeft ter zake de oplegging van de tbs met dwangverpleging overwogen dat nu de verdachte geweigerd heeft mee te werken aan een tbs met voorwaarden, het noodzakelijk is om tbs met dwangverpleging aan de verdachte op te leggen, opdat verdachte in een dwingend kader behandeld kan worden en er voldoende mogelijkheden zijn om de veiligheid van personen te waarborgen. Het hof overwoog dat de tbs kon worden opgelegd, nu belaging behoort tot de misdrijven die worden genoemd in art. 37a eerste lid aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel en de verpleging eist.

Tot slot overwoog het hof dat de tbs is opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

In cassatie wordt geklaagd dat het hof art. 359 lid 7 Sv heeft geschonden omdat het hof heeft verzuimd zijn oordeel dat de terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen met redenen te omkleden.

De motiveringseisen die toepasselijk zijn voor deze zaak waarin door het hof de zogeheten ongemaximeerde tbs is opgelegd zijn neergelegd in de art. 37 en 38 Sr en art. 359 Sv.

Art. 37a Sr stelt als voorwaarden voor de mogelijkheid van het opleggen van de tbs-maatregel dat:

“1. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen (...) 285b (...) Wetboek van Strafrecht (...) en

2. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.”

Art. 38e eerste lid Sr bepaalt – kort gezegd – dat de tbs met dwangverpleging in beginsel gemaximeerd is tot vier jaar tenzij deze wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Art. 359 zevende lid Sv bepaalt dat indien de feitenrechter een tbs oplegt ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, een extra motiveringsplicht geldt.

Uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161) wordt duidelijk dat het aanbeveling verdient dat de rechter die de tbs oplegt in het vonnis er blijk van geeft of de tbs wel of niet is opgelegd

ter zake van een geweldsmisdrijf. Dat is met name belangrijk indien het misdrijf ter zake waarvan de tbs is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf – dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen – bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a eerste lid onder 1° Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd.

Uit het arrest van het hof blijkt onvoldoende duidelijk waarom het hof van oordeel is dat er in dit geval sprake was van een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dit oordeel verbaast ook niet, gelet op de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte die hebben geleid tot de bewezenverklaarde belaging. Uit die gedragingen blijkt weliswaar dat verdachte zich herhaaldelijk hinderlijk heeft gedragen ten opzichte van het slachtoffer en ook bedreigende berichten heeft gestuurd, maar daar houdt het ook mee op. Voor het oordeel dat er sprake is van een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon is meer nodig dan dat. Logisch ook, als bedacht wordt wat de consequentie is van deze overweging van het hof: een gemaximeerde tbs van vier jaar of een ongemaximeerde tbs.

C.J.A. de Bruijn, Officier van Justitie in Rotterdam

Voetnoten

1
De annotator betoogt in zijn doorwrochte noot dat het EHRM de hem toegestane speelruimte in de zaak Van der Velden heeft overschreden en dat de HR anderzijds aan de verlengingsrechter wel erg veel ruimte laat tot interpretatie. De vraag is voor Van Kempen of deze ruimte in Straatsburg gehandhaafd zal blijven.
2
EHRM 31 juli 2012, nr. 21203/10.
3
Kamerstukken II 1992/93, 22909, nr. 3, p. 9.
4
Kamerstukken II 1992/93, 22909, nr. 3, p. 13.
5
Kamerstukken II 1992/93, 22909, nr. 3, p. 9.
6
Volgens de Memorie van toelichting gaat het zelfs om een zuivere rechtsvraag waarvoor geen nader feitenonderzoek noodzakelijk is; Kamerstukken II 1992/93, 22909, nr. 3, p. 9.
7
Kamerstukken II 2009/10, 32319, nr. 3, p. 12 e.v.
Verder lezen
Terug naar overzicht