JIN 2017/60, Hoge Raad 14-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:221, 14/03452 (met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers)

Inhoudsindicatie

Vordering benadeelde partij door politie naar aanleiding van valse aangifte

Samenvatting

In cassatie draait het om de vraag of de politie jegens degene die is veroordeeld ter zake van “aangifte of klacht doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” (art. 188 Sr), op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW verhaal heeft voor de kosten die zij als gevolg van de aangifte heeft moeten maken.

De verdachte is veroordeeld voor poging tot oplichting en het doen van een valse aangifte. De politie heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter zake van het doen van de valse aangifte. De benadeelde partij is door het hof niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

Het middel stelt de vraag aan de orde of de politie jegens degene die is veroordeeld ter zake van “aangifte of klacht doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” (art. 188 Sr), op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW verhaal heeft voor de kosten die zij als gevolg van de aangifte heeft moeten maken.

De Hoge Raad overweegt dat het gaat om kosten die de politie maakt ter uitvoering van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van strafbare feiten. De onbeperkte mogelijkheid van verhaal van deze kosten op grond van het privaatrecht – welke mogelijkheid onder meer zou bestaan indien een verdachte, een veroordeelde of een derde onrechtmatig handelen jegens de politie kan worden verweten – verdraagt zich niet zonder meer met de bijzondere wettelijke doeleinden en regeling van de strafrechtspleging. Kostenverhaal op grond van het privaatrecht levert dan ook in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van deze publiekrechtelijke regelgeving (vgl. HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835, NJ 2003/360). Van deze onaanvaardbare doorkruising is in beginsel ook sprake bij verhaal van de kosten als gevolg van een valse aangifte. Dat is echter anders als vaststaat dat degene die de aangifte heeft gedaan niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Kostenverhaal valt in dat geval niet meer aan te merken als een onaanvaardbare doorkruising in de hiervoor genoemde zin.

Indien de politie in het strafproces als benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, rust op haar de plicht feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de hiervoor vermelde vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de last bewijs van die feiten en omstandigheden bij te brengen.

Gelet hierop is het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen, niet onbegrijpelijk.

Uitspraak

Hoge Raad:

 

(...; Red.)

Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

3.1. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, voorheen Regiopolitie Gooi en Vechtstreek, thans de politie, op de grond dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

3.2. Ten laste van de verdachte is – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – bewezenverklaard dat:

“1 primair:

zij op tijdstippen in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Laren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, Interpolis Schadeverzekeringen N.V. te bewegen tot de afgifte van een bedrag aan geld, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid met haar mededader een gewapende overval op kledingwinkel [...] te Laren in scene heeft gezet en vervolgens van die in scene gezette overval aangifte heeft gedaan bij de politie Gooi en Vechtstreek en medewerkers van de Rabobank (tussenpersoon van genoemde verzekeringsmaatschappij Interpolis Schadeverzekeringen N.V.) in kennis heeft gesteld van genoemde in scene gezette overval;

2 primair:

zij in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant 1], inspecteur van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweldpleging.”

3.3. Het Hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gooi en Vechtstreek ([betrokkene 1])

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.787,79. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8349,42. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

‘Degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.’ Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd.

Daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van schade aan de zijde van de benadeelde partij door de valse aangifte, is het in deze zaak ook de vraag of zo’n door de regiopolitie geleden schade in strafvorderlijke zin kan worden aangemerkt als een schade die in zo’n rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde, dat dergelijke vorderingen zonder een nadere wettelijke voorziening in het kader van een strafprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt.

Het hof is van oordeel dat beantwoording van deze vragen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

3.4.1. Het middel stelt de vraag aan de orde of de politie jegens degene die is veroordeeld ter zake van ‘aangifte of klacht doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is’ (art. 188 Sr), op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW verhaal heeft voor de kosten die zij als gevolg van de aangifte heeft moeten maken.

3.4.2. Het gaat hier om kosten die de politie maakt ter uitvoering van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van strafbare feiten. De onbeperkte mogelijkheid van verhaal van deze kosten op grond van het privaatrecht – welke mogelijkheid onder meer zou bestaan indien een verdachte, een veroordeelde of een derde onrechtmatig handelen jegens de politie kan worden verweten – verdraagt zich niet zonder meer met de bijzondere wettelijke doeleinden en regeling van de strafrechtspleging. Kostenverhaal op grond van het privaatrecht levert dan ook in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van deze publiekrechtelijke regelgeving (vgl. HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835, NJ 2003/360).

3.4.3. Van deze onaanvaardbare doorkruising is in beginsel ook sprake bij verhaal van de kosten als gevolg van een valse aangifte. Dat is echter anders als vaststaat dat degene die de aangifte heeft gedaan, niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Kostenverhaal valt in dat geval niet meer aan te merken als een onaanvaardbare doorkruising in de hiervoor in 3.4.2 genoemde zin.

3.4.4. Indien de politie in het strafproces als benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, rust op haar de plicht feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de hiervoor in 3.4.3 vermelde vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de last bewijs van die feiten en omstandigheden bij te brengen.

3.4.5. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het Hof dat de behandeling van de vordering van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering.

3.4.5. Het middel faalt dus.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

5 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 152 uren, subsidiair 76 dagen hechtenis, bedragen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie van de Advocaat-Generaal:

 

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1 De verdachte is bij arrest van 2 juli 2014 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 primair “medeplegen van poging tot oplichting” en 2 primair “medeplegen van aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

2 Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Namens de benadeelde partij hebben mr. Th. O.M. Dieben en mr. J.G. Geertsma, advocaten te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4 Het namens verdachte voorgestelde eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 primair.

5. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

“1 primair:

zij op tijdstippen in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Laren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, Interpolis Schadeverzekeringen N.V. te bewegen tot de afgifte van een bedrag aan geld, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid met haar mededader een gewapende overval op kledingwinkel [A] te Laren in scene heeft gezet en vervolgens van die in scene gezette overval aangifte heeft gedaan bij de politie Gooi en Vechtstreek en medewerkers van de Rabobank (tussenpersoon van genoemde verzekeringsmaatschappij Interpolis Schadeverzekeringen N.V.) in kennis heeft gesteld van genoemde in scene gezette overval;

2 primair:

zij in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant 1], inspecteur van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweldpleging.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 19 januari 2009 (als bijlage op pagina’s 2012 en 2013 van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

MELDING

Op maandag 19 januari 2009 omstreeks 17:33 uur kregen wij, verbalisanten, de opdracht te gaan naar de [a-straat 1] te Laren. Daar zou er een gewapende overval hebben plaats gevonden op de kledingzaak [A]. Deze overval zou gepleegd zijn door 2 mannen.

TER PLAATSE

Op maandag 19 januari 2009 waren wij, verbalisanten, omstreeks 17:40 uur ter plaatse op genoemd adres.

ONDERZOEK TER PLAATSE IN DE KLEDINGZAAK.

Ter plaatse gekomen liepen wij, verbalisanten, via de hoofdingang van de winkel de winkel binnen. Wij zagen dat de voordeur van de genoemde winkel open stond. Wij zagen twee vrouwen in de winkel. Wij zagen dat een (1) van deze vrouwen stond en dat de ander in een hondenmand zat. Wij zagen dat de vrouw in de hondenmand grijze tape (plakband) om haar hals had zitten. Verder zagen wij, verbalisanten, dat er veel goederen op de grond van de winkel lagen. Wij zagen dat er meerdere kledinghangers, lege dozen en sieraden op de grond lagen.

De staande vrouw verklaarde ons een buurvrouw te zijn van de kledingzaak en dat zij veel geschreeuw uit de winkel hoorde komen. Zij was vervolgens gaan kijken en trof de eigenaresse in de winkel aan. Zij zag dat deze vastgebonden in het pashokje zat. De buurvrouw had vervolgens de tape losgemaakt. Hierop had zij de politie gebeld.

De vrouw, in de hondenmand, de eigenaresse van de winkel gaf daarna gevraagd op te zijn genaamd:

[betrokkene 2]

Wonende te [plaats], [b-straat 1]

Geboren op [...]-[...]-1959 te [geboorteplaats].

Deze vrouw verklaarde aan mij, eerste verbalisant, dat zij net was overvallen door twee mannen met donkere kleding. Deze mannen kwamen haar winkel in en zij kreeg meteen een pistool tegen haar hoofd aan. Een van de mannen zei tegen haar dat ze haar mond moest houden.

Vervolgens werd zij met grijze tape vastgebonden en in het pashokje neergezet. Vervolgens kon zij niets meer zien omdat het gordijn van het pashokje dicht werd gedaan. Zij verklaarde dat het haar lukte om de tape van haar mond te krijgen. Hierop is zij heel hard gaan schreeuwen. Na een tijdje zag en hoorde zij de buurvrouw van perceel [...] het gordijn van het pashokje opzij schuiven. Hierop haalde de buurvrouw de tape om haar handen los. Hierop zag zij pas dat haar gehele zaak was leeggehaald. Haar hondje vond zij terug op de wc. Deze hadden de overvallers daar opgesloten.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 20 januari 2009 (als bijlage op pagina’s 1000 tot en met 1007 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 2]:

Ik, verbalisant, [verbalisant 1], inspecteur, Decentrale Opsporing Zuid van de Politie Gooi en Vechtstreek, verklaar het volgende.

Op dinsdag 20 januari 2009 te 14.30 uur, verscheen voor mij, in het Politiebureau, Groest 69 te Hilversum, een persoon die mij opgaf te zijn:

Naam: [betrokkene 2]

Voornamen: [...]

Geboren te: [geboorteplaats]

Geboren op: [...]/[...]/1959

Adres: [c-straat 1]

Plaats: [plaats]

Zij deed aangifte terzake overval op overige objecten namens zichzelf en de benadeelde

Naam: [A]

Adres: [a-straat 1]

Plaats: [plaats]

Gemeente: Laren

En verklaarde het volgende:

Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte.

Ik doe aangifte terzake van een overval.

Tussen maandag 19 januari 2009 te 17.00 uur en maandag 19 januari 2009 te 17.33 uur werd op de [a-straat 1], [plaats], binnen de gemeente Laren, het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Ik ben de eigenaresse van de kledingzaak [A], gevestigd aan de [a-straat 1] te Laren NH.

De zaak is in feite verdeeld in twee winkels, concepten. Het voorste gedeelte van de zaak heeft het concept nieuwe kleding en het achterste gedeelte van de zaak is het concept vintage/consignatiegoederen. Dit zijn kledingstukken van derden die ik voor/namens goede klanten verkoop. Dit is uitsluitend de duurdere merkkleding.

Gisteren, maandag 19 januari 2009 omstreeks 14:00 en 14:30 uur ben ik naar de zaak aan de [a-straat] gegaan.

Omstreeks 16:50-17:00 uur zag ik dat er twee mannen in de zaak kwamen. Meteen toen ik die mannen zag, had ik een onheilspellend gevoel. Ze kwamen binnen en liepen meteen regelrecht op mij af. Wat mij direct opviel was dat ze beiden een zwart mutsje op hadden en dat ze allebei zwarte wollen handschoenen droegen. Ik zal de mannen nu voor het gemak aanduiden als dader 1 en de ander als dader 2. Dader 1 liep recht op mij af en dader 2 liep meteen richting het stoeltje dat in de zaak staat. Dader 1 pakte mij fors bij mijn linker bovenarm beet en rechts tegen mijn hoofd kreeg ik een pistool tegen mijn hoofd gedrukt. Deze man, dader 1, zei kortaf: ‘Kop houwe!’.

De stoel moet door die andere man in de paskamer zijn gezet.

Door dader 1 werd ik op die stoel neergezet en ik werd vastgetapet. Dit ging zo snel. Nadat ik door dader 1 in de stoel in de paskamer werd ik door dader 2 vastgebonden met tape. Als eerste kreeg ik grijze tape over mijn mond geplakt. Vervolgens werden mijn handen vastgetapet voor mijn buik. Mijn handen werden rechts naast elkaar vastgetapet. Ik kon mijn handen en armen niet bewegen. Volgens mij was dit recht naast elkaar en niet kruislings over elkaar. Daarna werden mijn voeten vastgetapet. Tot slot werden mijn voeten die al vast zaten vast aan de stoel getapet. Dit tapen was zodanig strak dat ik mijn armen, mijn benen, noch mijn lichaam op de stoel kon bewegen. Ook werd er nog tape om mijn nek gedaan en dit belemmerde behoorlijk mijn ademhaling die al slecht was doordat ik uitsluitend via mijn neus adem kon halen. Nadat ik vastgetapet was gingen dader 1 en dader 2 de paskamer uit en hebben zij het gordijn van de paskamer dicht gedaan.

Ik kon mij niet bewegen, maar ik dacht bij mezelf stil blijven zitten en niks zeggen of doen. Ik heb daar een tijdlang gezeten. Ik hoorde de mannen in de zaak wel lopen. In mijn beleving zijn de mannen achterin de zaak begonnen. Ik weet echt niet hoelang ik daar gezeten heb. Ik durfde niets uit te richten en ben stil blijven zitten. Na een hele lange tijd werd het stil in de zaak en hoorde ik na korte tijd volgens mij een auto starten. Ik heb geprobeerd met mijn stoel de paskamer uit te wippen, maar mijn stoel was op een of andere manier zodanig neergezet dat ik deze niet kon verplaatsen.

Ik ben toen vreselijk gaan huilen en heb om hulp geroepen. Ik was volledig in paniek.

Na lange tijd kwam mijn bovenbuurvrouw de zaak in en heeft mij bevrijd.

Pas nadat de politie in de zaak aanwezig was, bemerkte ik dat de zaak helemaal leeg gehaald was. Alle kleding was kennelijk door de mannen weggehaald.

Ik schat dat de totale inkoopwaarde van de ontvreemde goederen ligt tussen de € 100.000,= en € 150.000,=. Dit is geschat. De verkoopwaarde is ongeveer x 2.7, dus ongeveer € 270.000,=, en € 330.000,=.

Ik ben de eigenaar van de ontvreemde goederen. Niemand had van mij toestemming deze goederen weg te nemen uit mijn zaak. Niemand had hier derhalve dan ook het recht toe. Verder ben ik door deze mannen gedurende een lange periode van mijn vrijheid ontnomen. Deze mannen hadden mij vastgetapet en in die tijd heb ik mij niet vrij kunnen bewegen.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 22 januari 2009 (als bijlage op pagina’s 114 tot en met 117 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 2]:

Op zaterdag 10 januari 2009 kwamen twee kennissen van mij de winkel binnen. Zij heten [betrokkene 3] en [verdachte] (het hof begrijpt [betrokkene 3] en [verdachte]).

U vraagt hoe de winkel in Laren heet. Deze heet [A].

Ik heb hen uitgelegd over de financiële situatie die er boven mijn hoofd hangt. De problemen die me te wachten staan in verband met de deurwaarde. [verdachte] vertelde toen dat daar oplossingen voor waren.

[verdachte] zei tegen mij dat ze er bij mij op zou terug komen.

De volgende dag zondag 11 januari 2009 is [verdachte] bij me gekomen. Ik dacht dat ze alleen zou komen maar [betrokkene 3] was er ook weer bij. Bij mij thuis kwam het volgende idee: Het idee was om de winkel, op een maandag, leeg te halen. U vraagt wat ik bedoel met leeg halen. [verdachte] vertelde mij dat de maandag, overdag, mensen naar mijn winkel zouden komen om de kleding te stelen. Ik zou dan getapet worden en ik zou dan aan de verzekering vertellen dat ik bestolen/overvallen was. [verdachte] en [betrokkene 3] zouden de kleding hij [betrokkene 3] thuis opslaan en de kleding vervolgens door verkopen. Ik zou alleen geld krijgen dat de verzekering zou uitkeren. [betrokkene 3] en [verdachte] zouden profiteren van de opbrengst van de kleding.

[verdachte] wilde graag dat het de maandag 12 januari 2009 zou gaan gebeuren. [betrokkene 3] gaf aan dat dit te snel was en dat we het de volgende maandag zouden doen. Dit is dus afgelopen maandag geweest, 19 januari 2009.

U vraagt waarom de maandag. Dit omdat ik op maandag alleen zou staan. Ik ben op maandag ochtend gesloten dus werd het de middag. Het zou later in de middag gebeuren omdat het dan al donker zou zijn.

Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik niet wilde weten hoe het ging gebeuren en wie het zouden gaan doen. We spraken wel af dat [verdachte] als klant zou komen voordat de kleding zou zijn weggehaald. Hiermee wilden we de illusie wekken dat [verdachte] als klant een aantal dure kledingstukken had gekocht zodat ik kon zeggen dat ook kasgeld was gestolen.

Uiteindelijk is [verdachte] niet gekomen om mij los te maken, althans ik was zo vastgetapet dat ik in paniek raakte en bijna geen adem kreeg, op een gegeven moment kon ik adem krijgen en dus ook roepen en dat heb ik gedaan en hierop kwam mijn bovenbuurvrouw naar beneden en zij maakte mij los en belde de politie.

U vraagt mij wat ik tegen de bovenbuurvrouw vertelde.

Dat ik was overvallen en de hele winkel was leeggehaald.

Ik was in paniek omdat ik dacht dat ik stikte.

Ik wil nog vertellen dat ik van [verdachte] ook de opdracht had gekregen om als de politie kwam ik moest zeggen dat ik door twee Oostblok types was overvallen. Ik moest ook van [verdachte] zeggen dat ik bedreigd was met een pistool.

Op zondag 11 januari is alles dus besproken en het zou gaan gebeuren in de namiddag van maandag 19 januari 2009.

U vraagt mij hoe laat de mannen nu ongeveer in de winkel waren. Dit was omstreeks 16.45 uur. De mannen zouden er eigenlijk om 17.15 uur zijn, dit vertelde [verdachte] toen zij die maandag bij mij in de winkel was. [verdachte] vertelde mij ook dat de bus waar alle kleding in vervoerd zou gaan worden al een week gehuurd was door de mannen.

U vraagt mij te vertellen vanaf het moment dat de mannen mijn winkel binnenkwamen.

Er kwam eerst 1 man binnen, deze man had hele blauwe ogen en had blond haar, hij was zonnebank bruin en hij was rond de 45 jaar denk ik, ik ken deze man niet. De man zei gedag en de man pakte een stoel en zetten deze in de paskamer. De man zei hup de paskamer in.

U vraagt mij of ik mij toen al realiseerde dat het hier ging om de in scene gezette overval.

Ja.

Ik moest dus in de paskamer op een stoel gaan zitten en ik werd door de man rondom mijn hele lichaam vastgetapet, mond, keel en een groot deel van mijn lichaam. De man sloot ook het gordijn van de paskamer waardoor ik niets meer kon zien. Ik hoorde de mannen tegen elkaar zeggen laten we achteraan beginnen. Op een gegeven moment hoorde ik na enige tijd een motor starten van kennelijk een auto. Ik dacht dat de mannen weg waren, ik raakte in paniek omdat de tape vrij strak zat en ik geen adem kreeg. Verder heb ik dus vervolgens de tape zover losgekregen dat ik kon roepen en hierop heeft mijn bovenbuurvrouw mij bevrijd en de politie gebeld.

De politie is gekomen en ik heb vervolgens het bedachte verhaal verteld en zou dan later geld incasseren van de verzekering met behulp van de aangifte.

U vraagt mij wie hiervan allemaal op de hoogte waren. Voor zover ik weet alleen wij drieën, [betrokkene 3], [verdachte] en ik en die twee mannen.

4. Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 26 september 2013 opgemaakt door de raadsheer-commissaris strafzaken in het hof, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 2]:

Ik heb [verdachte], ik noem haar overigens [verdachte], jaren geleden leren kennen.

[verdachte] stond bij mij op een zondag bij de voordeur van mijn huis. Er stond iemand bij haar. Dat was ene [betrokkene 3]. Ik kende deze [betrokkene 3] niet echt. Hij was voor die tijd één keer met [verdachte] mee geweest naar de winkel in Laren.

Toen ze binnen waren werd er gesproken over een oplossing voor mijn financiële problemen. [verdachte] opperde toen dat zij uit mijn winkel de kleding konden weghalen, zodat ik dat kon claimen bij de verzekering. Ze zouden me dan ook vastbinden.

De raadsman vraagt mij of er die zondag ook gesproken is over het ‘hoe’ van de overval. Ze wilden een busje gaan huren en mij vastzetten in de paskamer. Volgens mij werd het zo bedacht: [verdachte] zou bij mij die maandag in de winkel komen en een bontjas meenemen en de klanten die daarna binnen zouden komen zouden de geregelde overvallers zijn. Voor de goede orde, er is die zondag wel over ‘een maandag’ gesproken, maar of dat de maandag direct na die zondag was, weet ik niet meer. Nu ik er zo over nadenk, weet ik weer dat ze zelfs de datum 19 januari genoemd hebben.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 22 januari 2009 (als bijlage op pagina’s 322 tot en met 325 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 3]:

[betrokkene 2] heeft ook twee winkeltjes in Laren. Ik bezocht haar dan ook weleens. Zo’n twee weken geleden was ik daar ook. [betrokkene 2] vertelde mij dat ze veel problemen had met haar aanstaande ex-man genaamd [betrokkene 4]. [betrokkene 2] vertelde dat zij door hem veel financiële problemen had. [betrokkene 2] vertelde mij dat ze een plan had bedacht om de verzekering op te lichten. Ze vroeg aan mij of ik net alsof wilde doen om een overval in scene te zetten. Ze wilde dan de overval opgeven bij de verzekering en zo financieel er beter van worden.

Ik zou dan haar winkel leeg halen. De goederen in de winkel zou ik gebruiken voor mijn handel. Ik zou de goederen verkopen op de markt. Dit is namelijk mijn werk. Nadat we dit besproken hadden ben ik weggegaan. Ik ben toen op zaterdag 10 januari 2009 in de middag nog bij haar geweest. We hebben het toen bij haar in de winkel nog eens besproken. We bespraken dat we haar winkel zouden leeg halen en dat we net zouden doen alsof ze zou zijn overvallen.

Ik heb haar gezegd dat ik het zou bespreken met een compagnon van mij genaamd [betrokkene 5]. Zondag 11 januari 2009 heb ik met mijn compagnon [betrokkene 5] de situatie besproken. Hij had er oren na.

Ik heb hem gezegd dat hij naar de winkel van [betrokkene 2] moest gaan en het moest regelen met [betrokkene 2]. [betrokkene 5] heeft toen ook [betrokkene 6] (het hof begrijpt [betrokkene 6]) er bij betrokken. [betrokkene 6] is een man die ik ken van de markt. Hij verkoopt ook kleding en gordijnen en nog wat van die handel.

We hebben met zijn drieën toen besloten dat we een overval in scene zouden zetten. Althans [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zouden de winkel leeg halen. [betrokkene 2] zou zogenaamd overvallen worden. Zaterdag 17 januari 2009 ben ik met [betrokkene 6] en [betrokkene 5] naar Laren gegaan.

Althans ik ben alleen naar Laren gegaan en [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zijn samen met de auto gegaan. [betrokkene 6] en [betrokkene 5] moesten weten waar de winkel was. Ik heb daar gesproken met [betrokkene 2]. [betrokkene 6] en [betrokkene 5] hebben in Laren gekeken waar de winkel was. Ze zijn niet mee naar binnen gegaan. [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben goed gekeken hoe ze de auto moesten neer zetten als de winkel zou worden leeg gehaald. Dit hebben we ook allemaal nog met elkaar besproken de zondag 18 januari 2009.

[betrokkene 2] heeft met mij besproken hoe ze wilde vast gebonden worden in de winkel als [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zouden komen.

Ik heb dit vervolgens ook met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] besproken op zondag 18 januari.

Uiteindelijk zijn [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met een witte bestelbus op maandag 19 januari 2009 naar Laren gegaan en hebben daar de winkel leeg gehaald en [betrokkene 2] vast gebonden.

Op maandag 19 januari 2009 kwamen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met de witte bestelbus bij mij thuis. Ik weet wel dat het een huurvoertuig is. [betrokkene 6] heeft de auto gehuurd op zijn naam maar ik heb hem opgehaald omdat ik een rijbewijs heb en zij niet.

Toen zij die maandag avond omstreeks 19:15 uur bij mij thuis kwamen hebben [betrokkene 5] en [betrokkene 6] de bus bij mij voor de deur neer gezet.

De volgende dag zag ik alle goederen in de bus liggen. Het waren de goederen uit de winkel van [betrokkene 2].

[betrokkene 5] en [betrokkene 6] vertelden mij dat het gelukt was die avond op maandag 19 januari. [betrokkene 5] vertelde me hoe ze het gedaan hadden. Hij vertelde dat ze [betrokkene 2] vast gebonden hadden met tape. Ik weet dat [betrokkene 5] vertelde dat hij haar om haar lichaam had getapet. Hij vertelde dat hij haar niet strak had getapet omdat ze ook weer los moest komen. Ze kon los komen want hij had ook een schaar neer gelegd om haar zelf te kunnen bevrijden.

De bedoeling was om de kleding te verkopen. Tussen de goederen zat ook merkkleding. Dit kan ik niet op de markt verkopen. Ik heb in het verleden weleens eerder merk spullen verkocht bij particulieren. Het was de bedoeling omdat ook nu zo weer te doen en er beter van te worden.

[betrokkene 2] zou alles opgeven bij de verzekering en haar aandeel krijgen via de verzekering.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 22 januari 2009 (als bijlage op pagina’s 326 en 327 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 3]:

U confronteert mij nu met het feit dat er ook nog een [verdachte] bij betrokken is geweest.

Dat klopt. Deze vrouw ken ik al jaren. Ze heet [verdachte]. Ze woont in [plaats] aan de [d-straat], ik geloof nummer [1].

[verdachte] is ook op de hoogte van deze overval die in scene is gezet om de verzekering op te lichten en de kleding op deze manier te verkopen.

[verdachte] is bij het gesprek geweest tussen mij en [betrokkene 2]. Dat was ook bij [betrokkene 2] thuis. [verdachte] heeft bedacht dat de kleding uit de winkel gehaald moest worden om de verzekering op te lichten. Althans dat was de opzet.

[verdachte] is dus ook betrokken bij het hele verhaal.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 21 januari 2009 (als bijlage op pagina’s 209 tot en met 215 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 5]:

Ik heb een tijdje geleden van een maat van mij gehoord dat er een vrouw was die een zaakje had die voor mij een handeltje had.

Het handeltje zou kleding zijn in wat kleinere maten die niet makkelijk verkocht konden worden.

De vrouw zou problemen hebben met haar ex man. Nu wilde zij de verzekering tillen en dan had ik een handeltje om te verkopen.

Ik heb via mijn maatje contact gekregen met deze vrouw en ik ben er twee weken geleden geweest.

Ik ben daar geweest en heb met haar afgesproken hoe ik het een en ander moest regelen.

Ik hoorde dat zij zei: ‘Als je dan op maandag komt dan moetje wel laat komen, een beetje aan het einde van de dag als het gaat schemeren, ik ga dan wel in het pashokje zitten en als jij dan de winkel even leeghaalt, dan is het goed’.

Ik vroeg haar of ik verder nog iets moest doen. Ik hoorde dat zij zei: ‘Ja, je moet mij dan wel vastbinden in het hokje’. Ik vroeg haar welke maandag ik dan moest komen om de zaak leeg te halen. Zij vertelde mij dat het deze maandag moest gebeuren. Ik moest dan een bus meenemen en daarin kon ik dan alle kleren laden. Zij zou dan zelf in het pashokje gaan zitten en dan zou zij net doen of zij overvallen was.

Ik moest ook tape kopen om haar daar mee vast te binden.

Ik was er eerst om ongeveer half vier. Maar toen was het nog heel licht, dus ik ben nog een rondje gaan rijden. Ik kwam omstreeks 17.00 uur terug en ik heb toen de bus neergezet.

U vraagt mij of ik zelf in de bus heb gereden. Nee, [betrokkene 6] reed in de bus.

U vraagt mij of [betrokkene 6] wist waar hij moest zijn. Ja, [betrokkene 6] kende het winkeltje al van die twee weken daarvoor toen er een afspraak met die vrouw werd gemaakt over het leeghalen van haar winkel.

U vraagt mij of ik kan aangeven of ik behalve de kleding nog iets anders zou krijgen voor het leeghalen van de winkel. Nee. Ik kreeg niets. Het was heel anders. Zij zou namelijk geld krijgen van de verzekering en zij wilde wel delen in de winst van de kleding die ik zou verkopen. Nou ik ben niet gek. Ik had beter de helft van haar kunnen vragen van het verzekeringsgeld.

U vraagt mij of [betrokkene 6] iets zou krijgen voor het leeghalen van de winkel. Nee, hij moest met mij de winst delen van de verkoop van de kleding.

U vraagt mij hoe wij de kleding zouden gaan verkopen. Wij zouden het gewoon doorgaan verkopen.

[betrokkene 6] heeft de bus op zijn naam gehuurd en [betrokkene 3] had een rijbewijs, het contract is afgesloten op de naam van [betrokkene 6]. Wij hadden hem voor een maand gehuurd.

U legt mij uit dat ik verdacht wordt van het plegen van een gewapende overval en dat dat ook de reden is dat ik op deze manier ben aangehouden.

Ja, maar ik heb helemaal niemand overvallen. Het is echt niet zo gegaan. Ik zou samen met [betrokkene 6] die spullen uit de winkel halen en ik had dan een handeltje samen met hem.

Ik heb haar echt niet overvallen.

Toen ik in de zaak kwam ging zij direct in het pashokje zitten. Ik zei nog: ‘Over tien minuten zit het erin’. Zij deed het gordijn dicht. Ik zag dat haar hondje telkens naar buiten liep, dus ik heb hem opgepakt en liep naar de vrouw. Ik vertelde haar dat liet hondje telkens naar buiten liep. Zij zei: ‘Doe hem maar in het toilet en dat zit in het andere hokje in het hoekje’.

U vraagt mij of ik kan vertellen wat ik precies uit de winkel heb meegenomen.

Alles wat in het huis in Amsterdam Zuid-Oost ligt. Er was nog niets vanaf. Het zijn ongeveer vier kledingrekken, twee zakken, maar ik weet niet wat er precies allemaal in zat. O ja en de pop die moest ik ook meenemen. Ook moest ik twee schilderijen meenemen die daar stonden.

Wij hebben toen alles in het huis van [betrokkene 3] gezet.

U vraagt mij nogmaals naar de naam van [betrokkene 6] en hoe hij verder heet. Het is [betrokkene 6].

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari.2009 (als bijlage op pagina’s 604 tot en met 606 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 7]:

U vertelt mij dat u mijn telefoon af heeft geluisterd. U confronteert mij met een aantal gesprekken over gestolen kleding in het huis van [betrokkene 3] en daar kan ik u het volgende over vertellen.

Ik erken dat ik deze gesprekken heb gevoerd. Ik weet dat [betrokkene 3] en [verdachte] gestolen kleding in huis hadden. Ik denk zondag 18 januari 2009 vertelde [betrokkene 3] mij dat hij zo dadelijk hele dure merkkleding binnen zou krijgen. [betrokkene 3] vertelde mij, dat een (mij onbekende) vrouw, hem had gevraagd wat voor hem te doen. Ik weet niet precies wat hij daarmee bedoelde maar toen de kleding in huis was wist ik wel dat dit van misdrijf afkomstig was. [betrokkene 3] heeft zeer geregeld kleding in huis, want daar handelt namelijk hij in. Deze dure merkkleding en in deze grote hoeveelheden was heel bijzonder en had ik uiteraard ook nog nooit eerder gezien.

Tussen de kleding zag ik blouses van € 300,= en € 500,= hangen die [betrokkene 3] en [verdachte] wilden gaan verkopen vanaf € 50,=. Ook truien van wel € 5000,= heb ik zien hangen.

[verdachte] is een vriendin van [betrokkene 3]. Zowel [betrokkene 3] als [verdachte] hadden bemoeienis met deze kleding. [verdachte] is de dinsdag dat de kleding binnen kwam, de gehele dag bij [betrokkene 3] in huis geweest en heeft de kleding gesorteerd en aan de kledingrekken gehangen. Ik heb zelf gezien dat het inderdaad hele dure merkkleding was van bv. Dolce & Gabbana, Armani, Gucci, Prada etc. [betrokkene 3] vertelde mij daar ook over dat het hele dure merkkleding was.

De prijskaartjes aan deze kleding waren voorzien van de naam van de zaak. De naam van deze zaak was [A].

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2009 (als bijlage op pagina’s 404 tot en met 406 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 6]:

Ik erken dat ik betrokkenheid heb bij een geënsceneerde overval op een kledingzaak te Laren NH.

Ongeveer begin januari benaderde een goeie maat van mij, genaamd [betrokkene 5], mij met de vraag of ik samen met hem een klusje wilde klaren.

[betrokkene 5] vertelde mij dat het de bedoeling was om een kledingzaak leeg te halen. Dit zou op verzoek onder andere zijn van de eigenaresse van de zaak. Deze vrouw zou geldproblemen hebben en wilde de verzekering oplichten door aangifte te doen van een overval op haar kledingzaak.

Begin januari 2009 ben ik samen met [betrokkene 5] naar Laren gereden en hebben een zogeheten voorverkenning gedaan. [betrokkene 5] en ik hebben bij het hertenkamp afgesproken met [betrokkene 3] en [verdachte]. Ik ben samen met [betrokkene 5], [verdachte] en [betrokkene 3] de winkel ingegaan. Met name [verdachte] en [betrokkene 3] hebben met de eigenaresse gesproken. Ik heb meer op de kleding gelet en wat er allemaal door ons meegenomen moest worden. Ik heb geen deel genomen aan dit gesprek. [verdachte], [betrokkene 5] en [betrokkene 3] bespraken met de eigenaresse dat wij op maandag 19 januari 2009 tegen sluitingstijd langs zouden komen. De vrouw zou door ons vastgetapet worden en vervolgens zouden wij de kleding uit de winkel halen en wegbrengen met een busje. De kleding zouden wij naar de ‘ woning van [betrokkene 3] brengen. [betrokkene 3], [betrokkene 5], [verdachte] en ik zouden de kleding gaan verkopen en de opbrengst van de kleding zouden wij over ons vieren verdelen.

Ik heb op 19 januari 2009 een auto gehuurd. Dit betrof een Mercedes Benz Sprinter kleur wit. Als bestuurder heb ik opgegeven de naam van [betrokkene 3]. Dit omdat ik zelf niet in het bezit ben van een rijbewijs. Op 19 januari 2009 ben ik omstreeks 14:30 uur naar de woning van [betrokkene 3] gereden. Daar heb ik [betrokkene 5] opgehaald en toen zijn wij samen met de gehuurde Sprinter naar Laren gereden. Ik reed als bestuurder en [betrokkene 5] zat als passagier in de auto. [betrokkene 5] en ik zijn nog naar Weesp gereden. Bij de Karwei aldaar hebben [betrokkene 5] en ik nog breed tape gekocht. [betrokkene 5] heeft deze tape afgerekend. Deze tape hadden wij nodig om de eigenaresse mee vast te tapen. Zo was de afspraak die wij gemaakt hadden. [betrokkene 3] is niet meegegaan. [verdachte] ([verdachte]) heb ik daar in de woning van [betrokkene 3] toen niet gezien. [betrokkene 5] en ik kwamen omstreeks 16:00 a 16:30 uur in Laren aan. We waren wat te vroeg en hebben nog een keer een rondje gereden.

Ik parkeerde de bus langs de straat. [betrokkene 5] is naar binnen gegaan. [betrokkene 5] heeft die vrouw meteen vastgetapet. Ik ben toen meteen gaan laden. Er stonden al twee rekken voor de deur, op de oprit. Met die rekken ben ik begonnen te laden. [betrokkene 5] en ik hebben toen de hele winkel leeggehaald. Ik bedoel daarmee alle kleding. We zijn achterin begonnen en langzaam naar voren gewerkt. Waar de eigenaresse was weet ik niet. Ik heb haar niet gezien. Ik weet dat [betrokkene 5] haar vast getapet heeft, maar waar hij haar had gelaten wist en weet ik niet.

[betrokkene 5] en ik hebben alle kleding uit de zaak meegenomen. Ook hebben wij twee schilderijen meegenomen en een paspop. Na de geënsceneerde overval zijn [betrokkene 5] en ik naar de woning van [betrokkene 3] gereden. Wij kwamen daar omstreeks 20:00 uur aan. Ik heb toen de bus in een van de vakken geparkeerd. Ik ben toen met mijn eigen bus naar huis gereden. De volgende dag ben ik met mijn bus gewoon naar de markt gereden. [betrokkene 5] en [betrokkene 3] hebben de bus, de Mercedes Benz Sprinter leeggehaald.

Ik erken dat ik medewerking heb verleend aan oplichting. Ik wist dat de eigenaresse valselijk aangifte zou gaan doen van een overval en de verzekering zou berichten dat de kleding van haar door een overval zou zijn ontvreemd. Zoals gezegd zouden [betrokkene 5], [betrokkene 3], [verdachte] en ik de opbrengst van de verkoop van de kleding delen.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2009 (als bijlage op pagina’s 508 tot en met 510 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:

Ik erken dat ik de zondag voor de overval samen met een vriend van mij, genaamd [betrokkene 3], op visite ben geweest, thuis in de woning bij [betrokkene 2].

Ik ben inderdaad vlak voor de overval in de winkel van [betrokkene 2] geweest. Ik was daar op invitatie van [betrokkene 2]. Ik kwam geregeld in de winkel en zo ook die maandag 19 januari 2009.

11. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 18 juni 2014, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

[betrokkene 2] heeft [betrokkene 3] en mij op zondag 11 januari 2009 bij haar thuis, uitgenodigd. Tijdens dat gesprek kwam aan de orde dat [betrokkene 2] financiële problemen had en hebben we besproken hoe die problemen konden worden opgelost. Een voorstel dat wij hebben besproken, was om de verzekering op te lichten door een schijnoverval op haar winkel te laten plaatsvinden.

Op 19 januari 2009 was ik in de winkel van [betrokkene 2] aanwezig.

12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 11 februari 2009 (als bijlage op pagina’s 20 tot en met 23 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 11]:

Ik doe namens Interpolis Schadeverzekeringen NV aangifte van oplichting van genoemde maatschappij. Tussen maandag 19 januari 2009 te 18.00 uur en woensdag 11 februari 2009 te 10.00 uur werd op [adres], het feit gepleegd.

Ik ben als toedracht-onderzoeker werkzaam en in vaste loondienst bij de verzekeringsmaatschappij Interpolis Schadeverzekeringen NV te Tilburg. Ik ben bevoegd en gerechtigd namens deze verzekeringsmaatschappij aangifte te doen.

Op dinsdag 20 januari 2009 te 10:27 uur hebben wij via onze tussenpersoon, de Rabobank te Bussum een melding gekregen van een gewelddadige gewapende overval op de kledingzaak [A], gevestigd te Laren, [a-straat 1].

De zaak is door de Rabobank in behandeling genomen door [betrokkene 8]. Zij heeft de melding verwerkt en via de gebruikelijke kanalen telefonisch aan Interpolis Schadeverzekeringen NV doorgegeven.

Door de maatschappij werd het schadenummer, [0001], verstrekt en onder dit schadenummer werden alle registraties verwerkt.

De melding was een zakelijke melding, echter de klant was ook particulier verzekerd bij onze maatschappij. De tussenpersoon verzocht of deze privé schade met deze zakelijke melding gecombineerd kon worden. Dit is ook gebeurd. Zowel de zakelijke als de privé meldingen werden door ons onder het zelfde schadenummer verwerkt.

Diezelfde dag te 13:57 uur kregen wij via dezelfde tussenpersoon, de Rabobank te Bussum, [betrokkene 9] de particuliere schademelding van eerder genoemde gewelddadige overval op eerder genoemde kledingzaak. Door ons werd voor de particuliere schade toen opnieuw een schadenummer verstrekt, te weten [0002].

Door onze tussenpersoon, de Rabobank te Bussum werd de schade verwerkt en doorgegeven aan ons, met de vermelding dat de klant bijzonder ontdaan was van het voorval en niet bij machte was de melding zelf door te geven.

Op 21 januari 2009 werd om 13:04 uur door de schadebehandelaar telefonisch contact opgenomen om een afspraak te maken omtrent de schade. Zij, de verzekeringnemer, vertelde dat zij op dat moment op het politiebureau zat en dat alle ontvreemde goederen teruggevonden waren. Door de Rabobank werd als het ware bemiddeld en informatie ingewonnen over het voorval. Er werd nog niet over bedragen gesproken.

Naar mijn weten is bij ons nog steeds niet bekend wat er bij de overval ontvreemd zou zijn. Het enige dat ik kan vermelden is dat zowel zakelijke als persoonlijke bezitting met gebruikmaking van geweld en bedreiging zijn ontvreemd. Over deze goederen werd bij ons een claim ingediend.

De zakelijke klant (verzekeringnemer) en de particuliere klant (verzekeringnemer) [A] zijn bij ons verzekerd voor respectievelijk zakelijk: eigen voorraadkleding € 50.000,=, voorraad van derden € 50.000,= en particulier is zij voor de inboedel verzekerd tegen € 200.000,=. Dit betreffen de maximale bedragen.

De schadeclaim werd door de genoemde verzekeringnemer bij ons ingediend.

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 8 juli 2009 (als bijlage op pagina’s 1075 tot en met 1077 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 10]:

Ik ben werkzaam als verzekeringsspecialist, bij de Rabobank Noord-Gooiland, gevestigd te Bussum aan de Eslaan 1. Dit betreft het hoofdkantoor. Ik ben zelf werkzaam op de locatie Naarderstraat 10 A te Blaricum, alwaar de verzekeringsafdeling is gevestigd.

In mijn portefeuille zit onder andere een mevrouw, welke is genaamd [betrokkene 2], beter bekend als [A]. Dit betreft haar handelsnaam. [betrokkene 2] had haar verzekering via ons lopen. Ik ben met [betrokkene 2] in contact gekomen nadat haar portefeuille door mij van een collega was over genomen sinds 1 november 2008.

Op dinsdag 20 januari 2009, heb ik kennis genomen van een gewapende overval, gepleegd op de kledingwinkel [A], gevestigd aan de [a-straat 1] te Laren. Ik ben hierover gebeld door een collega van de binnendienst, genaamd [betrokkene 9], die mij verzocht om zo snel mogelijk bij [A] langs te gaan.

Nadat ik hiervan kennis heb genomen, ben ik naar genoemd adres gegaan, alwaar ik een lege winkel aantrof. Ik heb toen telefonisch contact gezocht met [betrokkene 2]. Deze oproep werd door haar beantwoord en vervolgens heb ik met haar afgesproken dat ik haar zou bezoeken. Zij was op dat moment ergens in een villawijk in Laren. Nadat ik werd binnen gelaten in de woning waar [betrokkene 2] op dat moment was ben ik met haar in gesprek gegaan. Zo’n eerste gesprek heeft een groot maatschappelijk karakter omdat slachtoffers van een dergelijke overval over het algemeen erg emotioneel zijn. Zo ook [betrokkene 2]. Dit gesprek heeft ongeveer een uur geduurd. Dit gesprek is daarna beëindigd.

Donderdag 22 januari 2009 heb ik wederom contact opgenomen met [betrokkene 2]. Dit betrof een telefonisch contact. Tijdens dit contact bemerkte ik dat [betrokkene 2] nog erg overstuur was. Een aantal dagen na het telefonische contact, werd ik gebeld door [betrokkene 2]. Ik weet niet meer precies welke dag dat was.

[betrokkene 2] vertelde mij dat de kleding uit haar winkel waren terug gevonden in Amsterdam. [betrokkene 2] vertelde mij dat zij de kleding terug zou krijgen als de verdachte afstand zouden doen van de kleding. Ik heb [betrokkene 2] gevraagd om mij in kennis te stellen als dat gebeurd zou zijn. Ik heb daarbij tegen [betrokkene 2] gezegd dat als zij de kleding terug had, dat zij goed moest kijken of er schade was ontstaan aan de door haar terug gekregen kleding.

[betrokkene 2] heeft aan dat verzoek voldaan want zij heeft mij later gebeld dat zij de kleding terug had gekregen en dat er verder geen schade aan de kleding was ontstaan. Aan de hand van de melding van [betrokkene 2] hebben wij dit door gemeld naar Interpolis.

Door te bellen met de, Rabobank en te melden dat zij was overvallen, heeft zij destijds de procedure in werking gezet, dat wij Interpolis hebben gewaarschuwd als verzekeringsmaatschappij.

Middels de media heb ik begrepen dat het mogelijk om oplichting zou gaan.”

 

(...; Red.)

 

16. Beoordeling van het middel van de benadeelde partij

17. Het middel klaagt dat het hof zijn oordeel dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.

18. Het Hof heeft met betrekking tot de benadeelde partij het volgende overwogen:

“Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gooi en Vechtstreek ([betrokkene 1])

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.787,79. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8349,42. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

‘Degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.’ Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd.

Daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van schade aan de zijde van de benadeelde partij door de valse aangifte, is het in deze zaak ook de vraag of zo’n door de regiopolitie geleden schade in strafvorderlijke zin kan worden aangemerkt als een schade die in zo’n rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde, dat dergelijke vorderingen zonder een nadere wettelijke voorziening in het kader van een strafprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt.

Het hof is van oordeel dat beantwoording van deze vragen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

19. Art. 361, lid 3 Sv luidt als volgt:

“Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”

20. Met de introductie (ten gevolge van een amendement) van het evenredigheidscriterium1 in de plaats van het criterium van de eenvoud van de aard van de vordering is een verruiming van de mogelijkheid tot behandeling van civiele vorderingen in het kader van het strafproces beoogd.2 Volgens de toelichting op het amendement moet de vordering van de benadeelde partij niet reeds worden afgewezen omdat de vordering wordt betwist, de vordering een hoog bedrag betreft, de onderbouwing van de vordering op een enkel punt tekort schiet of de rechter het horen van een enkele getuige of deskundige noodzakelijk acht. De verruiming wordt gekwalificeerd als subtiel.3 Of de wetswijziging werkelijk tot enige verruiming in de praktijk heeft geleid, kan nog niet of nauwelijks worden vastgesteld.4 De introductie van het evenredigheidscriterium lijkt in ieder geval geen grote verschuiving ten opzichte van het oude recht.5 Bovendien is duidelijk dat de Hoge Raad de feitenrechter ruimte wil laten bij de beslissing of de behandeling van een vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.6

Afwegingen van feitelijke aard kunnen daarbij een rol spelen.

21. Het middel betwist niet dat het hof het juiste criterium (het evenredigheidscriterium) heeft toegepast en de door het hof gebezigde bewoordingen wijzen daar ook op. Ik zie geen aanleiding daarop nader in te gaan nu de klacht zich beperkt tot de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Ik wijs er op dat er nogal wat zaken zijn waarin de Hoge Raad het enkel noemen van het evenredigheidscriterium toereikend acht voor de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering.7 Gelet daarop is de navolgende bespreking van de motivering door het hof reeds min of meer ten overvloede.

22. Het hof laat in het midden (‘daargelaten’) of de benadeelde schade heeft geleden door de valse aangifte. Dat het ontstaan van schade als gevolg van de valse aangifte voor het hof niet voor zich spreekt, is – als ik het goed zie – ook af te leiden uit het proces-verbaal van de zitting van 18 juni 2014 (p. 5): van de kant van het hof is gevraagd waarom er bij zedenzaken na een valse aangifte geen schadevergoeding wordt gevorderd, wat de schade van de politie is en is opgemerkt dat het de vraag is of er sprake is van schade aan de zijde van de politie. Het spreekt voor het hof kennelijk niet vanzelf dat er schade is geleden en bij die stand van zaken vergt het kennelijk nader onderzoek. Er wordt niet alleen schade in verband met gewerkte uren tegen een laag uurtarief (zie p. 7 van het zojuist vermelde proces-verbaal) gevorderd, maar onder meer ook de overheadkosten worden geclaimd. Bij die overheadkosten moet onder andere aan telefoonkosten, betrokkenheid van de leidinggevende, de administratie en de meldkamer worden gedacht, aldus de advocaat van de benadeelde partij (zie opnieuw p. 7 van het zojuist vermelde proces-verbaal). In ieder geval zijn die overheadkosten niet volledig nader bepaald (‘onder andere’) en rijst de vraag of dergelijke kosten niet zozeer vaste kosten zijn dat er geen verband is met de valse aangifte. Reeds gelet hierop vind ik het niet onbegrijpelijk dat het hof in het midden laat of de gevorderde schade is geleden en evenmin is het onbegrijpelijk dat het vinden van een antwoord op deze vraag een onevenredige belasting van de strafprocedure betekent.

23. Ook beantwoording van de vraag of een door de regiopolitie geleden schade in strafvorderlijke zin kan worden aangemerkt als een schade die in zo’n rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde, dat dergelijke vorderingen zonder een nadere wettelijke voorziening in het kader van een strafprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt, levert volgens het hof een onevenredige belasting van het strafproces op. Langemeijer schrijft: “De maatstaf ‘rechtstreeks’ heeft betrekking op de kring van personen, aan wie schadevergoeding kan worden toegewezen in het kader van het strafproces (...).”8 De overweging van het hof lees ik niet zo dat in het algemeen de vraag aan de orde is of de politie in het strafproces schade kan vorderen. Dat is immers bepaald niet uitgesloten. Het hof stelt de vraag centraal of de politie na het doen van valse aangifte schade kan vorderen in verband met onderzoek naar het feit ter zake waarvan vals aangifte is gedaan.9 Is dat niet gewoon de taak van de politie die wordt gefinancierd uit de algemene middelen? Een (ander) sterk tegenargument tegen vergoeding van schade wegens door de politie gemaakte kosten vormt volgens mij dat de strafbaarstelling van het doen van een valse aangifte niet beoogt de belangen van de politie te beschermen.10 De vraag heeft een zekere complexiteit en een bevestigende beantwoording roept veel nieuwe vragen op: kan namens het openbaar ministerie in een dergelijk geval eveneens schade worden gevorderd en hoe zit het met de proceskosten die ten laste van het gerecht komen en de kosten van de tenuitvoerlegging van de sanctie? Gelet hierop is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

24. In de cassatieschriftuur wordt er op gewezen dat een beslissing van de civiele kamer van het hof Amsterdam11 een gemotiveerde toewijzing van de vordering tot schadevergoeding voor kosten ten gevolge van een valse aangifte bevat. Voorts is het belang van de benadeelde partij bij een beslissing van de Hoge Raad in het bijzonder aan de hand van doelmatigheidsargumenten nog toegelicht in een als bijlage bij de cassatieschriftuur gevoegde brief van het Hoofd juridische zaken van de Korpsstaf juridische zaken van de Nationale politie. De toelichting komt er op neer dat de rechtspraak niet eenduidig is en dat er behoefte is aan een principiële beslissing van de Hoge Raad op dit punt. De behoefte bij de politie aan duidelijkheid voor de praktijk is niet onbegrijpelijk, maar het stellen van de vraag in het kader van deze strafprocedure geeft weinig blijk van begrip voor het evenredigheidscriterium dat ook zijn doorwerking in de cassatiefase heeft. Het had voor de hand gelegen om naar aanleiding van de (kennelijk proef) procedure voor het hof Amsterdam het instellen van cassatie te bevorderen. In het voorgaande heb ik al laten doorschemeren aarzelingen te hebben bij de mogelijkheid voor de politie om als benadeelde partij onderzoeksschade te claimen. In het kader van de voorliggende strafzaak ligt een principiële beslissing niet voor de hand. In het geval uw Raad in deze zaak niet alleen de mogelijkheid, maar ook aanleiding ziet om wel een principiële beslissing op dit punt te nemen geef ik u in overweging mij in de gelegenheid te stellen aanvullend te concluderen.

25. De slotsom is dat het middel van de benadeelde partij faalt en al eerder is geconcludeerd dat zulks ook geldt voor de middelen van de kant van verdachte.

26. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Noot

De verdachte is bij arrest van 2 juli 2014 door het Hof Arnhem-Leeuwarden wegens “medeplegen van poging tot oplichting” en “medeplegen van aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 160 uren. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij, de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek, tot een bedrag van € 13.788,= niet-ontvankelijk verklaard omdat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

In cassatie wordt voor zover van belang voor dit onderdeel door de benadeelde partij geklaagd dat het hof zijn oordeel dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (art. 361 lid 3 Sv), onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd heeft.

De verdachte heeft met haar mededaders een gewapende overval op een kledingwinkel waar dure merkkleding van bijvoorbeeld Dolce & Gabbana, Armani, Gucci en Prada werd verkocht in scene gezet voor de verzekeringspenningen en vervolgens is van die in scene gezette overval aangifte gedaan bij de politie Gooi en Vechtstreek. De winkel was compleet leeggeroofd en de eigenaresse, een van de verdachten, was daarbij getapet en in een pashokje achter gelaten.

Het hof heeft met betrekking tot de benadeelde partij het volgende overwogen: “Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gooi en Vechtstreek ([betrokkene 1])

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.787,79. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8349,42. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

‘Degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.’ Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd.

Daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van schade aan de zijde van de benadeelde partij door de valse aangifte, is het in deze zaak ook de vraag of zo’n door de regiopolitie geleden schade in strafvorderlijke zin kan worden aangemerkt als een schade die in zo’n rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde, dat dergelijke vorderingen zonder een nadere wettelijke voorziening in het kader van een strafprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt.

Het hof is van oordeel dat beantwoording van deze vragen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

De vraag of de politie schade heeft geleden door de valse aangifte en zo ja hoeveel, is lastig te beantwoorden. De politie vordert niet alleen schade in verband met gewerkte uren tegen een laag uurtarief maar onder meer ook de overheadkosten. Bij die overheadkosten moet onder andere aan telefoonkosten, betrokkenheid van de leidinggevende, de administratie en de meldkamer worden gedacht, aldus de advocaat van de benadeelde partij. In ieder geval zijn die overheadkosten niet volledig nader bepaald en rijst de vraag of dergelijke kosten niet zozeer vaste kosten zijn dat er geen verband is met de valse aangifte.

Maar ook rijst de vraag of een door de regiopolitie geleden schade in strafvorderlijke zin kan worden aangemerkt als een schade die in zo’n rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde, dat dergelijke vorderingen zonder een nadere wettelijke voorziening in het kader van een strafprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt. Het hof stelt de vraag centraal of de politie na het doen van valse aangifte schade kan vorderen in verband met onderzoek naar het feit ter zake waarvan vals aangifte is gedaan. In de jurisprudentie wordt daar verschillend over gedacht (zie Hof Arnhem 25 mei 2007, parketnr. 21/004591-06, niet gepubliceerd, betreffende een voorschot voor schade ten gevolge van valse aangifte; Rechtbank Zutphen 26 juli 2011, ECLI:NL:RBZUT:BR3110: afwijzing van vordering tot schadevergoeding wegens valse aangifte; Rechtbank Haarlem 29 maart 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0429: toewijzing schade door valse aangifte; Rechtbank Midden-Nederland 14 oktober 2013, parketnummer 16/659311-13, niet gepubliceerd: onderzoek in verband met valse aangifte is gewone politietaak; Hof Amsterdam 24 juli 2014, parketnummer 23/000471-14: inzet TGO na valse aangifte komt in aanmerking voor schadevergoeding; Hof Amsterdam 26 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3985: schade vanwege valse aangifte door civiele kamer toegewezen).

Gesteld kan ook worden dat het doen van een onderzoek een taak van de politie is die wordt gefinancierd uit de algemene middelen. Een (ander) sterk tegenargument tegen vergoeding van schade wegens door de politie gemaakte kosten vormt volgens de A-G dat de strafbaarstelling van het doen van een valse aangifte niet beoogt de belangen van de politie te beschermen.

De politie heeft in de cassatieschriftuur gesteld duidelijkheid te willen over een eventuele vordering benadeelde partij gelet op de diversiteit aan uitspraken. De A-G is van oordeel dat de behoefte bij de politie aan duidelijkheid voor de praktijk niet onbegrijpelijk is, maar dat het stellen van de vraag in het kader van deze strafprocedure weinig blijk geeft van begrip voor het evenredigheidscriterium in het strafproces dat ook zijn doorwerking in de cassatiefase heeft.

De Hoge Raad is van oordeel dat het hier gaat om kosten die de politie maakt ter uitvoering van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van strafbare feiten. De onbeperkte mogelijkheid van verhaal van deze kosten op grond van het privaatrecht – welke mogelijkheid onder meer zou bestaan indien een verdachte, een veroordeelde of een derde onrechtmatig handelen jegens de politie kan worden verweten – verdraagt zich niet zonder meer met de bijzondere wettelijke doeleinden en regeling van de strafrechtspleging. Kostenverhaal op grond van het privaatrecht levert dan ook in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van deze publiekrechtelijke regelgeving (vgl. HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835, NJ 2003/360).

Van deze onaanvaardbare doorkruising is in beginsel ook sprake bij verhaal van de kosten als gevolg van een valse aangifte. Dat is echter anders als vaststaat dat degene die de aangifte heeft gedaan niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Indien de politie in het strafproces als benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, rust op haar de plicht feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de hiervoor vermelde vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de last bewijs van die feiten en omstandigheden bij te brengen.

Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen, niet onbegrijpelijk.

Wil de politie dus echt duidelijkheid of de politie jegens degene die is veroordeeld ter zake van “aangifte of klacht doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” (art. 188 Sr), op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW verhaal heeft voor de kosten die zij als gevolg van de aangifte heeft moeten maken, zal zij dit in een civiele procedure moeten aankaarten. Het strafproces leent zich daar niet voor.

M.L.C.C. de Bruijn-Lückers

Voetnoten

1
Wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1, p.5.
2
Kamerstukken II 2007-2008, 30143, nr. 16, p.1. Zie ook F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, Deventer 2010, p. 107/108.
3
Zie Corstens/Borgers, 2014, p. 882.
4
M.E. ten Brinke, S. Habets, C.J. Noordam, Het nieuwe ontvankelijkheidscriterium in de praktijk. Iets nieuws onder de zon? Trema 2014, p. 83-87.
5
J. Candido, De vordering benadeelde partij in het strafproces en de onevenredige belasting van het strafgeding, in: Trema 2011, nr. 10, p. 354-359.
6
HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520 m.nt. Keulen.
7
HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281, rov. 4, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, NJ 2012/451, rov. 4 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL: HR:2012:BU7349, NJ 2012/520 m.nt. Keulen, rov. 4. Zie voor een enigszins aangeklede beslissing HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:177, NJ 2016/104.
8
Langemeijer, a.w., p. 110.
9
De cassatieschriftuur (zie bijlagen schriftuur BP) biedt zowel voorbeelden van toewijzing als van afwijzing. Hof Arnhem 25 mei 2007, parketnr. 21/004591-06 (niet gepubliceerd, bijlage 1) betreffende een voorschot voor schade ten gevolge van valse aangifte; rechtbank Zutphen 26 juli 2011, ECLI:NL:RBZUT:BR3110 (p.9 schriftuur BP)(afwijzing van vordering tot schadevergoeding wegens valse aangifte); rechtbank Haarlem 29 maart 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0429 (toewijzing schade door valse aangifte), rechtbank Midden-Nederland 14 oktober 2013, parketnummer 16/659311-13 (niet gepubliceerd, bijlage 2)(onderzoek in verband met valse aangifte is gewone politietaak), hof Amsterdam 24 juli 2014, parketnummer 23/000471-14 (bijlage 3)(inzet TGO na valse aangifte komt in aanmerking voor schadevergoeding).
10
Dat kan anders liggen als een benadeelde de particuliere recherche inschakelt (extern bedrijfsrecherchebureau). Zie HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333.
11
Hof Amsterdam 26 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3985.
Verder lezen
Terug naar overzicht