JIN 2017/83, Hoge Raad 21-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:473, 15/04979 (met annotatie van M.J. van Aalderen)

Inhoudsindicatie

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij

Samenvatting

Het middel klaagt dat de schatting van het met de hennepkwekerij verkregen wederrechtelijk voordeel, in het licht van het gevoerde verweer, ontoereikend is gemotiveerd. Conclusie A-G: anders.

Het middel klaagt dat de schatting van het met de hennepkwekerij verkregen wederrechtelijk voordeel, in het licht van het gevoerde verweer, ontoereikend is gemotiveerd.

Het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene uit de hennepkwekerij in de woning wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, bestaande uit de opbrengst van drie oogsten waaronder een oogst van begin april 2008 en een oogst van januari 2009. Blijkens het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van verhoor van 19 februari 2009 heeft het hof vastgesteld dat de betrokkene in mei 2008 de kwekerij “voor de tweede keer heeft ingericht”. Het hof heeft aan die vaststelling kennelijk en niet onbegrijpelijk de conclusie verbonden dat de in mei 2008 ingerichte kwekerij tot een oogst – in de periode van januari 2008 tot 14 augustus 2008 de tweede oogst – heeft geleid. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering, ook niet in het licht van hetgeen namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Uitspraak

Hoge Raad:

 

(...; Red.)

 

3.1. Het middel klaagt dat de schatting van het met de hennepkwekerij in het perceel [c-straat 1] te Almelo verkregen wederrechtelijk voordeel, in het licht van het gevoerde verweer, ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de betrokkene aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“5. [c-straat]

5.1. Aantal oogsten

5.1.1. De rechtbank is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van 3 oogsten. De rechtbank gaat uit van een eerste periode van januari 2008 tot augustus 2008 en een tweede periode van september 2008 tot februari 2009. De rechtbank gaat uit van een periode van totaal 56 weken. Uitgaande van een kweekperiode van 10 weken, wordt geconcludeerd dat er totaal 5 kweken zijn geweest, waarvan twee oogsten in beslag zijn genomen.

5.1.2. De verdediging ziet een en ander anders. Cliënt heeft ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven dat er in het pand aan de [c-straat] maar twee keer is geoogst in totaliteit. [betrokkene 7] verklaart dat het is begonnen in januari 2008. Aannemelijk is dus ook dat in februari 2008 voor het eerst plantjes zijn gepoot. Deze kweek is in april 2008 geoogst.

5.1.3. Vervolgens is er in mei 2008 een nieuwe kweek opgezet. [betrokkene 7] verklaart dat deze kweek is weggehaald door [betrokkene], omdat het om een slechte kweek ging. Ook de partner van [betrokkene 7] heeft hierover verklaard; toen zij terugkwamen van hun vakantie waren de plantjes weg.

5.1.4. Vervolgens zijn er nieuwe plantjes neergezet, welke plantjes in augustus 2008 door de politie zijn weggehaald. Mede gelet op de verklaring van de partner van [betrokkene 7] is deze gang van zaken aannemelijk te noemen.

5.1.5. Tot het moment dat de kwekerij in augustus 2008 is opgerold is er derhalve maar 1 geslaagde oogst geweest.

5.1.6. In oktober 2008 komt het huurcontract van het pand aan de [c-straat] op naam van [betrokkene 8].

5.1.7. Gelet op het feit dat de kwekerij eerder door de politie is opgerold is het aannemelijk dat er voorzorgsmaatregelen worden genomen en dat er gezorgd moet worden voor een geheel nieuwe inrichting. Hierdoor is het dan ook aannemelijk dat er maar 1 oogst in de periode van september 2008 – februari 2009 is geweest.

5.1.8. Bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de kwekerijen aan de [c-straat] dient dan ook te worden uitgegaan van 2 geslaagde oogsten waarbij werkelijk verdiensten van zijn geweest.”

3.3.1. De Rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 109.219,=. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank met overneming van de gronden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat.

3.3.2. De uitspraak van de Rechtbank houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover hier van belang, het volgende in:

“3.2.2 [c-straat 1] te Almelo

Op 14 augustus 2008 en op 14 februari 2009 werd op de zolder van perceel [c-straat 1] te Almelo telkens een ingerichte hennepkwekerij aangetroffen met respectievelijk 240 en 248 hennepplanten. In beide gevallen werden ook resten van een eerdere oogst aangetroffen. De bewoner [betrokkene 7] heeft verklaard dat [betrokkene] hem voorstelde om zijn woning beschikbaar te stellen voor het inrichten van een hennepkwekerij. [betrokkene] zou voor de inrichting zorgen en deze ook bekostigen. In februari 2008 zijn de planten gepoot, waarna begin april 2008 is geoogst. Half mei 2008 en begin juli 2008 is de kwekerij opnieuw ingericht. Vervolgens is deze half augustus 2008 door de politie opgerold. Op een gegeven moment daarna heeft [betrokkene] hem gevraagd of hij de woning nog een keer mocht gebruiken. [betrokkene 9] heeft verklaard dat ergens in oktober 2008 [betrokkene 7] en [betrokkene] spraken over het opnieuw inrichten van de hennepkwekerij aan [c-straat]. Hij, [betrokkene 9], wilde de hennepkwekerij wel verzorgen. Anderhalve week na de oogst gaf [betrokkene] hem € 1500,=. [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij in januari 2008 heeft geholpen met de opbouw van de kwekerij aan [c-straat 1] te Almelo. Hij schat dat er zo’n 200 planten stonden, toen hij in januari 2009 hielp met het knippen. Veroordeelde heeft verklaard dat er in totaal drie keer ruimtes in perceel [c-straat 1] te Almelo vol zijn gezet met hennepplanten. In januari 2009 is er geoogst. Deze oogst, groot 2,5 kilo, is verkocht voor € 3400,= per kilo.

De rechtbank gaat gelet op het bovenstaande uit van een eerste kweekperiode van januari 2008 tot 14 augustus 2008 en een kweekperiode van september 2008 tot 14 februari 2009, derhalve 56 weken in totaal. De rechtbank houdt rekening met in totaal drie oogsten, uitgaande van telkens een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken en twee inbeslaggenomen oogsten. (...)

Een ander leidt tot de volgende berekeningen:

Periode januari 2008 – 14 augustus 2008

Bruto-opbrengst 2 oogsten van 6,76 kilo x € 3108,= = € 42.020,=

(...)

Periode september 2008 – 14 februari 2009

Bruto-opbrengst 1 oogst van 6,99 kilo x € 3108,= = € 21.724,=

(...)”

3.3.3. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend aan de bewijsmiddelen vermeld in de “Bijlage bewijsmiddelen” die aan het vonnis is gehecht en daarvan deel uitmaakt. Deze bijlage houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Kwekerij [c-straat 1] te Almelo

Een proces-verbaal van 2009, bevattende een chronologische samenvatting/interpretatie van onderzoekgegevens betreffende de periode 1 januari 2007 tot en met 14 februari 2009, voor zover, inhoudende als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van onderzoekgegevens, tapgesprekken en observaties werd er een onderzoek ingesteld in de woning [c-straat 1] te Almelo alwaar [betrokkene 11] en [betrokkene 7] ingeschreven stonden. [betrokkene 7] is een contact van [betrokkene]. Het vermoeden bestond dat daar een hennepkwekerij was gevestigd. Op 14 augustus werd daar op zolder inderdaad een ingerichte hennepkwekerij aangetroffen met 240 planten. Er werden resten aangetroffen van eerdere oogsten. Uit tapgesprekken en observatiewaarnemingen blijkt dat er vermoedelijk op 25 juli 2008 geoogst is aan de [c-straat 1] te Almelo. Door het observatieteam wordt gezien dat [betrokkene] met de Opel Vivaro op 25 juli 2008 omstreeks 19.11 uur bij perceel [c-straat 1] te Almelo is. Hij wordt daar gezien met twee onbekende mannen en gezien wordt dat er een rol bigshoppers uit de Opel Vivaro komt. Gezien wordt dat de personen de woning binnen gaan en de rol bigshoppers ook meenemen. Uit diverse tapgespreken blijkt dat [betrokkene 11] en [betrokkene 7] na hun aanhouding contacten houden met [betrokkene]. Ook zijn er diverse tapgespreken waaruit blijkt dat [betrokkene 7] geld vraagt en ook ontvangt van [betrokkene] in relatie tot de ontmantelde hennepkwekerij.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 3e Sv, te weten een rapport van 29 november 2010, relaterende de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde [betrokkene], voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 2]:

Op 14 februari 2009 werd er op de [c-straat 1] te Almelo wederom een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Op de zolder van de woning werden in totaal 248 hennepplanten aangetroffen. Uit diverse verklaringen bleek dat de financiële problemen van de hoofdbewoner [betrokkene 7] bekend waren bij de verdachte [betrokkene]. [betrokkene] stelde voor om een hennepkwekerij in te richten in de woning aan de [c-straat 1] te Almelo. De inrichting werd verzorgd en betaald door [betrokkene]. Deze regelde onder andere dat [betrokkene 9] en [betrokkene 3] de hennepkwekerij inrichtten. De verdachte [betrokkene] belt op 30 december 2008 een aantal personen waaronder [betrokkene 7] en [betrokkene 10]. Ook neemt hij op 1 januari 2009 contact op met [betrokkene 9] en [betrokkene 3]. Uit onderzoek is bekend dat genoemde personen door diverse leden van de familie [betrokkene] worden ingezet om werkzaamheden voor hen te verrichten. Op 1 januari 2009 blijkt uit diverse tapgesprekken tussen bovengenoemde personen dat zij zich gaan verzamelen en richting de [c-straat 1] te Almelo gaan. Uit observatie, namelijk plaats bepalingsapparatuur blijkt ook dat de Opel Vivaro van [betrokkene] om 17.49 uur arriveert op de [c-straat] in Almelo. Op 2 januari 2009 om 01.41 uur belt [betrokkene] met [medeveroordeelde]. [betrokkene] geeft aan in dit gesprek dat hij er aan komt. Uit diverse verklaringen van de knippers blijkt dat [betrokkene] hen benaderde voor de werkzaamheden en dat zij ook door hem betaald werden voor deze werkzaamheden.

Op zondag 15 februari 2009 verscheen [betrokkene 8], geboren op [geboortedatum] 1977, aan het politiebureau te Almelo, die een huurcontract bij zich had waaruit bleek dat hij de woning aan de [c-straat 1] te Almelo had gehuurd van [betrokkene 7]. Na onderzoek bleek uit de verklaringen van de verschillende verdachten dat [betrokkene 8] was benaderd door [betrokkene]. Deze betaalde [betrokkene 8] geld in ruil voor zijn naam op een huurcontract betreffende de woning aan de [c-straat 1] te Almelo.

Uit onderzoek en diverse verklaringen is gebleken dat men na het aantreffen van de hennepkwekerij in augustus 2008 wederom is begonnen met de opbouw en inrichting van hennepkwekerij. Verdachte [betrokkene 9] verklaarde dat hij in november 2008 plantjes pootte in de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo. Uit onderzoek, diverse verklaringen en uit het proces-verbaal van de DRUWA, blijkt dat de kwekerij op 14 februari 2009 door de politie werd ontdekt en ontmanteld.

Een proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als, zakelijk weergegeven, verklaring van [betrokkene 8]:

Ik werd betaald om de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo op mij te nemen. Ik kreeg geld van [betrokkene]. Ik heb het contract, de huurovereenkomst van de [c-straat 1] te Almelo, ondertekend in de auto van [betrokkene]. Ik heb het contract in oktober ondertekend.

Een proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als, zakelijk weergegeven, verklaring van [betrokkene 8] voornoemd:

Ik ken [betrokkene] vrij lang. Op een gegeven kwam [betrokkene] bij mij en hij vroeg of ik een woning op naam wilde zetten. Ik heb van [betrokkene] begrepen dat er een hennepkwekerij in die woning zou komen. Ik ging met [betrokkene] akkoord, maar wilde van [betrokkene] wel weten hoeveel plantjes in de woning zouden komen. [betrokkene] zei tegen mij dat dat 250 plantjes zouden worden. Op 12 oktober 2008 heeft [betrokkene] mij benaderd en ik heb op die bewuste dag een huurcontract ondertekend dat opgesteld was door [betrokkene].

Een proces-verbaal van verhoor van 19 februari 2009, voor zover inhoudende als, zakelijk weergegeven, verklaring van [betrokkene 7]:

Ik ben tot de conclusie gekomen dat het beter is om alles te vertellen van de kwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo. Alles is begonnen in januari 2008. Ik vertelde tegen [betrokkene] dat ik financieel behoorlijk zwaar zat. Vervolgens deed [betrokkene] mij het volgende voorstel. Ik moest ruimte van mijn woning ter beschikking stellen voor het inrichten van een hennepkwekerij. De inrichting zou bekostigd worden door [betrokkene]. [betrokkene] zou zorgen voor de inrichting. Twee keer zou men gebruik maken van deze ruimtes voor het kweken van weed/hennep. Per keer zou ik minimaal 2500 euro ontvangen van [betrokkene]. In februari 2008 zijn de planten gepoot door [betrokkene] en [betrokkene 3]. In deze periode werd deze kwekerij verzorgd door zowel [betrokkene] als [betrokkene 12]. Vervolgens is deze geoogst in begin april 2008. Geoogst werd door [betrokkene] en [betrokkene 12] en een gespierde Nederlandse jongen ongeveer 35 jaar oud met een kaal hoofd en een oudere man.

Half mei 2008 hebben [betrokkene] en de gespierde Nederlandse jongen de kwekerij voor de tweede keer ingericht en begin juli 2008 heeft [betrokkene] met [betrokkene 3] de kwekerij weer ingericht. Deze is vervolgens half augustus 2008 door de politie opgerold. Op een gegeven moment kwam [betrokkene] bij mij en vroeg of hij de woning [c-straat 1] te Almelo tot aan de veilig zou mogen gebruiken.

Een proces-verbaal van verhoor van 5 maart 2009, voor zover inhoudende als, zakelijk weergegeven, verklaring van [betrokkene 9]:

Ik had ergens in oktober of november 2008 een gesprek met [betrokkene 7] en [betrokkene]. Op een gegeven moment spraken wij over hennep. [betrokkene] en [betrokkene 7] spraken over het opnieuw inrichten van de hennepkwekerij aan [c-straat]. Ze zochten nog iemand die de planten kon planten en verzorgen. Ik heb mezelf aangeboden. Ik had geld nodig. Ik zei dus tegen [betrokkene] en [betrokkene 7] dat ik de hennepkwekerij wel wilde verzorgen. Anderhalve week na de oogst op 1 januari 2009 kwam [betrokkene] bij me en gaf me 1500 euro. Hij zei dat ik dit kreeg van de opbrengst van de kwekerij. Dit was mijn deel van de opbrengst.

Een proces-verbaal van verhoor van 19 maart 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 10]:

U vertelt mij dat een medeverdachte heeft verklaard dat ik op de [c-straat 1] in Almelo betrokken ben bij de teelt van hennep. Ik kan u zeggen dat het klopt. Ik heb meegeholpen om de zolder waarin zich twee kamers bevonden om de muur te slopen. Ik heb in het begin ook potgrond gebracht met [betrokkene]. [betrokkene] heeft mij daarvoor benaderd. Ik schat dat er zo’n 200 planten in de kwekerij stonden. Ik heb ze in januari 2009 gezien. Ik heb toen geholpen met knippen. Ik ben in januari 2008 bij de opbouw geweest. Ik heb geknipt met [betrokkene], [betrokkene 3] en [betrokkene 9].

Een proces-verbaal van verhoor van 17 februari 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van veroordeelde [betrokkene]:

Ik ken [betrokkene 7]. Ik ben ook wel eens op het adres aan de [c-straat 1] te Almelo geweest. Ik weet dat er in totaal drie keer ruimtes in perceel [c-straat 1] te Almelo vol gezet zijn met hennepplanten. In januari 2009 is geoogst. Eigenaren waren [betrokkene 7] en ik. Ik heb onze oogst, groot 2,5 kilo, verkocht voor 3400 euro per kilo.

De verklaring die de veroordeelde ter terechtzitting op 5 november 2012 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben betrokken geweest bij de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo. In de kwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo is twee keer geoogst.”

3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene uit de hennepkwekerij aan [c-straat 1] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, bestaande uit de opbrengst van drie oogsten waaronder – in cassatie niet bestreden – een oogst van begin april 2008 en een oogst van januari 2009. Blijkens het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van verhoor van 19 februari 2009, inhoudende een verklaring van [betrokkene 7], heeft het Hof vastgesteld dat de betrokkene in mei 2008 de kwekerij “voor de tweede keer heeft ingericht”. Het Hof heeft aan die vaststelling kennelijk en niet onbegrijpelijk de conclusie verbonden dat de in mei 2008 ingerichte kwekerij tot een oogst – in de periode van januari 2008 tot 14 augustus 2008 de tweede oogst – heeft geleid. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering, ook niet in het licht van hetgeen namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd

3.5. Het middel faalt.

Conclusie van de Advocaat-Generaal:

 

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 13 oktober 2015 de beslissing van de rechtbank waarbij het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 109.219,= bevestigd en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 104.219,=.

2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde] (15/04841), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de betrokkene heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek om de getuige [betrokkene 13] te horen, heeft afgewezen op gronden die de afwijzing niet kunnen dragen.

5. De rechtbank Almelo heeft de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene geschat op basis van onder meer het voordeel dat de betrokkene zou hebben verkregen naar aanleiding van het telen en verkopen van hennep in een kwekerij, gevestigd aan de [d-straat 1] in Hengelo. De rechtbank heeft daartoe – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“Bij de berekening van het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank uit van het volgende.

Op 26 mei 2008 wordt op de zolder van perceel [d-straat 1] te Hengelo (O), een hennepkwekerij aangetroffen. De bewoonster [betrokkene 13] verklaart dat zij om financiële redenen [betrokkene] heeft benaderd voor het opzetten van een hennepkwekerij in haar woning. Zij verklaart voorts dat [betrokkene] de hennepkwekerij financierde. Veroordeelde heeft verklaard dat drie maanden vóór de ontmanteling is begonnen met de bouw en inrichting van de kwekerij. Er zouden door veroordeelde 235 planten zijn gekocht, waarvan er 210 zouden zijn geoogst. De rechtbank volgt veroordeelde hierin niet. Blijkens het door de politie in de woning bij de ontmanteling van de kwekerij verrichte onderzoek, werden in de kweekbakken 260 wortelresten met stukken stengel in de aarde aangetroffen, hetgeen duidt op 260 planten. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat er een eerdere oogst is geweest van 260 planten. Uitgaande van een kweekcyclus van 10 weken en de door de politie ontdekte kweek op 26 mei 2008 en de inrichting van de kwekerij drie maanden daarvoor, gaat de rechtbank uit van één eerdere oogst op genoemde locatie. Nu onvoldoende van andere inzichten is gebleken, houdt de rechtbank, overeenkomstig de standaardberekening en normen van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht van het Bureau Ontnemingwetgeving Openbaar Ministerie van april 2005 (hierna te noemen BOOM-rapport), rekening met een opbrengst per plant van 28,2 gram droge hennep. Hierdoor bedraagt de totale oogstopbrengst 7,33 kilogram (260 planten x 28,2 gram).”

6. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 21 september 2015 heeft de raadsvrouwe van de betrokkene het hof verzocht om [betrokkene 13] als getuige op te roepen en te horen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dit verband het volgende in:

“De raadsvrouw voert – zakelijk weergegeven – aan:

In overleg met mijn cliënt heb ik besloten om een verzoek te doen om [betrokkene 13] als getuige te horen.

(...)

De rechtbank is uitgegaan van twee oogsten in de kwekerij aan de [d-straat 1], terwijl mijn cliënt zegt dat er slechts eenmaal is geoogst. Mevrouw zou hierover nader kunnen verklaren, onder meer omtrent de herkomst van de aangetroffen wortelresten.”

7. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank met aanvulling van gronden bevestigd. Op het hiervoor bedoelde getuigenverzoek heeft het hof als volgt gerespondeerd:

“De verdediging heeft verzocht tot het horen van [betrokkene 13] als getuige. Zij zou het een en ander kunnen verklaren omtrent de kwekerij gevestigd aan de [d-straat 1] te Hengelo, onder meer wanneer de kwekerij precies is opgebouwd, hoe het een en ander is verlopen met betrekking tot het planten van de stekjes, het verloop van de kweek, alsmede het moment waarop is geoogst.

Het hof zal, toetsend aan het noodzaakcriterium en gelet op de gegeven onderbouwing, het verzoek afwijzen, omdat het hof zich voldoende voorgelicht acht en daarom het horen van deze getuige niet noodzakelijk vindt. De getuige [betrokkene 13] heeft reeds bij de politie een verklaring afgelegd omtrent de hennepkwekerij in haar woning.”

8. Niet in geschil is dat het hof bij de beoordeling van de getuigenverzoeken de juiste maatstaf heeft aangelegd, te weten of de noodzaak van het horen van [betrokkene 13] als getuige is gebleken. De steller van het middel richt zich tegen de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek. Uiteindelijk gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing van het hof begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.1

9. Gelet op het karakter van de ontnemingsprocedure, kan van de verdediging worden verlangd dat zij concreet en gemotiveerd aanvoert waarom de getuigen die zij wil horen bewijs zouden kunnen leveren voor haar stelling dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkter is geweest dan in de berekening die het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.2 In het licht van hetgeen de verdediging in de onderhavige zaak heeft aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek [betrokkene 13] als getuige te horen, is de afwijzing van het hof op de grond dat het zich voldoende voorgelicht acht en de getuige reeds bij de politie is gehoord, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Door de raadsvrouwe is enkel naar voren gebracht dat de rechtbank is uitgegaan van twee oogsten, terwijl de betrokkene heeft verklaard dat één maal is geoogst en [betrokkene 13] hierover nader zou kunnen verklaren, onder meer over de herkomst van de aangetroffen wortelresten. Het gaat hierbij om een zeer globale onderbouwing waarin op geen enkele wijze wordt ingegaan op een mogelijke toegevoegde waarde ten opzichte van de reeds bij het hof bekende verklaring die [betrokkene 13] bij de politie heeft afgelegd.3

10. Daarbij merk ik nog op dat bij de beantwoording van de vraag naar het – rechtens te respecteren – belang bij een cassatiemiddel over de afwijzing van een verzoek een getuige op te roepen dan wel te horen, onder omstandigheden ook een rol kan spelen dat onvoldoende duidelijk is welke betekenis het horen van de getuige kan hebben voor het beantwoorden van een van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Van de verdediging kan in dergelijke gevallen worden gevergd dat zij in de cassatieschriftuur toelicht welk belang zij heeft bij een klacht over de afwijzing van het verzoek die getuige te horen.4 Het hof heeft in navolging van de rechtbank het deel van de verklaring van de verzochte getuige, inhoudende dat slechts één keer is geoogst, tot het bewijs gebezigd. In het licht daarvan en bij het ontbreken van een toelichting op het belang bij de klacht, meen ik dat moet worden aangenomen dat een rechtens te respecteren belang bij het cassatiemiddel ontbreekt.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat in de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo, anders dan de rechtbank bewezen heeft verklaard, geen drie oogsten hebben plaatsgevonden, maar slechts twee, terwijl dit verweer niet voldoende wordt weerlegd in de beslissing van de rechtbank en de beslissing voorts met onvoldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aanduidt aan de hand waarvan de drie oogsten zijn vastgesteld.

13. De rechtbank is bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] in Almelo uitgegaan van drie oogsten. De uitspraak van de rechtbank houdt in dit verband het volgende in:

“3.2.2 [c-straat 1] te Almelo

Op 14 augustus 2008 en op 14 februari 2009 werd op de zolder van perceel [c-straat 1] te Almelo telkens een ingerichte hennepkwekerij aangetroffen met respectievelijk 240 en 248 hennepplanten. In beide gevallen werden ook resten van een eerdere oogst aangetroffen. De bewoner [betrokkene 7] heeft verklaard dat [betrokkene] hem voorstelde om zijn woning beschikbaar te stellen voor het inrichten van een hennepkwekerij. [betrokkene] zou voor de inrichting zorgen en deze ook bekostigen. In februari 2008 zijn de planten gepoot, waarna begin april 2008 is geoogst. Half mei 2008 en begin juli 2008 is de kwekerij opnieuw ingericht. Vervolgens is deze half augustus 2008 door de politie opgerold. Op een gegeven moment daarna heeft [betrokkene] hem gevraagd of hij de woning nog een keer mocht gebruiken. [betrokkene 9] heeft verklaard dat ergens in oktober 2008 [betrokkene 7] en [betrokkene] spraken over het opnieuw inrichten van de hennepkwekerij aan [c-straat]. Hij, [betrokkene 9], wilde de hennepkwekerij wel verzorgen. Anderhalve week na de oogst gaf [betrokkene] hem € 1500,=. [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij in januari 2008 heeft geholpen met de opbouw van de kwekerij aan [c-straat 1] te Almelo. Hij schat dat er zo’n 200 planten stonden, toen hij in januari 2009 hielp met het knippen. Veroordeelde heeft verklaard dat er in totaal drie keer ruimtes in perceel [c-straat 1] te Almelo vol zijn gezet met hennepplanten. In januari 2009 is er geoogst. Deze oogst, groot 2,5 kilo, is verkocht voor € 3400,= per kilo.

De rechtbank gaat gelet op het bovenstaande uit van een eerste kweekperiode van januari 2008 tot 14 augustus 2008 en een kweekperiode van september 2008 tot 14 februari 2009, derhalve 56 weken in totaal. De rechtbank houdt rekening met in totaal drie oogsten, uitgaande van telkens een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken en twee inbeslaggenomen oogsten.

(...)

Een ander leidt tot de volgende berekeningen:

Periode januari 2008 – 14 augustus 2008

Bruto-opbrengst 2 oogsten van 6,76 kilo x € 3108,=

(...)

Periode september 2008 – 14 februari 2009

Bruto-opbrengst 1 oogst van 6,99 kilo x € 3108,=“

14. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 september 2015 gehechte pleitaantekeningen blijkt dat de raadsvrouwe van de betrokkene het volgende heeft aangevoerd ten aanzien van het aantal oogsten in de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] in Almelo.

“5. [c-straat]

5.1. Aantal oogsten

5.1.1. De rechtbank is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van 3 oogsten. De rechtbank gaat uit van een eerste periode van januari 2008 tot augustus 2008 en een tweede periode van september 2008 tot februari 2009. De rechtbank gaat uit van een periode van totaal 56 weken. Uitgaande van een kweekperiode van 10 weken, wordt geconcludeerd dat er totaal 5 kweken zijn geweest, waarvan twee oogsten in beslag zijn genomen.

5.1.2. De verdediging ziet een en ander anders: Cliënt heeft ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven dat er in het pand aan de [c-straat] maar twee keer is geoogst in totaliteit. [betrokkene 7] verklaart dat het is begonnen in januari 2008. Aannemelijk is dus ook dat in februari 2008 voor het eerst plantjes zijn gepoot. Deze kweek is in april 2008 geoogst.

5.1.3. Vervolgens is er in mei 2008 een nieuwe kweek opgezet. [betrokkene 7] verklaart dat deze kweek is weggehaald door [betrokkene], omdat het om een slechte kweek ging. Ook de partner van [betrokkene 7] heeft hierover verklaard; toen zij terugkwamen van hun vakantie waren de plantjes weg.

5.1.4. Vervolgens zijn er nieuwe plantjes neergezet, welke plantjes in augustus 2008 door de politie zijn weggehaald. Mede gelet op de verklaring van de partner van [betrokkene 7] is deze gang van zaken aannemelijk te noemen.

5.1.5. Tot het moment dat de kwekerij in augustus 2008 is opgerold is er derhalve maar 1 geslaagde oogst geweest.

5.1.6. In oktober 2008 komt het huurcontract van het pand aan de [c-straat] op naam van [betrokkene 8].

5.1.7. Gelet op het feit dat de kwekerij eerder door de politie is opgerold is het aannemelijk dat er voorzorgsmaatregelen worden genomen en dat er gezorgd moet worden voor een geheel nieuwe inrichting. Hierdoor is het dan ook aannemelijk dat er maar 1 oogst in de periode van september 2008 – februari 2009 is geweest.

5.1.8. Bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de kwekerijen aan de [c-straat] dient dan ook te worden uitgegaan van 2 geslaagde oogsten waarbij werkelijk verdiensten van zijn geweest.”

15. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank in zoverre bevestigd en geen aanvullende overweging opgenomen ten aanzien van de schatting van het voordeel uit de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo.

16. De steller van het middel voert aan dat de rechtbank bewijsmiddelen heeft genoemd, zonder deze bewijsmiddelen op te nemen in een bijlage, inhoudende bewijsmiddelen, terwijl in de beslissing de rechtbank ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid is verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan de rechtbank de conclusies heeft ontleend. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank bevestigd, zonder uitdrukkelijk in te gaan op het door de raadsvrouwe in hoger beroep gevoerde verweer.

17. Bij de uitspraak in eerste aanleg is een ‘bijlage bewijsmiddelen’ gevoegd. Deze vangt aan met een ‘Leeswijzer’, waarin staat vermeld dat de bijlage deel uitmaakt van het vonnis en de bewijsmiddelen bevat. Per aangetroffen hennepkwekerij is opgenomen welke (onderdelen uit) bewijsmiddelen redengevend zijn voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de beoordeling van het middel zijn de bewijsmiddelen van belang die zijn gebruikt voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] in Almelo.

18. De bijlage met bewijsmiddelen bevat ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [c-straat] allereerst enkele passages uit processen-verbaal met de door de rechtbank en het hof kennelijk redengevend geachte feiten en omstandigheden. Daaruit kan evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat in het desbetreffende pand drie keer is geoogst. Voor het bewijs is ook gebruik gemaakt van de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, voor zover inhoudende dat in de kwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo twee keer is geoogst. Die lezing komt overeen met het pleidooi van de raadsvrouwe van de betrokkene en staat haaks op het door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank, dat niet twee maar drie keer is geoogst. De rechtbank heeft bovendien niet volstaan met de weergave van onderdelen van de desbetreffende processen-verbaal, maar aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voorts een drietal integrale processen-verbaal, waaronder twee financiële rapporten, ten grondslag gelegd. Daarbij gaat het om een “proces-verbaal van 23 juni 2009 van [verbalisant 1], voor zover, inhoudende als, zakelijk weergegeven, resume van onderzoeksgegevens, verklaringen van verdachten, verklaringen van getuigen en bevindingen betreffende de periode 1 januari 2007 tot en met 14 februari 2009 met betrekking tot de hennepkwekerij [c-straat 1] te Almelo” en om een “tweetal door [verbalisant 2] opgestelde rapporten, beide gedateerd 29 november 2010 en betrekking hebbende op de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] te Almelo op respectievelijk 14 augustus 2008 en 14 februari 2009, voor zover telkens inhoudende, zakelijk weergegeven”. Hierin is bijvoorbeeld ook opgenomen de verklaring van [betrokkene 7], waarin hij stelt dat er tot 14 augustus 2008 slechts één oogst is geweest, te weten in april 2008. De daaropvolgende oogst is volgens [betrokkene 7] mislukt. Begin juli 2008 zijn er in zijn lezing opnieuw planten gepoot, waarna de kwekerij is ontdekt door de politie.5 De raadsvrouwe van de betrokkene heeft bij de onderbouwing van haar betoog, inhoudende dat dient te worden uitgegaan van twee oogsten, naar deze verklaring verwezen.

19. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in het bijzonder voor zover dat is gebaseerd op het aantal oogsten, kan niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De bijlage met daarin de (deels integraal opgenomen) bewijsmiddelen bevat in dit verband tegenstrijdige onderdelen. Voor het bewijs niet redengevende feiten en omstandigheden komen in de bewijsconstructie terug, zonder dat het hof heeft vermeld waarom het deze omstandigheden hierin heeft opgenomen.6 De wijze van bewijsvoering heeft daarmee veel weg van een puzzel die de lezer nog moet leggen. De nadere bewijsoverweging van de rechtbank biedt evenmin duidelijkheid. Zo blijkt uit de bewijsvoering dat de rechtbank en het hof ervan zijn uitgegaan dat de kwekerij begin juli 2008 opnieuw is ingericht en dat op 25 juli 2008 (vermoedelijk) is geoogst. In het licht van de door de rechtbank en het hof aangenomen gemiddelde kweekcyclus van tien weken, staan beide onderdelen van de bewijsvoering op gespannen voet met elkaar. In hoger beroep is bovendien de in het tweede financiële rapport gemaakte gevolgtrekking dat er tot 14 augustus 2008 twee keer is geoogst in de hennepkwekerij aan de [c-straat 1], gemotiveerd betwist.7 Het hof heeft op het aangevoerde niet uitdrukkelijk gerespondeerd, maar volstaan met het overnemen van de bewijsvoering door de rechtbank, die ten aanzien van het aantal oogsten tegenstrijdige onderdelen bevat. In het licht van het voorafgaande, is het oordeel van het hof ten aanzien van het aantal oogsten op het adres [c-straat 1] te Almelo en het daarop gebaseerde wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend gemotiveerd.8 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is daarmee niet naar behoren met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

20. Het middel slaagt.

21. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel slaagt.

22. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Noot

Betrokkene is door de rechtbank veroordeeld voor het kweken van hennep en in aansluiting daarop is de verplichting opgelegd het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze hennepkwekerij terug te betalen aan de Staat. Het hof volgt de rechtbank in haar uitspraak en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 104.219,=

Het staat vast dat er binnen een tijdspanne van ruim een jaar twee keer een periode is geweest waarin betrokkene hennep heeft gekweekt. Deze twee tijdsvakken samen komen neer op 56 weken. Vervolgens wordt het verkregen voordeel gebaseerd op een eenvoudige rekensom. Standaard wordt voor één kweekperiode en aansluitende oogst uitgegaan van tien weken. Een periode van 56 weken brengt met zich dat er in theorie vijf oogsten konden plaatsvinden. De politie heeft tweemaal de kwekerij opgerold en de planten in beslag genomen. Het behoeft geen nadere uitleg dat dit laatste voor de betrokkene geen financieel voordeel heeft gebracht. Dit betekent dat er drie winstgevende oogsten hebben kunnen plaatsvinden, waarvan de opbrengst vervolgens gemakkelijk is te berekenen. De berekeningsmethodiek wordt door de verdediging niet ter discussie gesteld, echter wel het aantal oogsten dat wordt betrokken bij de berekening van het voordeel.

Aangevoerd wordt dat er in de periode van mei tot en met augustus weliswaar twee keer initiatief is genomen, maar dat dit niet tot enig voordeel voor betrokkene heeft geleid. De in mei geplante zaadjes leidden tot een slechte oogst en werden voortijdig verwijderd. De daarop volgende kweek werd door de politie beëindigd. De rechtbank had dan ook twee oogsten, te weten de oogst van februari tot april en de oogst van september tot januari, in plaats van drie oogsten moeten betrekken bij de berekening van het voordeel, stelt de verdediging. Zowel de rechtbank als het hof volgt betrokkene niet in zijn standpunt. Ter onderbouwing van het voorgaande volstaan beide instanties met een verwijzing naar de bewijsmiddelen zonder daarbij uitdrukkelijk in te gaan op het verweer van betrokkene met betrekking tot het aantal oogsten.

In cassatie wordt geklaagd dat de wijze waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld ontoereikend is gemotiveerd.

Hierbij rijst de vraag welke eisen er moeten worden gesteld aan de motivatie van de berekening van verkregen voordeel. Art. 36e lid 5 Sv schrijft voor dat de rechter het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. De voorschriften die het Wetboek van Strafvordering kent ten aanzien van bewijsminima zijn niet van toepassing op de schatting van dit voordeel. De rechter dient zich echter, bij de schatting van het voordeel, wel te baseren op de bewijsmiddelen, zo volgt uit art. 511f Sv. Uitgangspunt is dat de beraadslaging over de ontnemingsmaatregel plaatsvindt conform de strafzaak. Art. 511e Sv verklaart art. 359 Sv van overeenkomstige toepassing op de ontnemingsprocedure, hetgeen met zich brengt dat ook ten aanzien van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een motiveringsplicht voor de rechter geldt. Het voorgaande houdt eveneens in dat wanneer de rechter afwijkt van een door de betrokkene uitdrukkelijk gemotiveerd standpunt, dit aanvullende eisen stelt aan de motiveringsplicht van de rechter.

Aan het eerste vereiste, te weten de weergave van de bewijsmiddelen, wordt voldaan. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend aan de bewijsmiddelen zoals aangegeven in de Bijlage bewijsmiddelen. Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht omtrent het aantal oogsten kan worden aangemerkt als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het betreft immers een duidelijk, met argumenten onderbouwd standpunt dat wordt gevolgd door een ondubbelzinnige conclusie. Had zowel de rechtbank als het hof dan wel kunnen volstaan met enkel het opnemen van de bewijsmiddelen terwijl zij afweken van dit standpunt?

In dit verband wijs ik op HR 15 december 2009, waarin een soortgelijke discussie centraal stond. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en geeft daarbij aan dat het hof heeft verzuimd, na het afwijken van het standpunt van de verdediging met betrekking tot de hoeveelheid verhandelde en derhalve bij de ontnemingsberekening te betrekken cocaïne, redenen op te geven die tot deze afwijking hebben geleid. Ook in HR 28 februari 2012 volgt de Hoge Raad deze lijn. In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat aan de motivering van het hof, nadat hij afwijkend oordeelde met betrekking tot een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt omtrent het aantal oogsten, nadere eisen moeten worden gesteld.

In het licht van de genoemde jurisprudentie is de verwachting gewekt dat ook in deze aanvullende motiveringsplicht geldt. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof aan het proces-verbaal, inhoudende de verklaring van betrokkene 7 dat in mei de kwekerij voor de tweede keer is ingericht, de conclusie mocht verbinden dat dit heeft geleid tot een oogst. Dit behoeft geen verdere motivering. Hetgeen door betrokkene ter terechtzitting is aangevoerd maakt dit niet anders.

In HR 11 april 2006 maakt de Hoge Raad met betrekking tot de motivatieplicht bij een uitdrukkelijk gemotiveerd standpunt de kanttekening dat er sprake kan zijn van een situatie waarin de uitspraak toereikende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de voor verwerping relevante bewijsmiddelen. Deze lijn lijkt de Hoge Raad ook te hebben gehanteerd in HR 4 november 2014 waarin door de verdediging ten overstaande van de ontnemingsrechter het bestaan van een eerdere oogst werd betwist. De verwijzing naar de bewijsmiddelen volstond en bracht derhalve geen aanvullende motivatieplicht voor het hof met zich.

In de bewijsmiddelen waarop in casu het onrechtmatig verkregen bedrag wordt gebaseerd kan echter enige tegenstrijdigheid worden ontdekt. De verklaring van betrokkene 7 trekt hierbij in het bijzonder de aandacht. Er wordt immers verklaard dat de kwekerij in mei 2008 voor de tweede maal is opgezet. Diezelfde betrokkene verklaart echter ook dat in juli 2008 de kwekerij wederom is ingericht. Aan de opmerking van betrokkene 7 met betrekking tot het inrichten van de kwekerij in mei wordt, zo lijkt het, meer gewicht gehangen dan aan de verklaringen met betrekking tot het mislukken van de oogst en het wederom opzetten van de plantage in juli. De verklaring van betrokkene 7 is echter niet het enige bewijsmiddel dat wordt genoemd. Zo wordt ook verwezen naar informatie uit tapgesprekken en observatiewaarnemingen waaruit het vermoeden volgt dat er in juli 2008 is geoogst. Van een mislukte kweek in mei zou gezien deze waarnemingen dus geen sprake zijn.

Kennelijk heeft de Hoge Raad in de bewijsmiddelen waar zowel het hof als de rechtbank naar verwijst voldoende redenen gevonden die tot de verwerping van het standpunt konden leiden en daar om deze reden geen nadere motiveringseisen aan gesteld. Opmerkelijk is daarbij wel dat specifiek wordt verwezen naar de verklaring van betrokkene 7 zonder hierbij het verband te leggen met de overige bewijsmiddelen in het kader van de motiveringsplicht. Uit de hier weergegeven jurisprudentie lijkt de algemene conclusie te volgen dat de nadere motiveringsplicht na een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het kader van de ontnemingsmaatregel onverkort geldt. Hierbij dient echter de kanttekening te worden geplaatst dat, indien de weergegeven bewijsmiddelen op toereikende wijze dit standpunt weerleggen, geen nadere motivatie wordt verlangd.

M.J. van Aalderen, Assistent-Officier van Justitie in Rotterdam

Voetnoten

1
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76. Zie ook HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:379, NJ 2016/213 m.nt. Reijntjes, rov. 2.5.1.
2
Vgl. onder meer HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8950, NJ 2003/97 m.nt. Mevis, HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0361, NJ 2006/460 m.nt. Reijntjes (waarin het ging om de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang). Zie ook de conclusie van voormalig advocaat-generaal Silvis voor HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7090, onderdeel 15.
3
Vgl. onderdeel 3.4 van de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4479. Het middel werd door de Hoge Raad afgedaan met de overweging, ontleend aan art. 81, eerste lid, RO.
4
Vgl. HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2468, NJ 2015/417.
5
Zie p. 4 van beide financiële rapporten van 29 november 2010.
6
Vgl. HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM8198.
7
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 november 2012 blijkt dat in eerste aanleg ook het verweer is gevoerd dat er slechts twee oogsten hebben plaatsgevonden.
8
Vgl. HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2125, rov. 3.3, HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3257, rov. 2.3, HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255, rov. 2.5, HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184, rov. 2.4, HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1163, rov. 3.2, HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU2056, NJ 2013/547 m.nt. Borgers, rov. 3.4, HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6374, rov. 2.4, HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU3984, rov. 3.4, HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746, NJ 2013/546 m.nt. Borgers, rov. 2.4, HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251, NJ 2013/545 m.nt. Borgers, rov. 2.6 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers, rov. 3.3.6.
Verder lezen
Terug naar overzicht