JM 2017/75, RvS 08-02-2017, ECLI:NL:RVS:2017:350, 201600577/1/A1 en 201600579/1/A1 (met annotatie van P.B. Bokelaar)

Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning, Rundveestal, Bestemmingsplan, Planvoorschriften, Extensiveringsgebied, Intensieve veehouderij, Melkrundvee, Melkrundveehouderij, Bouwplan, Melding

Samenvatting

Op 30 december 2014 heeft het college van B en W van de gemeente Bronckhorst een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen (hierna: bouwvergunning) van een rundveestal voor 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren. De daartegen ingestelde bezwaren zijn op 9 juli 2015 door het college ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraken van 18 december 2015 heeft de rechtbank (de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland) de beroepen tegen de besluiten op het bezwaar, voor zover deze ongegrond waren verklaard, gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd.

Tegen de uitspraken van de rechtbank hebben het college en de aanvrager van de vergunning hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte geoordeeld dat er strijd met het bestemmingsplan bestaat omdat er sprake zou zijn van een intensieve veehouderij. Zij betogen dat de stal wordt gebruikt voor melkrundvee en het houden van melkrundvee, of dat biologisch wordt gehouden of niet, is naar hun mening geen intensieve veehouderij. Ook heeft de rechtbank volgens hen bij de uitleg van het begrip “melkrundvee” ten onrechte aangesloten bij het spraakgebruik en niet bij de terzake geldende wetgeving zoals het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet ammoniak en veehouderij.

De Afdeling oordeelt, anders dan de rechtbank, dat uit de definitie van 'intensieve veehouderij' in de planvoorschriften niet volgt dat alleen het biologisch houden van melkrundvee geen intensieve veehouderij is. Of er sprake is van een intensieve veehouderij hangt daarom af van het feit of de foktieren en vrouwelijk jongvee beschouwd moeten worden als melkrundvee. De Afdeling overweegt dat vrouwelijk jongvee op zichzelf onderdeel kan zijn van een melkveehouderij en wijst daarbij naar de definitie in de Wet ammoniak en veehouderij. In de vergunde stal wordt echter geen melkvee of vrouwelijk vleesvee ouder dan twee jaar gehouden en er zijn ook geen installaties voor de melkproductie aanwezig. Het vrouwelijk jongvee kan daarom naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet worden beschouwd als bij dat melkvee of vleesvee behorend jongvee en de vergunde rundveestal kan dus niet worden beschouwd als een stal ten behoeve van de melkrundveehouderij.

Op 5 juli 2016 heeft het college zijn besluit van 30 december 2014 gewijzigd vastgesteld en tegelijkertijd de bezwaren tegen het aldus gewijzigde besluit ongegrond verklaard. Uit de Awb (art. 6:19 samen met art. 6:24) volgt dat daarmee van rechtswege beroepen zijn ontstaan tegen de besluiten op bezwaren van 5 juli 2016.

In het besluit van 5 juli 2016 is vergunning verleend voor een door de aanvrager gewijzigde bouwtekening waarin, in afwijking van de eerdere versie, is voorzien in een mestkelder onder de stal, de locatie voor een melkrobot is aangegeven en waarin is vermeld dat 70 melkkoeien worden gehouden in plaats van 72 stuks jongvee.

Appellanten betogen onder meer dat het college er niet van mocht uitgaan dat er een melkveehouderij zal worden geëxploiteerd, omdat dat niet in de vergunningvoorschriften is vastgelegd en er naast de melkkoeien ook stieren worden gehouden. Bovendien staat het bestemingsplan het houden van melkvee volgens hen alleen toe als het om biologisch gehouden dieren gaat.

De Afdeling oordeelt dat het hier, gezien de definitie in de planvoorschriften, niet gaat om een intensieve veehouderij, omdat er wel melkvee wordt gehouden en het niet van belang is – zoals hiervoor is overwogen – of het melkrundvee biologisch wordt gehouden en dat het ook niet van belang is dat er naast de melkkoeien nog 20 fokstieren worden gehouden. Ook wijst de Afdeling er op dat aan een bouwvergunning geen voorschriften kunnen worden verbonden die betrekking hebben op de hoeveelheid en de soort te houden dieren.

Een van appellanten voert verder nog aan dat de bouwvergunning geweigerd had moeten worden omdat een melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit is gedaan voor een veehouderij met een grotere omvang dan nu vergund. De Afdeling overweegt dat een bouwvergunning niet kan worden geweigerd vanwege een discrepantie tussen het bouwplan en een melding, gezien de limitatieve opsomming van de weigeringsgronden in artikel 2.10 van de Wabo.

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank maar verklaart de beroepen tegen de besluiten op bezwaar ongegrond.

Uitspraak

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2014 heeft het college aan DDG krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels over afwijking van de toegestane bouwhoogte, vergunning verleend voor het bouwen van een stal voor het houden van 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren aan de [locatie] te Wichmond.

Bij twee besluiten van 9 juli 2015 (kenmerken Z69181/UIT15-94120 en Z69331/UIT15-94112) heeft het college de door de VGNM en de door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de daartegen door [partij] gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

 

Bij uitspraak van 18 december 2015 (zaken nrs. 15/5151 en 15/6181) heeft de rechtbank het tegen het besluit met kenmerk Z69331/UIT15-94112 door [partij] ingestelde beroep ongegrond verklaard, en het daartegen door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2015 (zaken nrs. 15/5120 en 15/6183) heeft de rechtbank het tegen het besluit met kenmerk Z69181/UIT15-94120 door de VGNM ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze twee uitspraken hebben het college en DDG hoger beroep ingesteld. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in de zaken nrs. 15/5151 en 15/6181.

Het college en DDG hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.

Het college heeft bij besluit van 5 juli 2016 het besluit van 30 december 2014 gewijzigd vastgesteld.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 5 juli 2016, met kenmerk Z69181/UIT-101512, het bezwaar van de VGNM tegen het aldus gewijzigde besluit van 30 december 2014 opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van gelijke datum, met kenmerk Z69331/UIT-101523, heeft het college het bezwaar van [appellant sub 3B] en [appellant sub 3A] tegen het aldus gewijzigde besluit van 30 december 2014 ongegrond verklaard.

Uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, samen met artikel 6:24, volgt dat van rechtswege beroepen zijn ontstaan van de VGNM en van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen de besluiten op bezwaar van 5 juli 2016. Zowel de VGNM als [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben de gronden van deze beroepen aangevuld.

Het college en DDG hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 22 december 2016 ter zitting behandeld, waar (...; red.).

Overwegingen

Inleiding

1. De stal waarvoor de vergunning is verleend is voorzien op gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied Hengelo/Vorden 2005", gelezen in samenhang met de "Correctieve herziening Bestemmingsplan Buitengebied Hengelo/Vorden 2005/2008", de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden" is toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden onder meer bestemd voor de uitoefening van een reëel agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder g, sub 1, is binnen het extensiveringsgebied ÷ de voorziene stal is hierin gelegen ÷ (her)vestiging van intensieve veehouderijen niet toegestaan.

In artikel 1, onder 37, is een intensieve veehouderij gedefinieerd als, voor zover hier van belang, een veehouderij waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch gehouden worden.

In artikel 1, onder 64, is een reëel agrarisch bedrijf gedefinieerd als een agrarisch bedrijf met zodanige omvang en/of structuur dat redelijkerwijs verwacht mag worden, dan wel aantoonbaar is, dat ten minste één persoon een volledige dagtaak heeft aan het beheer van het bedrijf, de verzorging van het vee en de bewerking van het land.

 

2. De rechtbank heeft in haar uitspraak in zaken nrs. 15/5151 en 15/6181 geoordeeld dat sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. In beide uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat de stal moet worden beschouwd als een stal ten behoeve van een intensieve veehouderij als gedefinieerd in artikel 1, onder 37 van de planvoorschriften. Enerzijds omdat volgens de rechtbank alleen veehouderijen waar dieren biologisch worden gehouden, waarvan in dit geval geen sprake is, niet-intensieve veehouderijen kunnen zijn. Anderzijds omdat het in de stal te houden rundvee volgens de rechtbank niet kan worden beschouwd als melkrundvee.

Nu het bestemmingsplan (her)vestiging van een intensieve veehouderij niet toelaat, is volgens de rechtbank voor de stal ten onrechte niet mede krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo vergunning verleend voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan.

(red.)

 

Hoger beroepen en incidenteel hoger beroep

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank in de uitspraak in zaken nrs. 15/5151 en 15/6181 ten onrechte heeft overwogen dat de voorziene veehouderij een reëel agrarisch bedrijf is. Het houden van 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren zou geen volledige dagtaak vergen. De rechtbank heeft bij haar oordeel volgens hen ten onrechte aangenomen of betrokken dat DDG 70 ha landbouwgrond ter beschikking staat, dat het thans vergunde project mede wordt opgestart in verband met een agrarisch bedrijf in Brazilië, en dat is verzocht het bestemmingsplan te wijzigen in verband met uitbreiding van het bedrijf.

3.1. Dit betoog faalt. Reeds gezien de voorziene veebezetting mocht het college naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs verwachten dat een persoon een dagtaak heeft aan het beheer van het bedrijf en de verzorging van het vee. Gezien de in artikel 1, onder 64, van de planvoorschriften weergegeven definitie is daarmee sprake van een reëel agrarisch bedrijf. Of de overige door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden juist of relevant zijn, kan dus in het midden blijven.

4. Het college en DDG betogen dat de rechtbank in beide uitspraken heeft miskend dat de stal wordt gebruikt voor het houden van melkrundvee. Het houden van melkrundvee, ongeacht of dat biologisch wordt gedaan of niet, is volgens hen geen intensieve veehouderij. De rechtbank heeft gelet hierop volgens hen ten onrechte geoordeeld dat strijd met het bestemmingsplan bestaat.

Zij wijzen er in dit verband op dat de bouw van de rundveestal een eerste stap is in de vestiging van een melkrundveehouderij op deze locatie. In verband met die vestiging is wijziging van het bouwblok ter plaatse gevraagd om een stal voor het houden van melkkoeien en bijbehorende installaties te kunnen realiseren. DDG betoogt dat het feit dat het rundvee in de thans vergunde stal mede is bedoeld voor de productie van embryo’s niet meebrengt dat het geen melkrundvee zou kunnen zijn. DDG betoogt verder dat de in de stal te houden fokstieren samen met het vrouwelijk jongvee moeten worden beschouwd als melkrundvee omdat vrouwelijk jongvee na de geboorte van het eerste kalf melk gaat produceren. Het college en DDG betogen dat de rechtbank bij de uitleg van het begrip "melkrundvee" ten onrechte heeft aangesloten bij spraakgebruik (groot woordenboek der Nederlandse taal) en niet bij hetgeen daaronder volgens de ter zake geldende wetgeving, zoals het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet ammoniak en veehouderij, moet worden verstaan.

4.1. Of het rundvee in de stal, wanneer deze zou worden geëxploiteerd als onderdeel van de naar zeggen nog te vestigen (melk)rundveehouderij, zou moeten worden aangemerkt als melkrundvee kan in het midden blijven. Of deze vestiging daadwerkelijk zal plaatsvinden stond met het doen van de aanvraag voor enkel het jongvee en de stieren niet vast. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een mogelijk toekomstige aanvraag om een omgevingsvergunning voor deze vestiging geen rol kan spelen bij de beoordeling of de stal waarvoor thans vergunning is gevraagd in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

Het college en DDG hebben op zichzelf terecht betoogd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, uit de definitie van "intensieve veehouderij" in het bestemmingsplan niet volgt dat alleen het biologisch houden van melkrundvee geen intensieve veehouderij is. In deze definitie is, naast het biologisch houden van dieren, het houden van melkrundvee als afzonderlijke categorie van niet-intensieve veehouderijen opgenomen. Voor de vraag of in dit geval wel of niet sprake is van een intensieve veehouderij, is dus bepalend of de in de stal volgens de aanvraag te houden fokstieren en vrouwelijk jongvee wel of niet melkrundvee zijn.

Op zichzelf kan vrouwelijk jongvee onderdeel zijn van een melkrundveehouderij. Zo wordt in de ook door appellanten aangehaalde Wet ammoniak en veehouderij melkrundvee gedefinieerd als, kort weergegeven, melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, en vrouwelijk vleesvee ouder dan twee jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren. In de rundveestal waarvoor vergunning is verleend wordt geen melkvee of vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar gehouden, en de in deze stal te houden 72 stuks vrouwelijk jongvee kunnen dus niet worden beschouwd als bij dat melkvee of vleesvee behorend vrouwelijk jongvee. Er zijn ook geen installaties voor melkproductie aanwezig. Dat, zoals DDG betoogt, vrouwelijk jongvee na het kalven melk kan geven is op zichzelf juist, maar doet er niet aan af dat de stal waarvoor vergunning is gevraagd geen ruimte of voorzieningen aanwezig zijn voor het houden van melkgevend vee.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de rundveestal waarvoor vergunning is verleend niet kan worden beschouwd als een stal ten behoeve van een melkrundveehouderij. De rechtbank heeft gezien artikel 1, onder 37, in samenhang met artikel 4, vierde lid, onder g, sub 1, van de planvoorschriften terecht geconcludeerd dat sprake is van een in het bestemmingsplan niet toegestane (her)vestiging van een intensieve veehouderij. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geconcludeerd dat, nu niet mede krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo vergunning is verleend voor gebruik van de stal in afwijking van het bestemmingsplan, de verleende vergunning bij de bestreden besluiten op bezwaar ten onrechte is gehandhaafd.

Deze betogen falen.

5. (red.)

6. (red.)

7. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] is ongegrond. Nu de rechtbank gezien hetgeen onder 4.1 is overwogen terecht de besluiten op bezwaar heeft vernietigd, zijn de hoger beroepen van het college en DDG eveneens ongegrond. De aangevallen uitspraken moeten, met verbetering van de gronden waarop deze rusten, worden bevestigd. Ingevolge artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet van het college griffierecht worden geheven.

Nu de rechtbankuitspraak in stand is gebleven, moeten de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen de besluiten van 5 juli 2016 waarbij na de vernietigingen door de rechtbank opnieuw is besloten op de gemaakte bezwaren worden beoordeeld. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

 

Beroepen tegen besluiten op bezwaar van 5 juli 2016

8. Uit het besluit van 5 juli 2016 tot wijziging van de op 30 december 2014 verleende omgevingsvergunning, blijkt dat vóór het nemen van dat besluit door DDG een nieuwe versie van de bij de aanvraag van de vergunning behorende tekening 2014333, blad 1, is ingediend (versie 25 mei 2016). In deze nieuwe versie is, in afwijking van de bij verlening van de vergunning op 30 december 2014 gehanteerde versie, een mestkelder onder de stal voorzien, vermeld dat 70 melkkoeien worden gehouden in plaats van 72 stuks jongvee, en is de locatie van een melkrobot aangegeven.

Het college heeft naar aanleiding hiervan bij het besluit van 5 juli 2016 het besluit van 30 december 2014 tot verlening van de omgevingsvergunning gewijzigd, door vergunning te verlenen voor het bouwplan zoals dat gewijzigd is gevraagd.

Vervolgens heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 30 december 2014, zoals gewijzigd bij het besluit van 5 juli 2016, ongegrond verklaard.

9. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM betogen dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat DDG heeft beoogd een wijziging van de aanvraag in te dienen. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM betogen verder dat het niet om een ondergeschikte wijziging gaat. Volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] is de ruimtelijke uitstraling van het houden van melkvee anders dan dat van het houden van jongvee als eerst voorgestaan. Volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM had niet kunnen worden volstaan met een wijziging van de aanvraag, maar had een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend.

 

9.1. Deze betogen falen.

Het indienen van de gewijzigde bouwtekening heeft het college terecht ÷ en ook geheel overeenkomstig de bedoeling van DDG ÷ aangemerkt als een gewijzigde aanvraag.

De bouwkundige wijzigingen komen erop neer dat een mestkelder onder en een melkrobot in de stal wordt geplaatst. Verder wordt, zoals eerder weergegeven, op een tekening vermeld dat in plaats van jongvee melkkoeien in de stal worden gehouden. Hierbij zijn geen bouwkundige veranderingen vermeld.

De wijziging van het bouwplan in verband waarmee de gewijzigde bouwtekening is ingediend heeft gezien het voorgaande niet of nauwelijks gevolgen voor het bouwwerk zelf. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat appellanten of andere derden door de voorgestelde wijziging in hun belangen worden geschaad. Het college heeft terecht geconcludeerd dat het gaat om een wijziging van ondergeschikte aard van het bouwplan, waarover kan worden besloten zonder eerst een geheel nieuwe aanvraag voor het bouwplan in te dienen.

 

10. De VGNM betoogt dat er een onlosmakelijks samenhang bestaat tussen de thans vergunde bouw en toekomstige uitbreidingen. Daarom zou het college ten onrechte hebben volstaan met het vergunnen van het thans aan de orde zijnde bouwplan.

10.1. Ook dit betoog faalt. Ingevolge artikel 2.7 van de Wabo moet een aanvrager van een omgevingsvergunning ervoor zorgdragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Dit artikel, noch enig andere rechtsregel, verplicht de aanvrager om daarnaast ook alle mogelijke toekomstige activiteiten of projecten in de aanvraag van een omgevingsvergunning te betrekken.

11. Volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM mocht het college er niet van uitgaan dat een melkveehouderij zal worden geëxploiteerd. In dat verband betogen zij onder meer dat dit in de vergunningvoorschriften niet is vastgelegd, en dat er bovendien niet alleen melkkoeien maar ook stieren worden gehouden. Bovendien is volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] het houden van melkvee op grond van de ter plaatse geldende bestemming alleen toegestaan als het om biologisch gehouden dieren gaat.

Verder is volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM bij de thans voorgenomen veebezetting ook geen sprake van een reëel agrarisch bedrijf, en heeft het college in dit verband ten onrechte aangenomen dat 70 ha grond beschikbaar is ten behoeve van de veehouderij.

11.1. Onder 3.1 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college ervan mag uitgaan dat bij het houden van 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Hetzelfde geldt bij het houden van 70 melkkoeien en 20 fokstieren. Hetgeen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM over de beschikbare grond aanvoeren kan verder in het midden blijven. In dit opzicht verzet het bestemmingsplan zich niet tegen de vestiging van de veehouderij.

Wel staat ter beoordeling of het hier gaat om "een veehouderij waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch gehouden worden". De veehouderij moet in dat geval volgens de in artikel 1, onder 37, van de planvoorschriften opgenomen definitie immers worden aangemerkt als een intensieve veehouderij, die ter plaatse niet mag worden gevestigd.

In dit geval gaat het om een veehouderij waar wél melkrundvee (de 70 melkkoeien) wordt gehouden. Uit hetgeen de Afdeling onder 4.1 heeft overwogen, en de onder 1 genoemde planvoorschriften, volgt dat het hierbij niet van belang is of het melkrundvee biologisch wordt gehouden. Gezien de tekst van de definitie, gaat het hier dus niet om een intensieve veehouderij, ook al worden naast de melkkoeien ook nog 20 fokstieren gehouden.

De conclusie is dat het college het overeenkomstig de gewijzigde aanvraag bouwen van een stal en het houden van melkkoeien in combinatie met fokstieren in de stal terecht heeft aangemerkt als het (her)vestigen van een, als reëel agrarisch bedrijf te beschouwen, melkrundveehouderij. Het college heeft terecht geconcludeerd dat het bestemmingsplan in dit opzicht niet in de weg staat aan het verlenen van een vergunning voor de bouw van de stal. Aan zo’n vergunning kunnen alleen voorschriften worden verbonden die betrekking hebben op de vergunde activiteit ÷ het bouwen ÷ en niet, zoals [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] wensen, op de hoeveelheid en soort te houden dieren. Overigens kunnen zij wanneer DDG in strijd met het bestemmingsplan een intensieve veehouderij gaat exploiteren het college verzoeken om tegen die overtreding handhavend op te treden.

De betogen falen.

12. (red.)

13. De VGNM betoogt dat de vergunning had moeten worden geweigerd omdat een melding als bedoeld in afdeling 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan voor een veehouderij op deze locatie die een grotere omvang heeft dan hetgeen thans is vergund.

Dit betoog faalt. Artikel 2.10 van de Wabo geeft limitatief aan op welke gronden een vergunning voor bouwen mag worden geweigerd. Een discrepantie tussen het bouwplan en een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer is hierin niet als weigeringsgrond opgenomen.

14. (red.)

15. De beroepen tegen de besluiten op bezwaar van 5 juli 2016 zijn ongegrond.

 

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen tegen de besluiten op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 5 juli 2016 met kenmerken Z69181/UIT-101512 en Z69331/UIT-101523 ongegrond;

(red.)

Noot

Deze casus betreft de uitspraak in hoger beroep tegen een tweetal uitspraken van de rechtbank Gelderland over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een rundveestal in Wichmond, een dorp in de Gelderse Achterhoek dat deel uitmaakt van de gemeente Bronckhorst. Eén van de uitspraken van de rechtbank heb ik geannoteerd in de aflevering van 10 maart 2016 van Jurisprudentie Milieurecht («JM» 2016/39). In mijn annotatie meldde ik dat het plan om ter plaatse een veehouderij met 1455 koeien te realiseren veel weerstand opriep. Het plan werd vervolgens aangepast en op 30 december 2014 verleende het college van B en W van Bronckhorst een omgevingsvergunning voor de bouw van een stal voor 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren.

In de beroepen daartegen werd onder meer aangevoerd dat de vergunningverlening in strijd is met het bestemmingsplan omdat sprake is van een intensieve veehouderij. In de planregels (artikel 1, onderdeel 37) wordt “intensieve veehouderij” gedefinieerd als “een agrarisch bedrijf of dat deel van een agrarisch bedrijf waar tenminste 250 m² aan bedrijfsvloeroppervlak aanwezig is dat gebruikt wordt als veehouderij volgens de Wet milieubeheer, waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch gehouden worden (conform artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet) en waar geen dieren gehouden worden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer”.

De rechtbank (de voorzieningenrechter) is het met appellanten eens en oordeelt dat de term “biologisch” in de definitie ook op melkrundvee slaat. Omdat het vrouwelijk jongvee en de fokstieren niet op biologische wijze worden gehouden, leidt dat tot de conclusie dat sprake is van intensieve veehouderij en dus strijdigheid met het bestemmingsplan. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het jongvee bestemd is om mee te fokken, dat de embryo’s bedoeld zijn voor het bedrijf van de aanvrager en dat het bedrijf bovendien niet beschikt over een melkinstallatie. Op basis hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat het hier niet gaat om “melkrundvee” en dat er ook om die reden sprake is van een intensieve veehouderij en dus van strijdigheid met het bestemmingsplan. De rechtbank vernietigt het besluit tot vergunningverlening (uitspraken van 18 december 2015).

In mijn commentaar op de uitspraak van de rechtbank was ik kritisch over de taalkundige uitleg die de rechtbank hanteerde ten aanzien van de definitie “intensieve veehouderij”. Daarbij zou de term “dieren die biologisch gehouden worden” ook betrekking hebben op melkrundvee, schapen en paarden. Naar mijn mening is dit niet de bedoeling en zou een teleologische interpretatie (overeenkomstig de bedoeling van de regelgever) logischer zijn geweest. Het houden van melkrundvee, paarden en schapen wordt over het algemeen, ook in de ruimtelijke ordening, niet als intensieve veehouderij aangemerkt. Bovendien zou het apart uitzonderen van melkrundvee, schapen en paarden in de definitie van intensieve veehouderij, in de interpretatie van de rechtbank, geheel overbodig zijn.

In de conclusie van de rechtbank dat het vrouwelijk jongvee (en de fokstieren) niet als “melkrundvee” kan worden aangemerkt, kon ik me wel vinden. Daarbij merkte ik overigens wel op dat vrouwelijk jongvee dat samen met melkkoeien op een melkveebedrijf wordt gehouden over het algemeen wel als melkrundvee wordt beschouwd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, waar “melkrundvee” is gedefinieerd als “melkvee met bijbehorend jongvee, [...]”

Tegen de uitspraken van de rechtbank (de voozieningenrechter) is door het college van B en W en de aanvrager van de vergunning niet alleen hoger beroep ingesteld, maar tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarmee hopen ze te voorkomen dat voor het realiseren van de rundveestal naast de bouwvergunning ook nog een vergunning nodig is om af te wijken van het bestemmingsplan (art. 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 18 maart 2016 uitspraak gedaan. Daarbij kwam de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het college en de aanvrager terecht hebben betoogd dat uit de definitie van “intensieve veehouderij” in het bestemmingsplan niet volgt dat alleen het biologisch houden van melkrundvee geen intensieve veehouderij is. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat in deze definitie, naast het biologisch houden van dieren, het houden van melkrundvee als afzonderlijke categorie van niet-intensieve veehouderijen is opgenomen. Over het vrouwelijk jongvee (en de fokstieren) overweegt de voorzieningenrechter dat vrouwelijk jongvee op zichzelf onderdeel kan zijn van een veehouderij en verwijst daarbij naar de definitie van “melkrundvee” in de Wet ammoniak en veehouderij. Maar nu in de vergunde rundveestal geen melkvee of vrouwelijk vleesvee (ouder dan twee jaar) wordt gehouden en er ook geen installaties voor melkproductie aanwezig zijn, kan het vrouwelijk jongvee niet worden beschouwd als bij dat melkvee of vleesvee behorend vrouwelijk jongvee. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank daarom terecht geconcludeerd dat de rundveestal waarvoor vergunning is verleend, niet kan worden aangemerkt als een stal voor de melkveehouderij, maar eerder als een veehouderij voor de productie van embryo’s. Een dergelijke veehouderij valt onder de definitie van “intensieve veehouderij”. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

 

Waarschijnlijk heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter bij het college en de aanvrager tot het inzicht geleid dat ook het hoger beroep geen perspectief op een voor hen gunstige uitspraak zou brengen. Op 5 juli 2016 heeft het college namelijk zijn besluit van 30 december 2014 (de verlening van de bouwvergunning) gewijzigd. De vergunning wordt verleend voor een door de aanvrager gewijzigd bouwplan. In het gewijzigde bouwplan, dat voorziet in een mestkelder onder de stal, is ook een locatie voor een melkrobot aangegeven en is tevens vermeld dat 70 melkkoeien worden gehouden in plaats van 72 stuks vrouwelijk jongvee.

 

Zoals te verwachten was volgt de Afdeling in de uitspraak in het hoger beroep ten aanzien van het oorspronkelijke besluit het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot de interpretatie van de definitie van het begrip “intensieve veehouderij” in de planvoorschriften. Maar omdat er inmiddels een gewijzigd besluit door het college was genomen, moet de Afdeling ook een oordeel geven over de van rechtswege ontstane beroepen hiertegen. In dat kader oordeelt de Afdeling dat er in het gewijzigde besluit geen sprake meer is van een intensieve veehouderij. Er is immers nu vergunning verleend voor een stal bestemd voor het houden van melkrundvee. Het feit of het melkrundvee biologisch wordt gehouden of dat er naast de melkkoeien nog fokstieren worden gehouden, is, gezien de definitie van “intensieve veehouderij” in de planvoorschriften, niet van belang.

Appellanten voeren ook enkele nieuwe beroepsgronden aan die betrekking hebben op de relatie tussen de regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en de milieuregelgeving. Volgens appellanten had het college in de vergunningvoorschriften moeten vastleggen dat er een melkveehouderij dient te worden geëxploiteerd. Ook had het college volgens appellanten de bouwvergunning moeten weigeren omdat een melding (op grond van het Activiteitenbesluit) was gedaan voor een veehouderij met een grotere omvang dan nu vergund. Maar ook op deze punten heeft hun beroep geen succes, want zoals de Afdeling uiteenzet kunnen aan een bouwvergunning geen voorschriften worden verbonden over aantallen en de soort te houden dieren. Ook is het niet mogelijk een bouwvergunning te weigeren vanwege een verschil tussen het bouwplan en een melding. De gronden waarop een bouwvergunning geweigerd kan worden, zijn namelijk uitputtend geregeld in artikel 2.10 van de Wabo.

Het eindresultaat van deze procedure is dat het hoger beroep (van het college en aanvrager) tegen het oorspronkelijke besluit weliswaar geen succes heeft (de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd), maar ook dat de beroepen van appellanten tegen het gewijzigde besluit ongegrond worden verklaard. Daardoor staat juridisch gezien niets de realisatie van de rundveestal nog in de weg.

P.B. Bokelaar

Terug naar overzicht