JOM 2017/432, RvS 26-04-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1113, 201606425/1/R3

Inhoudsindicatie

Gebrekkige kennisgeving ontwerpbestemmingsplan?

Samenvatting

Op de raad rustte geen verplichting in de kennisgeving te vermelden welke op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage worden gelegd met het ontwerpbesluit. In artikel 3:11, lid 1 van de Awb is alleen de verplichting opgenomen de op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage te leggen.

Bij besluit van 30 juni 2016 geeft de raad van de gemeente Katwijk het bestemmingsplan "1e gedeeltelijke herziening bedrijventerrein 't Heen" vastgesteld. Het plan is, voor zover een bouwmarkt mogelijk wordt gemaakt op het perceel Zeilmakerstraat 1, niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 8 april 2016 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde, gelet op het bepaalde in artikel 1, lid 1 van de Algemene termijnenwet, derhalve op 19 mei 2016. De Rijnpoort heeft binnen de gestelde termijn geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Wat betreft het betoog van De Rijnpoort dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, omdat de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan gebrekkig is geweest overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling is van oordeel dat de kennisgeving niet in strijd is met artikel 3:12, lid 1 van de Awb, nu daarin de zakelijke inhoud van het plan is vermeld en een duiding is gegeven van het gebied waarop het plan betrekking heeft. Het betoog van de Rijnpoort, onder verwijzing naar de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal Widdershoven van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1421, dat in de kennisgeving nadrukkelijk vermeld had dienen te worden dat het ontwerpplan voorziet in een (nieuwe) bouwmarkt op het perceel Zeilmakerstraat 1, omdat het bestuur een "passende mate van openbaarheid" moet betrachten bij het verdelen van schaarse vergunningen met, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling overweegt hiertoe, onder verwijzing naar 3.3 van haar uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1028, dat het plan geen beperking bevat van beschikbare vergunningen als bedoeld in artikel 33, lid 1, aanhef en onder b, van de Dienstenwet. Naar het oordeel van de Afdeling rustte op de raad geen verplichting in de kennisgeving te vermelden welke op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage worden gelegd met het ontwerpbesluit. In artikel 3:11, lid 1 van de Awb is alleen de verplichting opgenomen de op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage te leggen. Het standpunt van De Rijnpoort dat zij persoonlijk op de hoogte gesteld had dienen te worden van het ontwerpbesluit, volgt de Afdeling niet. Wat betreft het in dit verband door De Rijnpoort gedane beroep op artikel 4:8 van de Awb, overweegt de Afdeling dat deze bepaling betrekking heeft op beschikkingen. Voor de voorbereiding van een bestemmingsplan geldt de procedure van afdeling 3.4 van de Awb, die niet verplicht belanghebbenden persoonlijk op de hoogte te stellen van ontwikkelingen in een (ontwerp)bestemmingsplan, die betrekking hebben op hun gronden. De Afdeling overweegt dat in artikel 3:13 van de Awb is bepaald dat het ontwerpbesluit, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, voorafgaand aan de terinzagelegging aan deze belanghebbenden moet worden toegezonden. Het bestemmingsplan betreft echter geen besluit dat tot De Rijnpoort is gericht. Het betoog faalt. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Bron: www.rechtspraak.nl

Uitspraak

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2016 geeft de raad het bestemmingsplan "1e gedeeltelijke herziening bedrijventerrein 't Heen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft De Rijnpoort beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Rijnpoort en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2017, waar De Rijnpoort, vertegenwoordigd door mr. L.J. Smale, advocaat te Leiden, en [gemachtigden], de raad, vertegenwoordigd door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, en ir. J.C. Niemeijer en mr. B.O. Bogers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ambaf B.V., vertegenwoordigd door mr. A.M. Nijboer, advocaat te Den Haag, en mr. P.C. Hilders, [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein 't Heen", vastgesteld door de raad bij besluit van 27 juni 2013. Deze herziening is een gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2217, waarin de Afdeling onder meer de planregeling voor het perceel Zeilmakerstraat 1 (gedeeltelijk) heeft vernietigd en de raad heeft opgedragen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen.

Aan het perceel Zeilmakerstraat 1 is in het plan onder meer de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 5" toegekend. Deze aanduiding maakt ter plaatse de vestiging van een bouwmarkt mogelijk.

2. De Rijnpoort is eigenaar van het perceel Ambachtsweg 23, op het bedrijventerrein 't Heen. Zij verhuurt dit perceel aan de exploitante van een bouwmarkt. Het beroep van De Rijnpoort is gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 5" voor het perceel Zeilmakerstraat 1. Dit perceel is eigendom van Ambaf en is eveneens gesitueerd op het bedrijventerrein 't Heen. Materieel is het beroep gericht tegen de verruiming van de gebruiksmogelijkheden voor het perceel Zeilmakerstraat 1, meer specifiek tegen het toelaten van een bouwmarkt ter plaatse. Volgens De Rijnpoort zal naar verwachting de huidige huurder van haar pand de bouwmarkt verplaatsen naar de Zeilmakerstraat 1.

3. Het plan is, voor zover een bouwmarkt mogelijk wordt gemaakt op het perceel Zeilmakerstraat 1, niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

5. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 8 april 2016 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid van de Algemene termijnenwet, derhalve op 19 mei 2016. De Rijnpoort heeft binnen de gestelde termijn geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Wat betreft het betoog van De Rijnpoort dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, omdat de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan gebrekkig is geweest overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat kennis is gegeven van de terinzagelegging van het ontwerpplan in de Staatscourant van 7 april 2016 en in huis-aan-huisbladen, in het bijzonder de Katwijksche Post van 7 april 2016. In deze kennisgeving staat dat het plangebied de gronden betreft aan onder meer de Zeilmakerstraat. Verder is vermeld dat het plan een gedeeltelijke herziening betreft van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein 't Heen" en dat de herziening plaatsvindt naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling op de beroepen tegen genoemd bestemmingsplan. In de kennisgeving staat verder dat het een wijziging betreft van de zone waarin detailhandel in volumineuze goederen is voorzien. De Afdeling is van oordeel dat de kennisgeving niet in strijd is met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, nu daarin de zakelijke inhoud van het plan is vermeld en een duiding is gegeven van het gebied waarop het plan betrekking heeft. Het betoog van de Rijnpoort, onder verwijzing naar de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal Widdershoven van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1421, dat in de kennisgeving nadrukkelijk vermeld had dienen te worden dat het ontwerpplan voorziet in een (nieuwe) bouwmarkt op het perceel Zeilmakerstraat 1, omdat het bestuur een "passende mate van openbaarheid" moet betrachten bij het verdelen van schaarse vergunningen met, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling overweegt hiertoe, onder verwijzing naar 3.3 van haar uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1028, dat het plan geen beperking bevat van beschikbare vergunningen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dienstenwet.

Naar het oordeel van de Afdeling rustte op de raad geen verplichting in de kennisgeving te vermelden welke op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage worden gelegd met het ontwerpbesluit. In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is alleen de verplichting opgenomen de op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage te leggen.

Het standpunt van De Rijnpoort dat zij persoonlijk op de hoogte gesteld had dienen te worden van het ontwerpbesluit, volgt de Afdeling niet. Wat betreft het in dit verband door De Rijnpoort gedane beroep op artikel 4:8 van de Awb, overweegt de Afdeling dat deze bepaling betrekking heeft op beschikkingen. Voor de voorbereiding van een bestemmingsplan geldt de procedure van afdeling 3.4 van de Awb, die niet verplicht belanghebbenden persoonlijk op de hoogte te stellen van ontwikkelingen in een (ontwerp)bestemmingsplan, die betrekking hebben op hun gronden. De Afdeling overweegt dat in artikel 3:13 van de Awb is bepaald dat het ontwerpbesluit, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, voorafgaand aan de terinzagelegging aan deze belanghebbenden moet worden toegezonden. Het bestemmingsplan betreft echter geen besluit dat tot De Rijnpoort is gericht.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Bron: www.rechtspraak.nl

Terug naar overzicht