JOM 2017/602, RvS 07-06-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1495, 201600426/1/A1

Inhoudsindicatie

Beroep tegen niet tijdig bekend maken van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor bouw vervangend woonhuis

Samenvatting

De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag van appellant, zodat niet van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend.

De vraag of al dan niet van rechtswege vergunning is verleend hangt, gelet op de bepalingen in de Wabo en de Awb, af van het antwoord op de vraag welke procedure op de aanvraag van toepassing is; zie de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2471. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit. Bij de beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure op een aanvraag van toepassing is, is van belang of de activiteit, in dit geval het bouwplan, al dan niet in overeenstemming is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan. Ten tijde van belang gold ter plaatse het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld door de raad van de toenmalige gemeente Rijnwoude. Op grond van dat plan rust op de strook grond tussen de Hondsdijk en de Oude Rijn, waarvan het perceel onderdeel is, de bestemming "Woondoeleinden (W)"en "Primaire waterkeringsdoeleinden", met de nadere aanduidingen "11 woningen toegestaan (11)" en "archeologisch waardevol terrein". Tussen partijen is niet in geschil dat het bestemmingsplan slechts 11 woningen binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Woondoeleinden" toelaat. Verder dient in beginsel bij de beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, het moment dat de aanvraag wordt ingediend als uitgangspunt te worden genomen. Op het moment dat appellant zijn aanvraag voor de bouw van een woning indiende, was reeds door persoon B een aanvraag voor de bouw van een woning ingediend. De Afdeling is van oordeel dat de planwetgever bedoeld moet hebben dat voor de vraag welke woning als elfde woning moet worden aangemerkt het moment van indienen van een aanvraag bepalend is. Een andere lezing, zoals door appellant wordt voorgestaan en die meer aansluit bij de letterlijke tekst van het planvoorschrift, zou mogelijk leiden tot een willekeurige volgorde van behandeling van binnengekomen aanvragen. De rechtbank heeft in navolging van het college de eerdere aanvraag van persoon B terecht als een aanvraag voor een elfde woning beschouwd en de aanvraag van appellant als een aanvraag voor een twaalfde woning. Het feit dat persoon B overeenkomstig artikel 4:5, eerste lid, van de Awb om nadere gegevens was gevraagd en nog niet vaststond dat de aangevraagde vergunning zou worden verleend, doet daaraan niet af. Dit zou anders kunnen zijn bij een zogenoemde "kale" aanvraag. Dat is hier niet het geval. Het was op voorhand niet uitgesloten dat de door persoon B aangevraagde vergunning kon worden verleend. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag van appellant, zodat niet van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend. Het betoog faalt.

Bron: www.rechtspraak.nl

Uitspraak

Procesverloop

Bij brief van 12 mei 2015 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken door het college van een beweerdelijk van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een vervangend woonhuis op het perceel [locatie] te Koudekerk aan den Rijn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een vervangend woonhuis op het perceel.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 8 december 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellant] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2017 (...; red.).

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] was eigenaar van het gehele perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Koudekerk aan den Rijn, sectie A nummer 1654. De woning die op dat perceel stond is in 2008 grotendeels door brand verwoest. [appellant] heeft het gedeelte van het perceel met daarop die woning in het voorjaar van 2012 in eigendom overgedragen aan [persoon A]. Zij heeft die woning tot de fundering laten slopen en dit perceelsgedeelte vervolgens in het najaar van 2012 in eigendom overgedragen aan [persoon B]. [persoon B] heeft op 26 november 2014 een aanvraag ingediend voor de herbouw van de woning op dit perceelsgedeelte. Op 6 februari 2015 heeft het college daarvoor omgevingsvergunning verleend. Tegen deze omgevingsvergunning zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 5 december 2014 heeft [appellant] voor zijn gedeelte van het perceel eveneens een aanvraag ingediend voor de bouw van een vervangend woonhuis. Omdat het college niet binnen acht weken een besluit heeft genomen, is de aangevraagde vergunning volgens [appellant] van rechtswege verleend. Nu het college deze beweerdelijk van rechtswege verleende vergunning niet binnen twee weken daarna bekend heeft gemaakt, terwijl het dat volgens [appellant] wel had moeten doen, heeft hij beroep ingesteld tegen het uitblijven daarvan. Het college heeft bij het besluit van 5 augustus 2015 geweigerd de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen wegens strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied", omdat de aanvraag ziet op de bouw van een twaalfde woning terwijl het bestemmingsplan ter plaatse elf woningen toestaat. [appellant] kan zich hiermee niet verenigen.

2. De wettelijke bepalingen en relevante planvoorschriften die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Vergunning van rechtswege?

Betoog [appellant]

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen vergunning van rechtswege is verleend omdat zijn aanvraag in strijd met het bestemmingsplan ziet op een twaalfde woning. Hiertoe voert hij aan dat de aanvraag op het moment van de indiening en inbehandelingneming in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Op dat moment waren er slechts tien woningen aanwezig en vergund. Voor de eerder door [persoon B] ingediende aanvraag voor de bouw van een woning was nog geen vergunning verleend en ook was nog niet duidelijk dat die zou worden verleend, zodat het in strijd met de rechtszekerheid is om aan die aanvraag betekenis toe te kennen, aldus [appellant].

Beoordeling

4. De vraag of al dan niet van rechtswege vergunning is verleend hangt, gelet op de bepalingen in de Wabo en de Awb, af van het antwoord op de vraag welke procedure op de aanvraag van toepassing is; zie de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2471. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit.

5. Bij de beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure op een aanvraag van toepassing is, is van belang of de activiteit, in dit geval het bouwplan, al dan niet in overeenstemming is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan. Ten tijde van belang gold ter plaatse het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld door de raad van de toenmalige gemeente Rijnwoude. Op grond van dat plan rust op de strook grond tussen de Hondsdijk en de Oude Rijn, waarvan het perceel onderdeel is, de bestemming "Woondoeleinden (W)"en "Primaire waterkeringsdoeleinden", met de nadere aanduidingen "11 woningen toegestaan (11)" en "archeologisch waardevol terrein".

Tussen partijen is niet in geschil dat het bestemmingsplan slechts 11 woningen binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Woondoeleinden" toelaat.

Verder dient in beginsel bij de beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, het moment dat de aanvraag wordt ingediend als uitgangspunt te worden genomen. Op het moment dat [appellant] zijn aanvraag voor de bouw van een woning indiende, was reeds door [persoon B] een aanvraag voor de bouw van een woning ingediend. De Afdeling is van oordeel dat de planwetgever bedoeld moet hebben dat voor de vraag welke woning als elfde woning moet worden aangemerkt het moment van indienen van een aanvraag bepalend is. Een andere lezing, zoals door [appellant] wordt voorgestaan en die meer aansluit bij de letterlijke tekst van het planvoorschrift, zou mogelijk leiden tot een willekeurige volgorde van behandeling van binnengekomen aanvragen. De rechtbank heeft in navolging van het college de eerdere aanvraag van [persoon B] terecht als een aanvraag voor een elfde woning beschouwd en de aanvraag van [appellant] als een aanvraag voor een twaalfde woning. Het feit dat [persoon B] overeenkomstig artikel 4:5, eerste lid, van de Awb om nadere gegevens was gevraagd en nog niet vaststond dat de aangevraagde vergunning zou worden verleend, doet daaraan niet af. Dit zou anders kunnen zijn bij een zogenoemde "kale" aanvraag. Dat is hier niet het geval. Het was op voorhand niet uitgesloten dat de door [persoon B] aangevraagde vergunning kon worden verleend. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag van [appellant], zodat niet van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend.

Het betoog faalt.

Weigering omgevingsvergunning

6. [appellant] heeft wat betreft het besluit van 5 augustus 2015 uitsluitend betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet meer bevoegd was dit besluit te nemen na de verlening van een omgevingsvergunning van rechtswege. Zoals hiervoor is overwogen is niet van rechtswege een omgevingsvergunning verleend.

Het betoog faalt.

Verzoek vaststellen verbeurde dwangsommen

7. [appellant] heeft verzocht de verbeurte van de dwangsommen door het college vanaf 29 april 2015 vast te stellen.

8. Zoals hiervoor is overwogen is niet van rechtswege een omgevingsvergunning verleend. Het college was dan ook niet gehouden een dergelijke verlening overeenkomstig 4:20c, eerste lid, van de Awb bekend te maken, zodat het college geen dwangsommen op grond van artikel 4:20d, eerste lid, van de Awb heeft verbeurd.

Het betoog faalt.

Conclusie

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Bron: www.rechtspraak.nl

Verder lezen
Terug naar overzicht