JOR 2017/134, Gerechtshof Amsterdam 01-11-2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4319, 200.190.256/01 (met annotatie van mr. A.C.A.D. Bakker)

Inhoudsindicatie

Door failliet na faillietverklaring ingestelde procedure tegen voormalig werkgever, Geen analoge toepassing art. 27 Fw, Vorderingen ter zake van niet-genoten vakantiedagen en afgifte salarisspecificaties behoren tot de baten van de boedel, vorderingen ter zake van pensioenrechten niet, Ontvankelijkheid failliet

Samenvatting

Op grond van het bepaalde in art. 23 Fw verliest de failliet door de faillietverklaring de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen. Art. 27 tot en met 32 Fw regelen vervolgens de gevolgen van het faillissement voor ten tijde van de faillietverklaring aanhangige procedures, waarbij het vermogen van de failliet betrokken is, en op grond van art. 25 lid 1 Fw worden vanaf het moment van faillietverklaring procedures die rechten en verplichtingen van de boedel tot onderwerp hebben, door of tegen de curator ingesteld. Op nieuwe (na de faillietverklaring) ingestelde procedures zijn art. 27 e.v. Fw dus niet van toepassing. Degene die na de faillietverklaring door de failliet zelf in een procedure wordt betrokken, heeft geen belang bij analoge toepassing van art. 27 Fw om te voorkomen dat een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van geïntimeerde niet op haar kan worden verhaald. Hij kan zich immers op grond van het bepaalde in art. 25 Fw verzetten tegen het instellen door de failliet zelf van een vordering die het vermogen van de failliet betreft, in welk geval een niet-ontvankelijkverklaring van de failliet moet volgen. De onderhavige procedure heeft pas met de op 29 februari 2016 uitgebrachte dagvaarding een aanvang genomen en was derhalve niet aanhangig ten tijde van de faillietverklaring van geïntimeerde op 20 oktober 2015. Dit wordt niet anders nu in de onderhavige procedure vorderingen van geïntimeerde aan de orde zijn die ook aan de orde waren in de bodemprocedure die heeft geleid tot de (tussen)beschikking van 12 oktober 2015, hetgeen al blijkt uit het feit dat in die procedure inmiddels verval van instantie is uitgesproken bij beschikking van 21 maart 2016. Art. 27 Fw mist in deze procedure toepassing. Nu appellante in ieder geval in appel verweer voert tegen het door geïntimeerde zelf aanhangig maken van een procedure ter zake van vorderingen die tot de baten van de faillissementsboedel moeten worden gerekend, moet onderzocht worden welke vorderingen tot de boedel behoren en dient geïntimeerde in haar desbetreffende vordering(en) niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het feit dat de curator toestemming heeft gegeven de onderhavige procedure te voeren, zoals geïntimeerde nog heeft aangevoerd, maakt niet dat zij in de desbetreffende vordering wel kan worden ontvangen, hoewel appellante zich daartegen verzet. Als een vordering tot de baten van de faillissementsboedel behoort, kan die alleen door de failliet zelf worden ingesteld indien (en zolang) de schuldenaar daar geen bezwaar tegen maakt. Geïntimeerde betwist niet dat de door haar ingestelde vorderingen ter zake van niet-genoten vakantiedagen en afgifte van salarisspecificaties tot de baten van de faillissementsboedel behoren. Ter zake van deze vordering zal geïntimeerde niet-ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen ter zake van de pensioenrechten van geïntimeerde bij het Bedrijfstakpensioenfonds behoren niet tot de baten van de faillissementsboedel. Ter zake van die vorderingen is geïntimeerde dus wel ontvankelijk.

Uitspraak

(...; red.)

2. Beoordeling

2.1. Het gaat in deze zaak – kort weergegeven – om het volgende:

a. Tussen partijen heeft van 1 februari 2015 tot 1 december 2015 een arbeidsovereenkomst bestaan die op verzoek van Verbo door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (voorwaardelijk) is ontbonden bij beschikking van 12 oktober 2015.

b. Bij diezelfde beschikking, die inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, is (voor zover voor deze procedure van belang) het door Verbo op 16 juli 2015 aan [geïntimeerde] verleende ontslag op staande voet vernietigd en is Verbo veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van salaris, vakantiebijslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente. Verbo is voorts veroordeeld tot afgifte van salarisspecificaties vanaf 1 juli 2015 en bepaald is dat Verbo uiterlijk op 15 oktober 2015 schriftelijk een opgave moest doen van de ten behoeve van [geïntimeerde] afgedragen pensioenpremies en van hetgeen eventueel te weinig was afgedragen. Bij die beschikking is voorts een bewijsopdracht gegeven.

c. [geïntimeerde] is op 20 oktober 2015 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. M.W. Schüller te Hoofddorp tot curator.

d. Op 21 maart 2016 heeft de kantonrechter een eindbeschikking gegeven in de procedure, waarin de hiervoor bedoelde (tussen)beschikking van 12 oktober 2015 was gegeven, waarbij die procedure op verzoek van Verbo in verband met het faillissement van [geïntimeerde] is geschorst en Verbo van instantie is ontslagen nadat de curator te kennen had gegeven de procedure niet over te nemen.

e. Bij vonnis van 15 april 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, op vordering van Verbo de executie van de dwangsom verbonden aan de veroordeling van Verbo in het vonnis om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een schriftelijke verklaring aan [geïntimeerde] af te geven, waaruit blijkt welke bedragen Verbo voor [geïntimeerde] aan pensioenpremie verschuldigd is (zowel werkgevers- als werknemersgedeelte) aan het Bedrijfstakpensioenfonds, tot 5 mei 2016 verboden.

2.2. Stellende dat Verbo in gebreke bleef aan een aantal veroordelingen in de genoemde beschikking van 12 oktober 2015 te voldoen en ook overigens verplichtingen uit de inmiddels ontbonden arbeidsovereenkomst niet nakwam, vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg:

I. Verbo te veroordelen om aan [geïntimeerde] binnen twee dagen na het te dezen te wijzen vonnis althans binnen twee dagen na betekening daarvan een schriftelijke verklaring van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg te verstrekken waaruit blijkt welk bedrag de werkgevers- en de werknemersbijdrage in de pensioenpremie is of behoort te zijn op basis van het loon van € 1.816,25 bruto per maand inclusief vakantiebijslag, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Verbo in gebreke is of blijft aan deze veroordeling te voldoen;

II. Verbo te veroordelen om binnen twee dagen na het te dezen te wijzen vonnis althans binnen twee dagen na de betekening daarvan de werknemersbijdrage in de pensioenpremie die zij betreffende de periode van 1 februari 2015 t/m 30 november 2015 op het loon van [geïntimeerde] dient of diende in te houden, aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg af te dragen en [geïntimeerde] hiervan schriftelijk bewijs te sturen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Verbo in gebreke is of blijft aan deze veroordeling te voldoen;

III. Verbo te veroordelen om binnen twee dagen na het te dezen te wijzen vonnis althans binnen twee dagen na de betekening daarvan de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie die zij betreffende de periode van 1 februari t/m 30 november 2015 dient of diende af te dragen aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg, aan dit pensioenfonds af te dragen en [geïntimeerde] hiervan schriftelijk bewijs te sturen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Verbo in gebreke is of blijft aan deze veroordeling te voldoen;

IV. Verbo te veroordelen om aan [geïntimeerde] binnen twee dagen na het te dezen te wijzen vonnis althans binnen twee dagen na de betekening daarvan de salarisspecificaties te verstrekken als bedoeld in artikel 7:626 BW betreffende de periode 16 juli 2015 t/m 30 november 2015, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat Verbo in gebreke is of blijft aan deze veroordeling te voldoen;

V. Verbo te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen de uitkering in geld van de door haar opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen betreffende de periode 1 februari tot 1 december 2015, zijnde een bedrag van € 1.991,20 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarvan ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zowel over het bedrag van € 1.991,20 bruto

als over de wettelijke verhoging daarvan vanaf 1 januari 2016 althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

VI. Verbo te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te voldoen een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 761,13, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

VII. Verbo te veroordelen om aan [geïntimeerde] binnen twee dagen na het te dezen te wijzen vonnis althans binnen twee dagen na de betekening daarvan schriftelijk te bewijzen dat zij de loonheffing betreffende de maanden augustus 2015 t/m november 2015 aan de Belastingdienst heeft afgedragen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat Verbo in gebreke is of blijft aan deze veroordeling te voldoen.

2.3. Nadat Verbo ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 10 maart 2012 een akte houdende incidenteel verzoek tot schorsing ex artikel 27 lid 1 Fw en een akte houdende voorwaardelijk (voor het geval de curator geen gehoor zou geven aan de oproep in de procedure te verschijnen) incidenteel verzoek tot ontslag van instantie ex artikel 27 lid 2 Fw had genomen en inhoudelijk verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter de incidentele vorderingen afgewezen en de vorderingen sub I tot en met V toegewezen (met dien verstande dat de termijn waarbinnen Verbo aan de veroordeling sub I moest voldoen is gesteld op 14 dagen na betekening en dat aan de overige veroordelingen geen termijn is verbonden, dat met betrekking tot de vordering sub I de dwangsom is bepaald op € 1000,-- per dag en met betrekking tot de vorderingen sub II en III de dwangsom telkens is bepaald op € 500,-- per dag, dat de te verbeuren dwangsommen zijn gemaximeerd en dat ter zake van vergoeding voor niet genoten vakantiedagen € 1.226,16 bruto is toegewezen) en Verbo veroordeeld in de kosten van de procedure. Tegen een aantal van deze beslissingen en de gronden waarop deze berusten, richten zich de grieven van Verbo. Het hof overweegt naar aanleiding van de grieven het volgende.

2.4. Grief 1 richt zich tegen de afwijzing van het incidentele verzoek van Verbo tot schorsing van de procedure, zoals bedoeld in artikel 27 Fw. Verbo stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 27 Fw alleen ziet op procedures die ten tijde van de faillietverklaring aanhangig zijn en dat daarvan in dit geval geen sprake is nu het faillissement van [geïntimeerde] op 20 oktober 2015 is uitgesproken en de dagvaarding in de onderhavige zaak op 29 februari 2016 is uitgebracht. Verbo stelt dat in artikel 27 Fw weliswaar gesproken wordt over een ten tijde van de faillietverklaring aanhangige procedure maar dat het artikel ook in een geval als het onderhavige, waarin de rechtsvordering pas na de faillietverklaring wordt ingesteld van toepassing is. Ook in dit geval moet de gedaagde partij de bevoegdheid hebben schorsing ex artikel 27 Fw te verzoeken omdat door deze in het geval dat de curator het geding niet overneemt, ingevolge artikel 27 lid 2 Fw ontslag van instantie gevraagd kan worden, waarmee wordt voorkomen dat de gedaagde partij, die de procedure wint, de kostenveroordeling niet op de gefailleerde eisende partij zal kunnen verhalen. Subsidiair stelt Verbo dat de onderhavige procedure een voortzetting is van de bodemprocedure waarin op 12 oktober 2015 de in overweging 2.1 bedoelde (tussen)beschikking is gegeven.

2.5. Het hof volgt Verbo niet in dit betoog. Op grond van het bepaalde in artikel 23 Fw verliest de failliet door de faillietverklaring de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen. De artikelen 27 tot en met 32 Fw regelen vervolgens de gevolgen van het faillissement voor ten tijde van de faillietverklaring aanhangige procedures, waarbij het vermogen van de failliet betrokken is, en op grond van artikel 25 lid 1 Fw worden vanaf het moment van faillietverklaring procedures die rechten en verplichtingen van de boedel tot onderwerp hebben door of tegen de curator ingesteld. Op nieuwe (na de faillietverklaring) ingestelde procedures zijn de artikelen 27 e.v. Fw dus niet van toepassing. Degene die na de faillietverklaring door de failliet zelf in een procedure wordt betrokken, heeft anders dan Verbo betoogt, ook geen belang bij analoge toepassing van artikel 27 Fw om te voorkomen dat een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde] niet op haar kan worden verhaald. Hij kan zich immers op grond van het bepaalde in artikel 25 Fw verzetten tegen het instellen door de failliet zelf van een vordering, die het vermogen van de failliet betreft, in welk geval een niet-ontvankelijk verklaring van de failliet moet volgen. Het hof komt hierop in het hiernavolgende nog terug. De onderhavige procedure heeft, zoals de kantonrechter ook heeft overwogen, pas met de op 29 februari 2016 uitgebrachte dagvaarding een aanvang genomen en was derhalve niet aanhangig ten tijde van de faillietverklaring van [geïntimeerde] op 20 oktober 2015. Dit wordt niet anders nu in de onderhavige procedure vorderingen van [geïntimeerde] aan de orde zijn die ook aan de orde waren in de bodemprocedure die heeft geleid tot genoemde (tussen)beschikking van 12 oktober 2015, hetgeen al blijkt uit het feit dat in die procedure inmiddels verval van instantie is uitgesproken bij de hiervoor in overweging 2.1 onder d genoemde beschikking van 21 maart 2016. Artikel 27 Fw mist in deze procedure toepassing, zoals de kantonrechter ook heeft overwogen. De incidentele verzoeken van Verbo zijn op goede gronden afgewezen. Grief 1 faalt.

2.6. De kantonrechter heeft vervolgens overwogen dat het antwoord op de vraag of en welke van de ingestelde vorderingen het vermogen van de failliete boedel betreffen in het midden kan blijven nu Verbo geen beroep heeft gedaan op de niet ontvankelijkheid van [geïntimeerde] ten aanzien van (onderdelen van) de vorderingen. Tegen deze overweging richt zich grief 5. Verbo voert aan dat alle vorderingen die een direct financieel belang hebben als ten bate van de boedel moeten worden gerekend en dat het instellen van die vorderingen tot de bevoegdheid van de curator behoort en niet door [geïntimeerde] zelf hadden kunnen worden ingesteld. Verbo stelt dat [geïntimeerde] daarom in ieder geval niet ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering ten aanzien van niet genoten vakantiedagen.

2.7. Deze grief slaagt. Nu Verbo in ieder geval in appel verweer voert tegen het door [geïntimeerde] zelf aanhangig maken van een procedure ter zake van vorderingen die tot de baten van de faillissementsboedel moeten worden gerekend, moet onderzocht worden welke vorderingen tot de boedel behoren en dient [geïntimeerde] in haar desbetreffende vordering(en) niet ontvankelijk te worden verklaard. Het feit dat de curator toestemming heeft gegeven de onderhavige procedure te voeren, zoals [geïntimeerde] nog heeft aangevoerd, maakt niet dat zij in de desbetreffende vordering wel kan worden ontvangen, hoewel Verbo zich daartegen verzet. Als een vordering tot de baten van de faillissementsboedel behoort, kan die alleen door de failliet zelf worden ingesteld indien (en zolang) de schuldenaar daar geen bezwaar tegen maakt.

2.8. [geïntimeerde] betwist niet dat de door haar ingestelde vorderingen ter zake van niet genoten vakantiedagen (vordering sub V) en afgifte van salarisspecificaties (vordering sub IV) tot de baten van de faillissementsboedel behoren. Ter zake van deze vordering zal [geïntimeerde] niet ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen ter zake van de pensioenrechten van [geïntimeerde] bij het Bedrijfstakpensioenfonds (vorderingen I, II en III) behoren niet tot de baten van de faillissementsboedel. Ter zake van die vorderingen is [geïntimeerde] dus wel ontvankelijk.

2.9. Nu [geïntimeerde] niet ontvankelijk verklaard zal worden in haar vordering ter zake van niet genoten vakantiedagen, heeft Verbo geen belang bij behandeling van grief 3, die zich richt tegen de hoogte van het ter zake niet genoten vakantiedagen toegewezen bedrag. De vordering van Verbo [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis heeft betaald is toewijsbaar voor zover die betaling een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en de daarover verschuldigde wettelijk rente betreft.

2.10. Met grief 2 klaagt Verbo erover dat de kantonrechter bij haar beoordeling de e-mail wisseling van 26 februari 2016 tussen de advocaat van [geïntimeerde] en de curator heeft betrokken, die eerst bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg in het geding is gebracht en waarop Verbo niet meer heeft kunnen reageren.

2.11. Bij deze grief heeft Verbo, wat daar verder ook van zij, geen belang omdat zij in ieder geval in hoger beroep in de gelegenheid is geweest op de desbetreffende e-mails te reageren en het feit dat de curator toestemming heeft verleend voor de onderhavige procedure niet van belang is voor de vorderingen die tot de faillissementsboedel behoren, zoals uit het vooroverwogene volgt.

2.12. Grief 4 ten slotte richt zich tegen de veroordeling van Verbo op verbeurte van een dwangsom om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een schriftelijke verklaring aan [geïntimeerde] af te geven, waaruit blijkt welke bedragen Verbo voor [geïntimeerde] aan pensioenpremie verschuldigd is (zowel werkgevers- als werknemersgedeelte) aan het Bedrijfstakpensioenfonds. Verbo stelt dat haar een langere termijn dan 14 dagen gegund had moeten worden omdat zij de desbetreffende gegevens niet binnen 14 dagen kon verstrekken nu zij voor die gegevens afhankelijk was van het Bedrijfspensioenfonds en dat de dwangsom op een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij is daarom genoodzaakt geweest zich tot de voorzieningenrechter te wenden met het verzoek die termijn te verlengen, hetgeen heeft geleid tot het in overweging 2.1 onder e genoemde kortgedingvonnis.

2.13. Ook bij deze grief heeft Verbo geen belang meer. In haar memorie van antwoord (onder 32) voert [geïntimeerde] aan dat Verbo kort voor het verstrijken van de door de voorzieningenrechter bij genoemd vonnis tot 5 mei 2016 verlengde termijn aan de veroordeling de bedoelde pensioengegevens te verstrekken heeft voldaan en dus geen dwangsommen heeft verbeurd.

2.14. De conclusie van het vooroverwogene is dat grief 1 faalt, Verbo bij de behandeling van de grieven 2, 3 en 4 geen belang meer heeft en dat grief 5 slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover Verbo daarbij is veroordeeld enig bedrag aan [geïntimeerde] te betalen ter zake van een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen. [geïntimeerde] zal in dat onderdeel van haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard en zal worden veroordeeld tor terugbetaling van hetgeen Verbo op grond van het vonnis heeft betaald ter zake van niet genoten vakantiedagen. Aangezien beide partijen op enige punten in het ongelijk gesteld zijn, is er aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt van beide instanties.

3. Beslissing

Het hof

vernietigt het vonnis voor zover Verbo daarbij is veroordeeld aan [geïntimeerde] enig bedrag te betalen ter zake van niet genoten vakantiedagen, tot afgifte van salarisspecificaties en voor zover Verbo daarbij in de kosten is veroordeeld en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart [geïntimeerde] niet ontvankelijk in haar vorderingen ter zake van een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en de afgifte van salarisspecificaties;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] tot (terug) betaling aan Verbo van hetgeen Verbo haar op grond van het vonnis heeft betaald ter zake van een vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen en de wettelijke rente daarover;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg en in appel.

Noot

1. In dit arrest buigt het gerechtshof zich over de vraag of art. 27 Fw analoog dient te worden toegepast op rechtsvorderingen die na datum faillissement door de failliet zelf (dus niet door diens curator) zijn ingesteld. Na een negatieve beantwoording van die vraag, beoordeelt het gerechtshof of de failliet al dan niet ontvankelijk is in de door hem ingestelde vorderingen. Wellicht verrassend blijkt dat deels het geval.

2. De feiten in deze procedure zijn als volgt. Gedaagde, Verbo, heeft haar werknemer op 16 juli 2015 op staande voet ontslagen. De werknemer heeft in rechte, onder andere, vernietiging van het ontslag op staande voet verzocht alsmede betaling van haar salaris en emolumenten. Verbo heeft de kantonrechter in dezelfde procedure verzocht de arbeidsovereenkomst met de desbetreffende werknemer te ontbinden. Zowel de verzoeken van Verbo als die van de werknemer worden bij beschikking (niet zijnde eindbeschikking) van 12 oktober 2015 toegewezen.

3. Acht dagen later, op 20 oktober 2015, wordt de werknemer in staat van faillissement verklaard. Bij eindbeschikking van 21 maart 2016 wordt de procedure voor wat betreft de vorderingen van de werknemer op grond van art. 27 lid 1 Fw geschorst en wordt aan Verbo op grond van art. 27 lid 2 Fw ontslag van instantie verleend, nadat de curator kenbaar had gemaakt de procedure in conventie niet over te nemen.

4. De gefailleerde werknemer (dus niet diens curator) had voorafgaande aan deze eindbeschikking, op 29 februari 2016, echter alweer een nieuwe procedure tegen Verbo ingesteld. In deze tweede procedure vordert de werknemer, onder andere, (i) betaling van achterstallige werknemers- en werkgeversbijdragen aan het Bedrijfstakpensioenfonds en (ii) vergoeding van niet-genoten vakantiedagen.

5. Verbo vordert bij incident dat ook deze procedure op grond van art. 27 lid 1 Fw wordt geschorst en dat aan Verbo, voor zover de curator de procedure niet overneemt, op grond van art. 27 lid 2 Fw ontslag van instantie wordt verleend.

6. Het uitgangspunt is evenwel dat art. 27 tot en met 29 Fw uitsluitend van toepassing zijn op procedures die op de datum van het faillissement aanhangig zijn en waarin nog geen dagbepaling van de uitspraak heeft plaatsgevonden (art. 30 Fw). De door de gefailleerde werknemer ingestelde vorderingen zijn echter in faillissement ingesteld. Op een dergelijke procedure is in beginsel, behoudens het bepaalde in art. 26 Fw, art. 25 Fw van toepassing. De incidentele vordering van Verbo wordt daarom zowel in eerste aanleg als in appel afgewezen.

7. Dat oordeel lijkt vanzelfsprekend, maar de incidentele vordering van Verbo was minder kansloos dan die, op het eerste gezicht, lijkt. In zijn arrest van 18 november 1983 (NJ 1984/256) heeft de Hoge Raad bepaald dat het strookt met de strekking en het stelsel van art. 25 en 27 Fw dat indien de failliet zelf in hoger beroep komt van een uitspraak op een vóór datum faillissement door de latere failliet ingestelde rechtsvordering, zijn wederpartij bevoegd is om schorsing te verzoeken en ontslag van instantie te vragen (indien de curator kenbaar maakt dat hij de procedure niet overneemt). De failliet die zelf in beroep komt van een door hem in eerste aanleg ingestelde vordering, is dus ontvankelijk, ook indien de wederpartij zich op art. 25 lid 1 Fw beroept. De A-G acht in dit geval analoge toepassing van art. 27 Fw gerechtvaardigd omdat appel een middel is om een eenmaal ingestelde rechtsvordering door en voort te zetten.

8. Weliswaar betreft de door de werknemer ingestelde procedure geen appelprocedure, maar de ingestelde vorderingen zijn vrijwel gelijk aan de vorderingen die in de geschorste procedure zijn ingesteld. Om die reden betoogt Verbo dat de procedure dient te worden beschouwd als een voortzetting van de procedure in eerste aanleg en dat Verbo daarom bevoegd is om ontslag van instantie te verzoeken. Het gerechtshof gaat daar niet in mee; de op datum faillissement aanhangige procedure is immers reeds tot een einde gekomen doordat verval van instantie is uitgesproken. Geconcludeerd moet worden dat het in deze zaak dus niet gaat om een vordering waarop art. 27 Fw analoog dient te worden toegepast. Art. 25 Fw is dan ook van toepassing.

9. In appel voert Verbo subsidiair het verweer dat de failliete werknemer niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover de door haar ingestelde vorderingen tot het vermogen van de boedel behoren. In art. 23 Fw is bepaald dat de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen verliest. In art.25 lid 1 Fw is bepaald dat vorderingen die tot het faillissementsvermogen behoren, door of tegen de curator worden ingesteld. Uit lid 2 van art. 25 Fw volgt evenwel dat voornoemde vorderingen ook door of tegen de failliet kunnen worden ingesteld, maar dat een eventuele veroordeling van de failliet geen rechtskracht heeft tegenover de boedel. Het gerechtshof verklaart de failliet desalniettemin niet-ontvankelijk in de vordering die tot het faillissementsvermogen behoort, zijnde de vordering uit hoofde van de niet-genoten vakantiedagen.

10. Het gerechtshof is van oordeel dat vorderingen die tot het faillissementsvermogen behoren, uitsluitend door de failliet kunnen worden ingesteld indien en zolang de schuldenaar daar geen bezwaar tegen maakt. Hoewel dit niet uit het arrest volgt, baseert het gerechtshof dit oordeel mogelijk op het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 1914, NJ 1914/709 (Vecqueray en Knops/Stein). Uit dit arrest volgt dat de failliet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering indien de gedaagde zich verzet tegen het instellen van een vordering door de failliet (vgl. Hof Amsterdam-Leeuwarden d.d. 6 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9869). Art. 25 Fw is dus niet van openbare orde: niet-ontvankelijkheid zal uitsluitend volgen indien de gedaagde zich op art. 25 Fw beroept.

11. Zoals reeds aangehaald is in lid 2 van art. 25 Fw bepaald dat indien de failliet zelf procedeert, een eventuele veroordeling van de failliet geen rechtskracht heeft tegenover de boedel. Dit geldt echter niet voor een eventuele veroordeling van de gedaagde; die zal aan de veroordeling moeten voldoen en, indien de veroordeling ziet op betaling van een geldsom, dat bedrag aan de curator moeten betalen. De vordering behoort immers tot de faillissementsboedel. Deze omstandigheid zou in de praktijk tot problemen kunnen leiden, indien de gedaagde, niet bekend zijnde met het faillissement van de eiser, betaalt aan de gefailleerde eiser. Een kwaadwillige failliet zal het immers ertoe kunnen leiden dat het betaalde bedrag buiten het bereik van de curator blijft. Voor de hand ligt dat de gedaagde dan op grond van art. 52 lid 2 Fw nogmaals moet betalen aan de curator.

12. De vordering uit hoofde van de pensioenrechten behoort naar het oordeel van het gerechtshof niet tot de faillissementsboedel. Om die reden is de failliete werknemer ontvankelijk in deze vordering. Waar het gerechtshof dit oordeel op baseert, volgt niet uit het arrest. Een eerste mogelijkheid is dat het gerechtshof tot dit oordeel komt omdat de werknemer heeft gevorderd dat Verbo de pensioenrechten rechtstreeks aan het pensioenfonds voldoet. In dat geval raakt de vordering niet het faillissementsvermogen.

13. Een tweede mogelijkheid is dat het gerechtshof zich baseert op HR 30 mei 1997, «JOR» 1997/119, m.nt. Loesberg (Menschaert q.q./Pensioenfonds Tandartsen). In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat een curator niet mag beschikken over het pensioenrecht van een deelnemer in een beroepspensioenregeling, waar geen pensioenovereenkomst in een arbeidsverhouding aan ten grondslag ligt (zoals een verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds). Dit omdat een dergelijk pensioenrecht naar het oordeel van de Hoge Raad heeft te gelden als een hoogstpersoonlijk recht, dat geen deel uitmaakt van het als gevolg van het faillissement afgescheiden (doel)vermogen.

mr. A.C.A.D. Bakker, advocaat bij Dentons Boekel

Verder lezen
Terug naar overzicht