JPF 2017/19, Rechtbank Limburg 03-11-2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:9526, C/03/224645/FA RK 16-2962

Inhoudsindicatie

Geen beëindiging gezag, Discretionaire bevoegdheid, Belang minderjarige

Samenvatting

In deze zaak verzoekt de Raad het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over de minderjarige te benoemen. Bij beschikking van juni 2013 is de ondertoezichtstelling uitgesproken en sinds oktober 2013 is de minderjarige met een machtiging uit huis geplaatst.

Uit het raadsrapport blijkt dat bij de minderjarige sprake is van een hardnekkige problematiek. De minderjarige is bedreigd in haar ontwikkeling als gevolg van zeer problematische gezinsomstandigheden. Het blijkt echter ook dat de moeder wel inzicht heeft in haar eigen mogelijkheden en onmogelijkheden. Zij heeft de afgelopen tijd goed samengewerkt met de hulpverlening en ook de samenwerking met de gezinsvoogd is goed verlopen. De moeder en de minderjarige zijn beiden tegen het verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel.

Ter zitting brengen partijen de volgende standpunten naar voren. De moeder stelt dat het voor haar duidelijk is dat de minderjarige niet meer voor haar achttiende verjaardag thuis zal komen wonen. Zij heeft zich de afgelopen periode goed ingespannen en voelt een beëindiging van het ouderlijk gezag als een straf. De GI stelt dat als het niet in de wet had gestaan – nu er geen perspectief is op plaatsing van de minderjarige thuis – de GI de maatregel niet zou hebben gevraagd.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van art. 1:266 BW kan zij het gezag van een ouder beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. De rechtbank stelt voorop dat art. 1:266 BW blijkens het woordje ‘kan’ een discretionaire bevoegdheid voor de rechter behelst. Hoewel op zichzelf sprake is van een situatie waarin beëindiging van het gezag passend zou zijn, ziet de rechtbank aanleiding om daartoe in dit specifieke geval niet over te gaan. De rechtbank acht het belang van het kind daarbij leidend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel de Raad als de GI geen concrete bezwaren hebben tegen de wijze waarop de moeder het gezag uitoefent over de minderjarige, dat zowel de minderjarige als de moeder weten en begrijpen dat het perspectief van de minderjarige niet thuis bij de moeder is en dat de relatie tussen de moeder en de minderjarige goed is.

De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van de minderjarige om over te gaan tot gezagsbeëindiging en zal derhalve het verzoek van de Raad afwijzen.

Uitspraak

1. Het procesverloop

(...; red.)

2. De feiten

2.1. Het ouderlijk gezag over [X] wordt uitgeoefend door de moeder.

2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juni 2013 is de ondertoezichtstelling van [X] uitgesproken. Sinds 16 oktober 2013 is [X] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Sinds de zomer 2016 verblijft [X] bij Rubicon te Horn. Deze maatregelen duren nog steeds voort.

2.3. De GI heeft zich bij brief van 10 augustus 2016 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3. Het verzoek

3.1. De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [X] te benoemen.

3.2. Uit het raadsrapport blijkt dat bij [X] sprake is van een hardnekkige problematiek. [X] is bedreigd in haar ontwikkeling als gevolg van zeer problematische gezinsomstandigheden. Zorg is er over het feit dat de moeder niet altijd duidelijk is naar [X] over het perspectief dat zij haar kan bieden. [X] wil graag weer thuis wonen en de moeder weet dat dit niet kan omdat ze [X] onvoldoende tegenwicht kan bieden, waardoor de kans op een terugval van [X] in haar gedrag niet onwaarschijnlijk is. Daarnaast heeft de moeder haar handen vol aan zichzelf en heeft ze tevens de zorg voor [A], die gezien zijn ontwikkeling extra aandacht vraagt. Ook zijn er de zorgen die de moeder over haar oudste zoon [B] heeft.

De moeder heeft inzicht in haar eigen mogelijkheden en onmogelijkheden. Zo weet ze verstandelijk dat ze overvraagd wordt in het dragen van de volledige verantwoordelijkheid voor [X], in haar hart voelt dat echter anders. De moeder heeft de afgelopen tijd goed samengewerkt met de hulpverlening rondom [X] en ook de samenwerking met de gezinsvoogd is goed verlopen. De moeder en [X] zijn allebei tegen het verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel.

4. De standpunten van partijen ter zitting

4.1. Vanuit de moeder is onder meer gesteld dat het voor haar duidelijk is dat [X] voor haar achttiende verjaardag niet meer thuis zal komen wonen. Zij zal zich in de toekomst dan ook niet verzetten tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [X]. De moeder heeft zich de afgelopen tijd goed ingespannen en zij voelt een beëindiging van het ouderlijk gezag als een straf.

4.2. Door de GI is gesteld dat eigenlijk iedereen gelijk heeft en dat, als het niet in de wet had gestaan (nu er geen perspectief is op plaatsing van [X] thuis), de GI de maatregel niet aangevraagd zou hebben.

4.3. De vertegenwoordiger van de Raad heeft gesteld dat het perspectief van [X] niet bij moeder is. De moeder kan dit [X] niet bieden en voor [X] is het belangrijk dat zij leert om op eigen benen te staan.

5. De beoordeling

5.1. De Raad stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:266, eerste lid, onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

5.2. Uit het raadsrapport blijkt dat de moeder niet achter de uithuisplaatsing van de minderjarige [X] staat.

5.3. De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.4. De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:266 lid 1 BW blijkens het woordje “kan” een discretionaire bevoegdheid voor de rechter behelst. Hoewel op zichzelf sprake is van een situatie waarin beëindiging van het ouderlijk gezag passend zou zijn, nu niet langer aan het doel van de ondertoezichtstelling wordt gewerkt en daarmee ook een duidelijke situatie voor de minderjarige zou worden gecreëerd, ziet de rechtbank aanleiding om daartoe in dit specifieke geval niet over te gaan. De rechtbank acht daarbij het belang van de minderjarige leidend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel de Raad als de GI geen concrete bezwaren hebben tegen de wijze waarop de moeder het gezag uitoefent over de minderjarige [X], dat zowel [X] als de moeder weten en begrijpen dat het perspectief van [X] niet thuis bij de moeder is en dat de relatie tussen de moeder en [X] goed is. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [X] om over te gaan tot een gezagsbeëindiging en zal derhalve het verzoek van de van de Raad afwijzen.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst af het verzoek van de Raad.

Verder lezen
Terug naar overzicht