JPF 2017/2, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-06-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4920, 200.136.404/01

Inhoudsindicatie

Vragen aan Internationaal Juridisch Instituut inzake rechtsgeldigheid van in Nevada gesloten huwelijk tussen Egyptische man en Nederlandse vrouw

Samenvatting

In 2011 zijn de man en de vrouw in de Verenigde Staten met elkaar gehuwd. De man heeft de Egyptische nationaliteit en woont sinds 2005 in Nederland. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en woont ook in Nederland. De man heeft de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft daarop in een zelfstandig verzoek gevorderd dat het huwelijk nietig wordt verklaard. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank aan het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) een aantal vragen gesteld, onder meer over de rechtsmacht en het toepasselijke recht inzake het verzoek van de vrouw en ten aanzien van de vraag of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Uiteindelijk heeft de rechtbank, na verschijning van het rapport van het IJI en meerdere aktewisselingen tussen partijen, de verzochte nietigverklaring van het huwelijk tussen partijen en de overige verzoeken afgewezen. Tot slot is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.

De vrouw is hiertegen in hoger beroep gegaan. Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter op grond van art. 3 Brussel II-bis bevoegd is tot kennisneming van het verzoek tot nietigverklaring en het echtscheidingsverzoek, omdat beide partijen in Nederland woonachtig zijn. De vraag of een huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen, wordt in beginsel beheerst door het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken. Aangezien het huwelijk van partijen in de Verenigde Staten is gesloten, dient de vraag of het huwelijk van partijen nietig is daarom beoordeeld te worden naar het recht van de staat waar het huwelijk voltrokken is. Het hof acht zichzelf echter onvoldoende voorgelicht om de zaak aan de hand van de beschikbare informatie te beoordelen. Het hof stelt daarom aanvullende vragen aan het IJI.

Uitspraak

1. Het geding in eerste aanleg

(...; red.)

2. Het geding in hoger beroep

(...; red.)

3. De vaststaande feiten

Vaststaande feiten

3.1. De man en de vrouw zijn op [in 2001] in [plaats 1] met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk geen minderjarige kinderen zijn geboren. De man heeft de Egyptische nationaliteit en is sinds [2005] woonachtig te Nederland. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en woont vanaf haar geboorte in Nederland.

3.2. De man is eerder, op [in 1987] te [plaats 2] (Egypte), gehuwd met mevrouw [X] (hierna: [X]).

Het geding in eerste aanleg

In de zaak bij de rechtbank geadministreerd onder zaaknummer 179485/FA RK 10-4994

3.3. Bij inleidend verzoekschrift van 9 december 2010, ingekomen ter griffie van de rechtbank op diezelfde dag, heeft de man, voor zover ten deze van belang, verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

3.4. Bij verweerschrift van 16 februari 2011, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 18 februari 2011, heeft de vrouw het inleidend verzoek van de man bestreden en, voor zover ten deze van belang, zelfstandig verzocht te bepalen dat het huwelijk van partijen gesloten op [in 2001] te [plaats 1] nietig wordt verklaard.

3.5. Bij verweerschrift van 8 april 2011, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 12 april 2011, heeft de man het zelfstandig verzoek van de vrouw bestreden en, voor zover ten deze van belang, verzocht de vrouw in haar zelfstandig verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen.

In de zaak bij de rechtbank geadministreerd onder zaaknummer 180379/FA RK 10-5331

3.6. Bij inleidend verzoekschrift van 30 december 2010 heeft de vrouw de rechtbank, voor zover ten deze van belang, verzocht het huwelijk van partijen gesloten op [in 2001] te [plaats 1] nietig te verklaren.

3.7. Bij verweerschrift van 28 februari 2011, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 1 maart 2011, heeft de man het zelfstandig verzoek van de vrouw bestreden en, voor zover ten deze van belang, verzocht het zelfstandig verzoek van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen.

3.8. Bij verweerschrift van 18 maart 2011, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 21 maart 2011, heeft de vrouw gereageerd op de stellingen die de man heeft ingenomen ten aanzien van het door haar ingediende verzoek tot nietigverklaring huwelijk.

In beide zaken

3.9. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 11 januari 2011 heeft de rechtbank, voor zover ten deze van belang, het zelfstandig verzoek van de vrouw tot nietigverklaring van het huwelijk van partijen gesloten op [in 2001] te [plaats 1] afgewezen.

3.10. De rechtbank heeft op 17 oktober 2011 aan het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) de volgende schriftelijke vragen gesteld:

– is de rechtbank bevoegd een oordeel te geven over het verzoek van de vrouw?

– welk recht is van toepassing op de vraag of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen?

– indien dit het recht van [staat]/de Verenigde Staten is, is er dan sprake van een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen of van een nietig huwelijk of is dit huwelijk vernietigbaar? Bij het voorgaande met name bezien in het licht van de stelling van de vrouw dat de man nog gehuwd was met zijn eerste echtgenote en de stelling van de man dat hij zijn eerste echtgenote heeft verstoten/dat hij van haar is gescheiden.

– vindt er in [staat] bij een huwelijksvoltrekking onderzoek plaats naar de personalia, de huwelijkse staat e.d. en op welke wijze?

– naar welk recht dienen de vragen of de man zijn eerste echtgenote heeft verstoten of van haar is gescheiden beoordeeld te worden? En als dit naar het recht van Egypte of het recht van [staat]/de Verenigde Staten is, hoe vindt een naar Egyptisch recht of het recht van [staat]/de Verenigde Staten rechtsgeldige echtscheiding/verstoting plaats?

– Indien de vragen of de man zijn eerste echtgenote heeft verstoten of van haar is gescheiden beoordeeld dient te worden naar het recht van Egypte, en er sprake is van een rechtsgeldige scheiding/verstoting van de eerste echtgenote van de man naar dat recht, wordt deze echtscheiding/verstoting dan in [staat]/de Verenigde Staten erkend en zo ja onder welke voorwaarden?

– Zijn er overigens nog bijzonderheden te vermelden die in dit kader van belang zijn?

3.11. Het IJI heeft bij brief van 20 februari 2012 zijn rapport van diezelfde datum, ter beantwoording van bovenvermelde vragen, aan de rechtbank doen toekomen.

3.12. Bij beschikking van 10 april 2012 heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om binnen een periode van drie maanden na 10 april 2012 te reageren op het rapport van het IJI.

3.13. De vrouw heeft op 9 juli 2012 haar reactie op het rapport van het IJI aan de rechtbank doen toekomen en voorts haar verzoek om te bepalen dat het huwelijk gesloten tussen partijen in [plaats 1] nietig is gewijzigd/aangevuld in:

I. het verzoek om een verklaring voor recht dat het huwelijk van partijen, gesloten op [in 2001] in [plaats 1] nietig is en geacht wordt vanaf datum huwelijkssluiting nooit te hebben bestaan;

II. het verzoek om te bepalen dat de erkenning van het huwelijk van partijen, gesloten op [in 2001] te [plaats 1], in Nederland, respectievelijk [woonplaats] niet mag plaatsvinden:

– primair vanwege nietigheid van het huwelijk; en

– subsidiair op grond van strijd met de Nederlandse openbare orde en voor zover erkenning heeft plaatsgevonden te bepalen dat deze erkenning met terugwerkende kracht tot aan [in 2001] nietig is respectievelijk moet worden vernietigd en de man gehouden is zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van de opdracht daartoe;

– meer subsidiair:

III. het verzoek om te bepalen, indien erkenning in Nederland van het huwelijk niet nietig wordt verklaard, respectievelijk niet wordt vernietigd, dat het op [in 2001] te [plaats 1] tussen partijen gesloten huwelijk nietig moet worden verklaard op grond van het feit dat bigamie in het op dat huwelijk formeel en materieel toepasselijke recht van de staat [staat] leidt tot een absoluut nietig huwelijk.

3.14. De man heeft bij journaalbericht van 9 juli 2012 zijn reactie op het rapport van het IJI aan de rechtbank doen toekomen en de rechtbank verzocht de beslissing voor drie maanden aan te houden, aangezien de man een procedure is gestart voor erkenning en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van zijn huwelijk met [X] in Nederland.

3.15. Bij beschikking van 16 juli 2012 heeft de rechtbank:

– de vrouw verzocht toe te lichten wat haar belang is bij het afgeven van de door haar verzochte verklaring van recht;

– de vrouw verzocht zich uit te laten over het verzoek van de man om de beslissing voor drie maanden aan te houden;

– de man in de gelegenheid gesteld te reageren op de gewijzigde/aangevulde verzoeken van de vrouw,

en alvorens de beslissen iedere beslissing aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om binnen een periode van één maand na 16 juli 2012 te reageren.

3.16. Bij brief van 30 juli 2012 heeft de vrouw haar belang bij het afgeven van de door haar verzochte verklaring van recht toegelicht en bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de man de zaak voor een periode van drie maanden aan te houden.

3.17. Bij verweerschrift van 10 augustus 2012, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 13 augustus 2012, heeft de man het aanvullend/gewijzigd verzoek van de vrouw bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van alle aanvullende/wijzigende verzoeken van de vrouw.

3.18. Bij beschikking van 28 augustus 2012 heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden voor een periode van drie maanden na 28 augustus 2012, de man verzocht de rechtbank te informeren of hij beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank [Y] ([staat]) van [2012] en wat de uitslag van dit beroep is en de vrouw verzocht de rechtbank te informeren over het verloop en de uitslag van de bezwaarprocedure bij de gemeente [woonplaats].

3.19. Bij akte uitlating van 23 november 2012 heeft de man de rechtbank bericht dat hij bij verzoekschrift van 16 november 2012 een motie tot herziening heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank [Y] van [2012] en de rechtbank verzocht de zaak voor drie maanden aan te houden in afwachting van de beslissing hierop.

3.20. Bij akte uitlating van 27 november 2012 heeft de vrouw een toelichting verstrekt over het verloop en de uitslag van de bezwaarschriftprocedure bij de gemeente [woonplaats] en bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de man de zaak voor een periode van drie maanden aan te houden.

3.21. Bij akte uitlating van 4 maart 2013 heeft de man de rechtbank bericht dat de rechtbank [Y] bij uitspraak van 20 februari 2013 het beroep gegrond heeft verklaard, het vonnis van [2012] heeft vernietigd en de vrouw heeft veroordeeld in de kosten van het proces als de in het ongelijk gestelde partij. Voorts heeft de rechtbank [Y] zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek, nu naar haar oordeel de Nederlandse rechter bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.

3.22. Bij brief van 4 maart 2013 heeft de vrouw de rechtbank bericht dat zij voornemens is om tegen de beslissing van de rechtbank [Y] een rechtsmiddel in te stellen en zij heeft de rechtbank verzocht de zaak voor een periode van drie maanden aan te houden, teneinde de rechtbank te informeren over het verloop van het ingestelde rechtsmiddel en de andere procedure.

3.23. De rechtbank heeft dit verzoek van de vrouw toegewezen en de beslissing aangehouden in afwachting van een bericht van de vrouw inzake het rechtsmiddel tegen de uitspraak van de rechtbank [Y].

3.24. Bij brief van 6 juni 2013 heeft de man bezwaar gemaakt tegen verdere aanhouding van de beslissing en de rechtbank verzocht uitspraak te doen.

3.25. Bij brief van 6 juni 2013 heeft de vrouw verzocht de zaak voor een periode van maximaal vier maanden aan te houden, in afwachting van de uitkomst van de procedure voor het gerechtshof in Egypte.

3.26. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek tot aanhouding van de vrouw afgewezen en in dit kader geoordeeld dat langer uitstel – gelet op het tijdsverloop en de onduidelijkheid met betrekking tot de door de vrouw gestelde overige procedures – niet in het belang van partijen is en dat op het punt van de geldigheid van het huwelijk helderheid gewenst is.

3.27. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank voorts, voor zover ten deze van belang, de verzochte nietigverklaring van het huwelijk tussen partijen en de overige terzake gedane verzoeken afgewezen en de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.

4. De motivering van de beslissing

De rechtsmacht

4.1. Ingevolge artikel 3 van de Verordening EG nr. 2201/2003 (Brussel IIbis) van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid is de Nederlandse rechter bevoegd om over het verzoek tot nietigverklaring en het echtscheidingsverzoek te oordelen, nu beide partijen in Nederland woonachtig zijn.

Het op het verzoek tot nietigverklaring toepasselijke recht

4.2. De vraag of een huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen wordt in beginsel beheerst door het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken. Aangezien het huwelijk van partijen in de staat [staat] (Verenigde Staten) is voltrokken, dient de vraag of het huwelijk van partijen nietig is daarom beoordeeld te worden naar het recht van de staat [staat].

4.3. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om deze beoordeling te maken en ziet zich genoodzaakt hieromtrent nader advies in te winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag (verder te noemen: het IJI).

4.4. Door partijen zijn bedenkingen naar voren gebracht ten aanzien van het eerdere advies van het IJI van 20 februari 2012, welke bedenkingen door het hof op een aantal punten worden gedeeld. Voor zover relevant zal het hof dit in de vraagstelling betrekken.

4.5. Het hof zal de volgende vraagstelling aan het IJI voorleggen:

1. De man stelt dat hij [X] op [in 1999] herroepelijk heeft verstoten door ten overstaan van twee getuigen tegen [X] de woorden: “Jij bent verstoten” uit te spreken, terwijl [X] zich niet in een menstruatieperiode bevond, en dat deze verstoting onherroepelijk is geworden door het verstrijken van de wachttijd van drie en een tiende maand, in welke periode hij [X] niet heeft teruggenomen als zijn echtgenote. Is, indien de door de man geschetste feitelijke gang van zaken vast zou komen te staan, het huwelijk van de man en [X] naar het recht van de staat [staat] in 1999 rechtsgeldig ontbonden?

Indien er naar het recht van de staat [staat] in 1999 geen rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk van de man en [X] heeft plaatsgevonden:

2. Moet de beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank van [Z] voor Familiezaken (Egypte) aldus worden begrepen, dat daarmee declaratoir wordt vastgesteld dat de man [X] in 1999 (onherroepelijk) heeft verstoten?

Indien de beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank van [Z] voor Familiezaken niet aldus moet worden begrepen, dat daarmee declaratoir wordt vastgesteld dat de man [X] in 1999 (onherroepelijk) heeft verstoten:

3. Moet de beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank van [Z] voor Familiezaken constitutief worden begrepen, in die zin dat in 2011 de herroepelijke verstoting onherroepelijk is geworden, en zo ja, kan de daaruit (op grond van het bepaalde in NRS 125.290 (‘void marriages’) van het recht van de staat [staat]) voortvloeiende nietigheid van het huwelijk van de man en de vrouw naar het recht van de staat [staat] worden geheeld? Op pagina 17 van het rapport van het IJI van 20 februari 2012 wordt gesteld dat deze nietigheid (naar het recht van de staat [staat]) absoluut is, in de zin dat zij nadien verder niet meer kan worden weggenomen of hersteld. Het hof kan deze conclusie evenwel niet trekken op grond van de door het IJI bijgevoegde wetsartikelen en verzoekt het IJI in zoverre nader te specificeren waar deze conclusie op is gebaseerd.

4. Wordt de beantwoording van bovenstaande vragen anders indien het hoger beroep van de vrouw van de beschikking van de rechtbank van [Z] voor Familiezaken van 15 juni 2011 gegrond zou worden verklaard?

5. Wordt de beantwoording van bovenstaande vragen anders indien vast zou komen te staan dat de man zich ook na 1999 nog steeds heeft voorgedaan als zijnde gehuwd met [X], onder andere door de vrouw als ‘tweede echtgenote’ te benoemen bij betalingen op 19 april 2007 in de [Club]?

6. Op pagina 21 van het IJI-rapport staat van 20 februari 2012 staat vermeld, woordelijk luidend:

“Uit het vorenstaande volgt dat het aannemelijk is dat óók een Egyptische echtscheidingsbeschikking in de VS kan worden erkend, mits aan de vereisten van een behoorlijke procesgang (oproeping) is voldaan en één van de echtgenoten geacht wordt in Egypte gedomicilieerd te zijn. In deze zaak bevindt de domicile zich echter in Nederland, zodat deze beschikking in beginsel niet erkend zou hoeven worden.”

Naar het oordeel van het hof bevindt de ‘domicile’ zich echter niet in Nederland, nu de man en [X] – in tegenstelling tot de man en de vrouw – nimmer gezamenlijk in Nederland hebben gewoond. Het hof verzoekt het IJI – indien het IJI dit oordeel van het hof deelt – aan te geven tot welke correcties dit leidt in het eerdere rapport.

7. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang kunnen zijn voor de beslechting van het voorliggende geschil?

4.6. Het onderzoek van het IJI zal onder leiding staan van een bij deze beschikking te benoemen raadsheer-commissaris. Het IJI kan zich, indien daartoe aanleiding is, door tussenkomst van de griffie met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek.

4.7. Het hof bepaalt ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek dat de vrouw gehouden is het in artikel 195 Rv bedoelde voorschot ter zake van de door het IJI te maken kosten te deponeren. Het IJI zal dienen te declareren op basis van het door dit instituut gehanteerde uurtarief van € 87,50 per uur, exclusief omzetbelasting, met specificatie van het aantal aan de beantwoording van de voorgelegde vragen bestede uren. De kosten worden tot op heden begroot op € 4.235,=. Bij de te geven eindbeschikking zal door het hof een definitieve beschikking worden gegeven met betrekking tot de kosten van het deskundigenbericht.

4.8. Indien het hof binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking geen schriftelijk en gemotiveerd bezwaar van (één van de) partijen heeft ontvangen, gaat het hof ervan uit dat er geen bezwaar bestaat tegen de vraagstelling en de hoogte van het voorschot.

4.9. Zodra de resultaten van het deskundigenonderzoek bij het hof binnen zijn, zal het hof deze aan partijen doen toekomen en hen in de gelegenheid stellen zich hier schriftelijk over uit te laten, waarna het hof de zaak vervolgens zonder nadere behandeling ter zitting zal afdoen, tenzij het hof op verzoek van partijen, dan wel ambtshalve anders beslist.

4.10. In afwachting van het deskundigenonderzoek zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. In afwachting van de resultaten van het onderzoek, dat volgens informatie van het IJI vier tot zes weken bedraagt, zal het hof de behandeling aanhouden tot 15 augustus 2014.

4.11. Ter zitting is gebleken dat partijen op korte termijn uitspraak verwachten in het aanhangige hoger beroep van de vrouw van de beschikking van de rechtbank van [Z] voor Familiezaken. Indien deze uitspraak beschikbaar wordt hangende de onderhavige procedure, verzoekt het hof partijen deze, voorzien van een beëdigde Nederlandse vertaling, onverwijld aan het hof te doen toekomen.

4.12. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

draagt partijen op om de einduitspraak in het in Egypte aanhangige hoger beroep van de beschikking van de rechtbank van [Z] voor Familiezaken van 15 juni 2011, voorzien van een beëdigde Nederlandse vertaling, aan het hof te doen toekomen zodra deze beschikbaar is;

benoemt tot deskundige het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag, teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de in rechtsoverweging 4.5 geformuleerde vragen;

bepaalt dat partijen bezwaren tegen of aanvullingen op de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking schriftelijk en gemotiveerd aan het hof kenbaar dienen te maken;

benoemt mr. J.D.S.L. Bosch tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

bepaalt het voorschot van de deskundige op € 4.235,=;

stelt partijen in de gelegenheid om zich – indien gewenst – binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking schriftelijk en gemotiveerd uit te laten over de hoogte van dit voorschot;

bepaalt dat de vrouw dit voorschot binnen vier weken na heden ter griffie zal deponeren door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.637 ten name van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 1701, 8901 CA Leeuwarden, onder vermelding van “deskundigenkosten, zaaknummer 200.136.404/01”;

draagt de griffier op aan de deskundige na ontvangst van het voorschot mede te delen dat het voorschot is gestort en dat de deskundige het onderzoek kan aanvangen;

bepaalt dat de deskundige zijn schriftelijk bericht ter griffie moet inleveren zo spoedig mogelijk na de kennisgeving betreffende de ontvangst van het voorschot door de griffier, doch uiterlijk op 15 augustus 2014;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen;

bepaalt dat partijen na ontvangst van de resultaten van het deskundigenonderzoek in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich schriftelijk uit te laten over de resultaten van het onderzoek en dat het hof de zaak vervolgens zonder nadere behandeling ter zitting zal afdoen, tenzij het hof op verzoek van partijen, dan wel ambtshalve anders beslist;

houdt iedere beslissing, daaronder begrepen de definitieve beslissing over de kosten van het deskundigenonderzoek, aan.

Verder lezen
Terug naar overzicht