JPF 2017/22, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-11-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9068, 200.190.122/01 (met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz)

Inhoudsindicatie

Militair invalidenpensioen, Uitkeringen staande huwelijk niet verknocht

Samenvatting

Partijen waren gehuwd van 1992 tot 2013 in gemeenschap van goederen. In het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap rijst onder meer de vraag of de uitkeringen vanwege het militair invaliditeitspensioen van de man in de huwelijksgemeenschap vallen of niet.

De man stelt zich ten aanzien van zijn maandelijkse uitkeringen uit het militair invaliditeitspensioen op het standpunt dat sprake is van verknochtheid, nu de invaliditeitsuitkering een rechtstreeks gevolg is van het ongeval dat tijdens zijn militaire dienst heeft plaatsgevonden. De uitkering strekt volgens hem ter vervanging van arbeidsinkomen. De man is van mening dat op de netto-vordering die de vrouw ter zake de verdeling van de huwelijksgemeenschap op hem heeft, een bedrag van € 147.748 (te weten: het totaal aan uitkeringen dat over de periode van 11 december 1992 tot en met 18 juli 2012 is ontvangen) in mindering dient te worden gebracht.

De vrouw is van mening dat de man niet heeft aangetoond dat de aanspraak waarop de uitkering betrekking heeft, zeer bijzonder verknocht was. Evenmin heeft de man volgens haar aangetoond dat de uitkering die is ontvangen als afzonderlijk goed nog aanwezig is. De maandelijkse uitkeringen maakten deel uit van het gezinsinkomen van partijen waarvan geleefd werd en hoeven daarom niet verrekend te worden, aldus de vrouw. Ook was er sprake van vermenging met andere inkomsten.

Het hof overweegt daarover het volgende.

Indien een der echtgenoten een vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van bijzondere verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op art. 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren gegaan arbeidsvermogen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AX7805 en ECLI:NL:HR2012:BY0957).

De man heeft, naar het oordeel van het hof, onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de uitkeringen uit het militair invaliditeitspensioen, voor zover ten tijde van het huwelijk ontvangen, als aan hem verknocht zouden moeten worden beschouwd. Immers, door hem is betoogd dat deze maandelijkse uitkeringen strekten ter vervanging van arbeidsinkomen. Van een component immateriële schade en/of toekomstige schade, op grond waarvan enige verknochtheid zou kunnen worden aangenomen, is niet gebleken. Dit brengt met zich dat de grief ter zake faalt en de genoemde bedragen als gemene inkomsten kunnen worden gekwalificeerd.

Uitspraak

1. Het geding in eerste aanleg

(...; red.)

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

(...; red.)

3. De vaststaande feiten

3.1. Partijen zijn [in] 1992 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

3.2. Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 december 2012 in de registers van de burgerlijke stand.

4. De procedure in eerste aanleg

4.1. De man heeft bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 18 juli 2012, verzocht – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en partijen te gelasten om met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de bestaande huwelijksgoederengemeenschap, met het verzoek tot benoeming van een boedelnotaris en een onzijdig persoon als volgens de wet.

4.2. De vrouw heeft bij verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, verzocht – kort gezegd en voor zover hier van belang – de (wijze van) verdeling te gelasten.

4.3. De man heeft bij verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, tevens inhoudende aanvullende verzoeken, verzocht de vrouw te veroordelen inzage te verschaffen in de door haar tijdens het huwelijk van partijen gebruikte bankrekening eindigend op [00000] op naam van de vrouw en de huwelijksgoederengemeenschap van partijen te verdelen op een wijze die mogelijk maakt dat de man zijn bedrijf kan voortzetten en op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid te bepalen dat de vrouw niet meer krijgt toegescheiden dan de man met het bedrijfsvermogen zal kunnen financieren zonder het bedrijf buiten staat te stellen een eventuele matige tegenslag in de naaste toekomst te overleven.

4.4. Bij beschikking van 18 december 2012 heeft de rechtbank Groningen – voor zover van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden.

4.5. Bij beschikking van 20 augustus 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap opnieuw aangehouden.

4.6. Bij de bestreden beschikking van 26 januari 2016 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – beslist:

“stelt – met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen – de volgende wijze van (partiële) verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast:

de onroerende zaken [a-straat] 1 en 13, [A], de [b-straat] 63 en 65 in [C] en [c-straat] 93, [D], alsmede het perceel grond aan de [d-straat] in [E], worden aan de man toegescheiden, evenals de hypothecaire leningen bij de [a-bank] met het nummer [00001] ten bedrage van € 346.246,= en het nummer [00002] ten bedrage van € 31.674,=, de voorziening onderhoud met betrekking tot het pand [a-straat] 1 van € 15.000,= en de nog uit te betalen waarborgsommen van € 6.687,=, onder de verplichting dat de man aan de vrouw de helft van de resterende netto waarde van de onroerende zaken zal vergoeden en zal bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldleningen;

(...)

ieder van partijen betaalt een bedrag van € 422,=, zijnde de helft van de ter zake van de auto van het merk Opel, type Agila, verschuldigde verzekeringspremie,

(...)

de man dient ter zake van de verrekening met betrekking tot de bij partijen bekende auto’s aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 8.500,=;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(...)

bepaalt dat de man door middel van deugdelijke bewijsstukken duidelijk dient te maken of en in hoeverre het perceel [a-straat] 13 te [A] uit bedrijfsruimte bestond en – indien dat het geval was –, welke gevolgen dit heeft voor een latente claim ingevolge de Wet Inkomstenbelasting; (...)

partijen dienen voormelde bewijsstukken uiterlijk op dinsdag 7 juni 2016 over te leggen en hebben tot uiterlijk dinsdag 21 juni 2016 de gelegenheid om over en weer schriftelijk bij akte op deze stukken te reageren, waarna de rechtbank ter zake zal beslissen

(...)”

5. De verzoeken in hoger beroep

5.1. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep om de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 26 januari 2016, voor zover bestreden, te vernietigen, althans op die onderdelen van de beschikking van de rechtbank waartegen de man zich verzet en alsnog rechtdoende te bepalen dat de man ontvankelijk is ter zake het door hem ingestelde hoger beroep en verder de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen zoals door de man in het beroepschrift is aangegeven, zulks met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

5.2. De vrouw verzoekt het hof in haar incidenteel hoger beroep te bepalen dat zij ter zake van verrekening van de auto’s, met name ter verrekening van de aan haar toe te delen Opel Agila, aan de man dient te voldoen € 4.250,= en dat partijen ter zake van de verrekening van de verzekeringspremie ieder € 211,= dienen te voldoen, één en ander met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.

6. De motivering van de beslissing

6.1. De man is met vier grieven in principaal hoger beroep gekomen. De vrouw is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

Het ontslag uit de hoofdelijkheid

6.2. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte aan hem de verplichting heeft opgelegd om te bewerkstelligen dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire geldleningen wordt ontslagen. Aan hem kan, zo stelt de man, enkel een inspanningsverplichting worden opgelegd.

6.3. De vrouw stelt zich op het standpunt dat in de aan de man opgelegde verplichting de inspanningsverplichting zit verwerkt. Zij acht de beslissing van de rechtbank correct.

6.4. Het hof is van oordeel dat deze grief door de man terecht is voorgesteld, nu hij zelf niet kan bewerkstelligen dat de vrouw uit de hoofdelijkheid wordt ontslagen, maar daarvoor afhankelijk is van de medewerking van een derde (in casu de [a-bank]). Het hof ziet daarom doelmatigheidshalve aanleiding om de beslissing van de rechtbank waarin is opgenomen:

de onroerende zaken [a-straat] 1 en 13, [A], de [b-straat] 63 en 65 in [C] en [c-straat] 93, [D], alsmede het perceel grond aan de [d-straat] in [E], worden aan de man toegescheiden, evenals de hypothecaire leningen bij de [a-bank] met het nummer [00001] ten bedrage van € 346.246,= en het nummer [00002] ten bedrage van € 31.674,=, de voorziening onderhoud met betrekking tot het pand [a-straat] 1 van € 15.000,= en de nog uit te betalen waarborgsommen van € 6.687,=, onder de verplichting dat de man aan de vrouw de helft van de resterende netto waarde van de onroerende zaken zal vergoeden en zal bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldleningen;

te vernietigen en in zoverre opnieuw te beslissen:

de onroerende zaken [a-straat] 1 en 13, [A], de [b-straat] 63 en 65 in [C] en [c-straat] 93, [D], alsmede het perceel grond aan de [d-straat] in [E], worden aan de man toegescheiden, evenals de hypothecaire leningen bij de [a-bank] met het nummer [00001] ten bedrage van € 346.246,= en het nummer [00002] ten bedrage van € 31.674,=, de voorziening onderhoud met betrekking tot het pand [a-straat] 1 van € 15.000,= en de nog uit te betalen waarborgsommen van € 6.687,=, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldleningen en onder de verplichting dat de man aan de vrouw de helft van de resterende netto waarde van de onroerende zaken zal vergoeden.

De bewijsopdracht ter zake het pand aan de [a-straat] 13 te [A]

6.5. De man verzoekt in hoger beroep om de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de bewijsopdracht ter zake het pand aan de [a-straat] 13 te wijzigen, in die zin dat de man bewijsstukken dient over te leggen waaruit hij aannemelijk kan maken welke fiscale consequenties er zijn indien het betreffende pand als bedrijfsruimte wordt aangemerkt. Hij stelt op 7 juni 2016 niet zodanige bewijsstukken te kunnen overleggen dat er in fiscale zin sprake is van een eindsituatie omdat de belastingdienst hierin de beslissing neemt en hij slechts kan aangeven wat volgens hem die door de belastingdienst nog te nemen beslissing zou moeten zijn.

6.6. Voornoemde bewijsopdracht betreft naar het oordeel van het hof allereerst het overleggen van bewijsstukken waaruit kan worden opgemaakt of en in hoeverre het perceel [a-straat] 13 te [A] uit bedrijfsruimte bestond. Het appel van de man ziet naar het hof begrijpt niet op dit deel van de bewijsopdracht maar slechts op de opdracht om onderbouwd de fiscale gevolgen te duiden die optreden wanneer het pand (deels) als bedrijfspand wordt aangemerkt.

6.7. Naar het oordeel van het hof ligt het wel degelijk in de macht van de man om onderbouwd de fiscale gevolgen te duiden ingeval het pand (deel) als bedrijfspand moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft bij deze bewijsopdracht geenszins de eis gesteld dat deze onderbouwde zienswijze de visie van de belastingdienst dient te zijn. Deze grief van de man faalt.

Het militair invaliditeitspensioen

6.8. De man stelt zich ten aanzien van zijn maandelijkse uitkeringen uit het militair invaliditeitspensioen op het standpunt dat sprake is van verknochtheid, nu de invaliditeitsuitkering een rechtstreeks gevolg is van het ongeval dat tijdens zijn militaire dienst heeft plaatsgevonden. De uitkering strekt volgens hem ter vervanging van arbeidsinkomen. De man is van mening dat op de netto-vordering die de vrouw ter zake de verdeling van de huwelijksgemeenschap op hem heeft, een bedrag van € 147.748,= (te weten: het totaal aan uitkeringen dat over de periode van 11 december 1992 tot en met 18 juli 2012 is ontvangen) in mindering dient te worden gebracht.

6.9. De vrouw is van mening dat de man niet heeft aangetoond dat de aanspraak waarop de uitkering betrekking heeft, verknocht was. Evenmin heeft de man volgens haar aangetoond dat de uitkering die is ontvangen als afzonderlijk goed nog aanwezig is. De maandelijkse uitkeringen maakten deel uit van het gezinsinkomen van partijen waarvan geleefd werd en worden daarom niet verrekend, aldus de vrouw. Ook was er sprake van vermenging met andere inkomsten.

6.10. De vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW – kunnen niet in hun algemeenheid worden beantwoord. De beantwoording is – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vlg. ECLI:NL:HR:2012:BY0957 en ECLI:NL:HR:2016:1293) – afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

6.11. Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AX7805 en ECLI:NL:HR2012:BY0957).

6.12. De man heeft, naar het oordeel van het hof, onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de uitkeringen uit het militair invaliditeitspensioen, voor zover ten tijde van het huwelijk ontvangen, als aan hem verknocht zouden moeten worden beschouwd. Immers, door hem is betoogd dat deze maandelijkse uitkeringen strekken ter vervanging van arbeidsinkomen. Van een component immateriële schade en/of toekomstige schade, op grond waarvan enige verknochtheid zou kunnen worden aangenomen, is niet gebleken. Dit brengt met zich dat de grief ter zake faalt.

De Opel Agila

6.13. Ter comparitie van partijen is komen vast te staan dat partijen het erover eens zijn dat de Opel Agila aan de vrouw dient te worden toegedeeld voor een waarde van € 8.500,=, zodat de vrouw de helft van deze waarde, derhalve een bedrag van € 4.250,=, aan de man dient te voldoen.

6.14. Eveneens is ter comparitie van partijen komen vast te staan dat partijen het eens zijn over het feit dat de helft van de verzekeringspremie voor de Opel Agila op 26 april 2012 is voldaan (derhalve voor de peildatum), zodat slechts de andere helft van de verzekeringspremie ter hoogte van € 422,= nog verrekend dient te worden. Dit betekent dat ieder van partijen een bedrag van € 211,= zou moeten voldoen.

7. De slotsom

7.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als na te melden.

7.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure betrekking heeft op de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen.

8. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2016, voor zover het de beslissing omtrent de onroerende zaken, de verzekeringspremie ten aanzien van de Opel Agila en de verrekenvordering ter zake de auto’s betreft;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt (in zoverre) de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast als volgt:

de onroerende zaken [a-straat] 1 en 13, [A], de [b-straat] 63 en 65 in [C] en [c-straat] 93, [D], alsmede het perceel grond aan de [d-straat] in [E], worden aan de man toegescheiden, evenals de hypothecaire leningen bij de [a-bank] met het nummer [00001] ten bedrage van € 346.246,= en het nummer [00002] ten bedrage van € 31.674,=, de voorziening onderhoud met betrekking tot het pand [a-straat] 1 van € 15.000,= en de nog uit te betalen waarborgsommen van € 6.687,=, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldleningen en onder de verplichting dat de man aan de vrouw de helft van de resterende nettowaarde van de onroerende zaken zal vergoeden;

ieder van partijen betaalt een bedrag van € 211,=, zijnde de helft van het restant van de ter zake van de auto van het merk Opel, type Agila, verschuldigde verzekeringspremie;

de vrouw dient ter zake van de verrekening met betrekking tot de bij partijen bekende auto’s aan de man een bedrag te voldoen van € 4.250,=;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige.

Noot

Vragen omtrent de verknochtheid van allerlei pensioenen hebben wij al vaker in dit tijdschrift langs zien komen, denk aan HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, «JPF» 2009/23, Hof ’s-Gravenhage 13 februari 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4531, «JPF» 2009/24, en Hof ’s-Gravenhage 11 juni 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6054, «JPF» 2009/26, met een combinoot Reinhartz onder «JPF» 2009/26; en nog recent HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, «JPF» 2016/93, m.nt. Reinhartz, inzake een ontslagvergoeding die in een stamrecht-bv was gestort.

In al deze zaken ging het om de vraag wat rechtens was ten aanzien van het deel van de schadevergoeding dat betrekking had op de nahuwelijkse periode. Leidend hierbij is nog steeds, zoals we in het laatstgenoemde arrest van de Hoge Raad hebben gezien, het zogenaamde Whiplash-arrest van de Hoge Raad uit 1997 (HR 24 november 1997, NJ 1998, 693).

In de onderhavige zaak was de man een ongeval tijdens diensttijd overkomen. Hij stelde dat de uitkeringen die staande huwelijk vanwege dat ongeval waren uitgekeerd, privé waren, omdat deze als bijzonder verknocht aan hem moesten worden gezien. Het hof gaat daar niet in mee. Het gaat immers niet om uitkeringen voor toekomstig – nahuwelijks – te lijden materiële schade, maar om uitkeringen die zijn (en worden) betaald ter compensatie van verlies aan arbeidsinkomen staande huwelijk. Als de man dat ongeval niet had gekregen, dan was zijn salaris immers ook in de huwelijksgemeenschap gevallen. De staande huwelijk in de plaats van het salaris gekomen en komende uitkeringen uit het militaire invaliditeitspensioen zijn dus ook gemeen, ongeacht of ze zijn uitgegeven ten bate van de huishoud- en andere kosten staande huwelijk of niet. De man heeft dus geen recht op verrekening van de uitgekeerde bedragen.

Nog even voor de goede orde: het gaat dus niet om de vraag wanneer de betalingen plaats hebben gevonden, maar om de vraag op welke schade de uitkeringen betrekking hebben; de vergoedingen ter zake van materiële schade in de huwelijkse periode zijn gemeen, de vergoedingen ter zake van materiële schade voor de nahuwelijkse periode zijn dusdanig verknocht dat ze privé zijn.

prof. mr. B.E. Reinhartz

Verder lezen
Terug naar overzicht