JPF 2017/56, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-12-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10437, 200.190.908/01 (met annotatie van mr. dr. J.H. de Graaf)

Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag moeder, Duurzame bereidheid niet zonder meer belemmerende factor, Aanvaardbare termijn ruimschoots verstreken, Kwetsbaar meisje, Verdere hechting in pleeggezin

Samenvatting

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de raad het gezag van de moeder over de minderjarige beëindigd en de GI tot voogd benoemd. De minderjarige is twee dagen na haar geboorte in 2013 vanuit het ziekenhuis in een pleeggezin geplaatst. Vanaf juni 2014 verblijft zij in het perspectief-biedend gezin van de pleegouders. De moeder is in hoger beroep gekomen van deze beschikking en verzoekt deze te vernietigen. De moeder voert aan dat niet is voldaan aan het criterium van art. 1:266 lid 1 onder a BW. Zij stelt de ten tijde van de geboorte van de minderjarige bestaande problemen – op het gebied van onder meer drugsgebruik – te hebben opgelost. Nu haar situatie zich ten goede heeft gekeerd, vindt de moeder de gezagsbeëindigende maatregel niet noodzakelijk, althans prematuur. Zij hecht emotioneel veel waarde aan het behouden van het gezag, ook al zou de minderjarige niet bij haar thuis komen wonen.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van art. 1:266 lid 1 onder a BW kan de rechter het verzoek van een ouder beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. Met een beroep op art. 3 en art. 20 IVRK overweegt het hof verder dat het kind dat niet in het eigen gezin verblijft recht heeft op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. Het blijk geven van duurzame bereidheid om het kind in het pleeggezin te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op dat belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit – niet zonder meer in de weg aan beëindiging van het gezag.

De minderjarige is inmiddels drie jaar oud. Daarvan woont zij al twee en een half jaar bij de pleegouders. Alleen al haar jonge leeftijd en de wisselingen in opvoedingssituatie in haar eerste levensjaar maakt de minderjarige een kwetsbaar meisje. Daarbij komt bij dat zij sinds haar plaatsing bij de huidige pleegouders een algehele ontwikkelingsachterstand en heftige en complexe gedragsproblemen heeft laten zien. Thans echter neemt haar basisvertrouwen toe en durft zij zich meer over te geven aan volwassenen, in dit geval de pleegouders. Los van het antwoord op de vraag of de moeder, zoals zij stelt, weer in staat zou zijn om de minderjarige zelfstandig op te voeden, is thans van doorslaggevend belang dat de termijn, waarop het voor de minderjarige aanvaardbaar zou zijn, om bij de moeder terug geplaatst te worden ruimschoots is verstreken. Daarom is en wordt naar het oordeel van het hof terecht geïnvesteerd in de verdere hechting van de minderjarige in het pleeggezin. Het hof is zich bewust van de ingrijpendheid van een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder. De emotionele argumenten van de moeder zijn echter ondergeschikt aan het recht van de minderjarige op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting bij de pleegouders. Het hof wenst te benadrukken dat een gezagsbeëindigende maatregel niets afdoet aan het moederschap van de moeder. Buiten kijf staat dat de moeder veel van de minderjarige houdt.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank

Uitspraak

1. Het geding in eerste aanleg

(...; red.)

2. Het geding in hoger beroep

(...; red.)

3. De vaststaande feiten

3.1. Uit de (thans lat) relatie van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is [in] 2013 te [F] [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) geboren. Tot de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking was de moeder alleen belast met het gezag over [de minderjarige].

3.2. [de minderjarige] heeft van 8 oktober 2013 tot 27 januari 2016 op verzoek van de raad (aanvankelijk voorlopig) onder toezicht gestaan van de GI. Gedurende deze periode was ten aanzien van [de minderjarige] tevens een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van kracht.

3.3. [de minderjarige] is twee dagen na haar geboorte vanuit het ziekenhuis in een pleeggezin geplaatst. De moeder en [de minderjarige] zijn op 27 december 2013 ter observatie en onderzoek gezamenlijk opgenomen in een ander pleeggezin. Op 28 januari 2014 is deze observatieplaatsing beëindigd en is de moeder vertrokken uit het betreffende pleeggezin. [de minderjarige] verblijft sinds 12 juni 2014 in het perspectiefbiedende gezin van de pleegouders.

3.4. Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd onder benoeming van de GI tot voogd.

4. De omvang van het geschil

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt die beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt, het inleidend verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

5.1. Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2. Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3. Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4. De moeder voert aan dat niet voldaan is aan het criterium van artikel 1:266 lid 1 sub a BW. Zij stelt de ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] bestaande problemen te hebben opgelost. Zijzelf en haar leefsituatie zijn weer stabiel, aldus de moeder. Zij bestrijdt dat zij de (gedrags)problemen van [de minderjarige] niet met hulpverlening het hoofd kan bieden. Nu haar situatie zich ten goede heeft gekeerd vindt de moeder de gezagsbeëindigende maatregel niet noodzakelijk, althans prematuur. De moeder hecht emotioneel veel waarde aan het behouden van het gezag, ook al zou [de minderjarige] niet bij haar thuis komen wonen.

5.5. De raad voert aan dat de voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder in staat zou moeten zijn de verzorging en opvoeding zelf te dragen is verstreken vanwege haar kwetsbaarheid en huidige positieve ontwikkeling van [de minderjarige] in het pleeggezin. Het doorbreken van de in gang gezette hechting van [de minderjarige] aan de pleegouders zal grote schade opleveren voor de (gehechtheids)ontwikkeling van [de minderjarige], omdat zij de duurzame en voorspelbare opvoedingsrelatie die zij nu kent dan kwijt zal raken. Bovendien is de raad van mening dat de moeder door haar persoonlijke problematiek en de zorgen over haar pedagogische mogelijkheden niet in staat is [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft qua verzorging en opvoeding. Een gezagsbeëindigende maatregel geeft duidelijkheid over het perspectief en is daarmee in het belang van [de minderjarige], aldus de raad.

5.6. Gebleken is dat [de minderjarige] twee dagen na haar geboorte vanuit het ziekenhuis in een crisispleeggezin is geplaatst. Haar ouders konden niet voor haar zorgen in verband met problemen op het gebied van drugsgebruik, hygiëne, financiën, relatie en psychiatrische problematiek van beide ouders. Aangeboden alternatieven als een tijdelijke netwerkplaatsing of moeder-kindhuis behoorden volgens de moeder destijds niet tot de mogelijkheden.

[de minderjarige] is na ruim 2,5 maand overgeplaatst naar een ander pleeggezin. Zij heeft daar gedurende één maand samen met de moeder en vervolgens 4,5 maand zonder de moeder gewoond. Sinds 12 juni 2014 woont [de minderjarige] bij de pleegouders.

5.7. [de minderjarige] is inmiddels drie jaar oud. Daarvan woont zij dus al 2,5 jaar bij de pleegouders.

5.8. Alleen al haar jonge leeftijd en de wisselingen in opvoedingssituatie in haar – voor de hechting uiterst belangrijke – eerste levensjaar maakt [de minderjarige] een kwetsbaar meisje. Daarbij komt dat zij sinds haar plaatsing bij de (huidige) pleegouders een algehele ontwikkelingsachterstand en heftige en complexe (gedrags)problemen heeft laten zien. [de minderjarige] reageert heel gevoelig op prikkels en is afwerend in het contact met vreemden. Zij kampt met ernstige verlatingsangst en vertoont claimend gedrag, met name richting de pleegvader die haar hoofdverzorger is. Er bestaan zorgen over haar hechting. [de minderjarige] had tot voor kort bij spanning last van huilbuien, slecht slapen, hoofdbonken en haren trekken. De in december 2015 gestarte Ouder Kind Interactie Bewegingsspel (OKI-B)-therapie heeft haar (en de pleegouders) rust gegeven. De hulpverlening en de pleegouders zien sindsdien grote groei in [de minderjarige]’s persoonlijkheidsontwikkeling. Haar basisvertrouwen neemt toe. Ze durft zich meer over te geven aan volwassenen, in dit geval de pleegouders.

5.9. Los van het antwoord op de vraag of de moeder, zoals zij stelt, onder invloed van gewijzigde omstandigheden inmiddels, anders dan eerder geconcludeerd door Jeugdhulp Friesland (module Pleegzorg intensief) d.d. 17 februari 2014 en Zorgmaatwerk d.d. 3 april 2014, in staat zou zijn om [de minderjarige] zelfstandig te kunnen opvoeden, is thans van doorslaggevend belang dat de termijn waarop het voor [de minderjarige] aanvaardbaar zou kunnen zijn (geweest) om bij de moeder teruggeplaatst te worden ruimschoots is verstreken. Daarom is en wordt naar het oordeel van het hof terecht geïnvesteerd in de (verdere) hechting van [de minderjarige] in het pleeggezin. Zij heeft daar een veilige en stabiele opvoedingssituatie gevonden. De pleegouders geven haar de rust, reinheid en regelmaat die zij zo hard nodig heeft. [de minderjarige] heeft in het pleeggezin een voorzichtige start gemaakt met het hechtingsproces. Het is van het grootste belang deze eerste stappen tot hechting van [de minderjarige] aan de pleegouders niet te doorbreken. Terugplaatsing naar de moeder zou de ontwikkeling van [de minderjarige] dan ook ernstig bedreigen. Nu thuisplaatsing geen optie meer is waaraan gewerkt kan worden, is een ondertoezichtstelling niet langer de meest passende maatregel. Een gezagsbeëindigende maatregel draagt bij aan duidelijkheid, voorspelbaarheid en zekerheid, bij zowel [de minderjarige], de moeder als de pleegouders. Het betekent een bestendiging van de huidige situatie en de zekerheid dat [de minderjarige] opgroeit op de huidige plek, waar zij begonnen is aan een belangrijk proces.

5.10. Het hof is zich bewust van de ingrijpendheid van een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder. De emotionele argumenten van de moeder om het gezag te kunnen behouden, hoe begrijpelijk ook, zijn echter ondergeschikt aan het recht van [de minderjarige] op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting aan de pleegouders. Duidelijkheid over haar opvoedingsperspectief is onontbeerlijk voor het veiligstellen van een – waar mogelijk – gezonde (verdere) ontwikkeling van [de minderjarige]. Het hof wenst daarbij te benadrukken dat een gezagsbeëindigende maatregel niets afdoet aan het moederschap van de moeder. Buiten kijf staat dat zij veel van [de minderjarige] houdt. Wel is gebleken dat de moeder, hoewel zij dat thans ontkent, niet altijd even goed bereikbaar is voor de hulpverlening, het voor de GI lastig is om tot samenwerking met de moeder te komen en het moeizaam is om van de moeder toestemming te krijgen voor medisch noodzakelijke onderzoeken van [de minderjarige], hetgeen niet in het belang van [de minderjarige] is.

5.11. Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige] de stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder te beëindigen.

6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 januari 2016;

wijst het meer of anders verzochte af.

Noot

Opnieuw kan een element worden toegevoegd aan de reeks van overwegingen met betrekking tot de wijze van toepassing van de maatregel tot beëindiging van het gezag. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag naar de toepassing van de aanvaardbare termijn. Het betreft opnieuw twee uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden. Eerdere uitspraken lieten al zien dat in zaken als deze tegen de achtergrond van de feiten het leveren van het vereiste maatwerk als uitgangspunt wordt genomen. In beide uitspraken speelt de leeftijd van de minderjarigen een belangrijke rol. Bij een bespreking van deze zaken kunnen de vier voorwaarden die Hof Arnhem-Leeuwarden – in navolging van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter zake – eerder gaf bij de weging van de feiten, een kader bieden (Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5119, «JPF» 2016/109, m.nt. J.H. de Graaf). Genoemd worden:

1. het belang van duidelijkheid over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief bij de pleegouders;

2. de verlenging over een reeks van jaren is in beginsel geen juiste maatregel;

3. de zwaarwegende betekenis van het belang van het kind bij de continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces; en als laatste factor

4. de enkele bereidheid van de ouder om zich niet te verzetten tegen een uithuisplaatsing mag niet doorslaggevend bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag.

In de eerste zaak komt het hof in het kader van de tweede voorwaarde met de nog niet eerder genoemde overweging dat het hoorrecht van de minderjarige aan het behoud van het gezag bij de ouder in de weg zou staan. De minderjarige in casu, die ouder is dan twaalf jaar, wordt in het kader van het hoorrecht dan steeds opnieuw geconfronteerd met de gezagsvraag, wat in die situatie veel stress oplevert. Dit zal onzekerheid voor de minderjarige met zich meebrengen, wat daadwerkelijk ook al gebleken zou zijn.

In de tweede zaak benadrukt het hof allereerst dat instemming van de ouder met de uithuisplaatsing niet als zodanig in de weg mag staan aan een gezagsbeëindiging, de vierde en laatste geformuleerde voorwaarde. Het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit en continuering van het hechtingsproces zijn hier voor het hof de argumenten om tot een gezagsbeëindiging van de moeder te besluiten. Het gaat hier om een meisje van inmiddels drie jaar oud, waarvan zij inmiddels twee en een half jaar bij de pleegouders woont. Door de wisselingen in de opvoedingssituatie in haar eerste levensjaar gaat het hier om een kwetsbaar meisje, zo concludeert het hof. Daar komt bij dat zij sinds haar plaatsing bij de pleegouders een algehele ontwikkelingsachterstand en heftige en complexe gedragsproblemen heeft laten zien. Nu gaat het beter. De hulpverlening en de pleegouders zien sinds eind 2015 grote groei in de persoonsontwikkeling van de minderjarige. Het is van het grootste belang de eerste stappen tot hechting van de minderjarige aan de pleegouders niet te doorbreken. Naast dit argument van het belang van de continuering van het hechtingsproces benadrukt het hof ook het belang van de ‘duidelijkheid, voorspelbaarheid en zekerheid’ en daarmee een continuering van het verblijf bij de pleegouders in de vorm van een gezagsbeëindigende maatregel. Het belang van een goede hechting, voorwaarde drie, en duidelijkheid over het opvoedingsperspectief, voorwaarde een, vallen in deze zaak samen.

Dat deze voorwaarden niet noodzakelijkerwijs samenvallen, liet een zaak zien die eerder aan de orde was bij Hof Den Haag (28 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2919, «JPF» 2016/147, m.nt. J.H. de Graaf onder «JPF» 2016/145). Daar werd betoogd dat een gezagsbeëindiging niet opportuun was, juist omdat de minderjarige nog heel jong was – twee en een half – en zich daarom nog weinig bewust was van haar opvoedingsperspectief. Om die reden liet het hof hier de belangen van de minderjarige bij een ongestoorde voortzetting van het hechtingsproces prevaleren boven het belang dat zij mogelijk heeft bij een snelle duidelijkheid over haar toekomstperspectief. Deze zaak laat daarmee zien dat bij heel jonge kinderen de eerste voorwaarde – het belang van duidelijkheid over het opvoedingsperspectief – en de derde voorwaarde – het belang van een ongestoord hechtingsproces – tot verschillende uitkomsten kunnen leiden, met in die zaak als resultaat dat hechting hier prevaleerde boven het belang van duidelijkheid over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief. De vraag kan dan wel te worden gesteld wat hier het verschil maakt. Moet dit met name worden gezocht in de feitelijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een netwerkplaatsing, zoals in de zaak bij Hof Den Haag het geval was? Dat lijkt wel aannemelijk. In deze zaak was de minderjarige geplaatst bij de grootouders, die te kennen gaven het niet in het belang van de minderjarige te achten om haar in een ander pleegezin te plaatsen en daarmee haar hechtingsproces te doorbreken.

Maar wat in deze zaak in combinatie hiermee ook van belang was, was de instemming met de uithuisplaatsing, de vierde voorwaarde. Een enkele bereidheid van de ouder met een uithuisplaatsing mag weliswaar niet doorslaggevend zijn, maar in combinatie met een netwerkplaatsing lijkt deze wel een rol van betekenis te kunnen spelen. Ook in de hier aangehaalde zaak van Hof Den Haag werd dit element aangevoerd als overweging om het verzoek tot gezagsbeëindiging af te wijzen. De moeder heeft – aldus het hof – met haar meewerkende, ondersteunende houding ten opzichte van de pleeggezinplaatsing en de overige hulpverlening haar verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige gedragen en zolang daaraan voldaan wordt is niet voldaan aan het vereiste van art. 1:266 BW, zo oordeelde het hof hier.

mr. dr. J.H. de Graaf

Verder lezen
Terug naar overzicht