JW 2016/38, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-06-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4335, n.v.t.

Inhoudsindicatie

Vis, Fraude, Valsheid in geschrifte

Samenvatting

Schol is (niet altijd) schol als er schol op staat.

Uitspraak

Wat vooraf ging

Bij sommige rechtszaken blijkt dat de opsporingsdienst en het Openbaar Ministerie een lange adem moeten hebben voordat resultaat geboekt wordt. In maart 2007 hebben één of meer bedrijven verschillende goedkopere vissoorten (zoals schar) als duurdere schol verkocht. De toenmalige AID zette een opsporingsonderzoek in, ook wel bekend als de Urker visfraudezaak. De AID geconstateerd dat enkele bedrijven Yellowfin sole – ook wel Japanse schar genoemd – uit de Pacifische Oceaan vermoedelijk verkochten als Noordzeeschol. De voedselveiligheid was hierbij niet in het geding. Wel bleek uit het onderzoek dat er sprake was van valsheid in geschrifte. Op facturen aan afnemers in Duitsland en Italië stond namelijk dat het om schol ging. De rechtbank zag dit anders. De tien verdachten werden in december 2013 namelijk vrijgesproken. Volgens de rechtbank wisten de buitenlandse afnemers precies wat ze geleverd kregen en daarom was er geen sprake was van misleiding. Misleiding is nodig om valsheid in geschrifte aan te tonen. Het Functioneel Parket kon zich niet vinden in deze redenering en ging in hoger beroep.

Oordeel Hof

In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat het door verdachte gevoerde verweer (strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde) wordt weersproken door de aangevoerde bewijsmiddelen. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In de administratie van de verdachten zijn voldoende facturen gevonden die de fraude bewijzen.

Regelgeving

Ofschoon valsheid in geschrift ten laste is gelegd, geeft het Hof aan dat de visserijregelgeving wel van belang is om de omstandigheden te kunnen duiden. In artikel 35 van Verordening (EG) Nr. 104/20001 was vastgelegd dat vis slechts aan de eindgebruiker mag worden aangeboden door middel van adequate affichering of etikettering en onder verstrekking van de gegevens inzake de handelsbenaming van de betrokken soort, de productiemethode en het vangstgebied. In de Warenwetregeling handelsbenamingen vis was ten tijde van de ten laste gelegde feiten als bijlage een lijst van handelsbenamingen waarop voor iedere vissoort de wetenschappelijke benaming en de benaming in de officiële taal van de lidstaat is opgenomen. In Verordening (EG) Nr. 2065/20012 is vastgelegd dat de vereiste gegevens inzake de handelsbenaming en het vangstgebied in elk stadium van de afzet van de betrokken soort beschikbaar moeten zijn.

Overwegingen

De bovenstaande regelgeving en handelwijze van verdachte, in onderling verband bezien, maken de conclusie onontkoombaar dat het gebruik van het begrip ‘schol’ zonder nadere toevoeging op de tenlastegelegde facturen moet worden aangemerkt als vals, namelijk onvoldoende onderscheidend. Verdachte wist dat en handelde desondanks aldus en daardoor opzettelijk.

Het verweer van verdachte dat de afnemers van de vis op de hoogte waren van de valsheid van de facturen en dat derhalve geen sprake was van een oogmerk van misleiding, wordt verworpen. Ook indien de geadresseerden van de facturen op de hoogte waren van de valsheid daarvan konden de facturen, nadat deze in de administratie van de afnemers waren beland, de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving over registratie van en controle op handel in vis verhinderen. Bovendien werd het risico in het leven geroepen dat de facturen jegens de klanten van de afnemers van verdachte ge(of mis-)bruikt werden op het punt van de soort vis die werd geleverd, met name omdat Noordzeeschol aanzienlijk duurder was dan de geleverde Yellowfinsole. Sterker nog, uit het feit dat verdachtes afnemers graag de term ‘schollenfilets’ of een van de andere termen genoemd in de tenlastelegging op de factuur vermeld wilden hebben, terwijl de afnemers zelf wel wisten dat geen Noordzeeschol werd geleverd, blijkt dat de afnemers die facturen ook ten opzichte van derden wilden kunnen gebruiken.

Uitspraak

Het hof acht een geldboete passend en geboden. Gelet op de marktpositie van verdachte en het economische motief van verdachte om zijn klanten en dus zijn omzet te behouden, acht het Hof in beginsel een bedrag van € 75.000 een passende bestraffing voor de bewezen feiten. De draagkracht van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, laat oplegging van een boete van die hoogte toe.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden berecht overschreden met twee jaren. Het Hof zal daarom de op te leggen boete matigen tot € 70.000.

Voetnoten

1
Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur, PbEG L 17 van 21 januari 2000, p. 22. Deze verordening is inmiddels ingetrokken bij Verordening (EU) Nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013, PbEU L 354 van 28 december 2013, p. 1.
2
PbEG L 278 van 23 oktober 2001, p. 6. Deze verpordening is inmiddels ingetrokken bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1420/2013 van de Commissie van 17 december 2013 L 353 van 28 december 2013, p. 48.
Verder lezen
Terug naar overzicht