JW 2016/45, Rechtbank Rotterdam 11-08-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6029, ROT 15/6930, ROT 15/6931

Inhoudsindicatie

Tijgermug, Lucky Bamboo-planten, Controleval, Warenwetbesluit

Samenvatting

Vondst Aziatische tijgermug leidt niet per definitie tot handhaving door NVWA.

Uitspraak

In de zomer wordt er geregeld geklaagd over muggen. Kennelijk ook in de rechtspraak. In de maand augustus maar liefst twee uitspraken over de Aziatische tijgermug. Deze insecten kunnen veel ziekten verspreiden, zoals knokkelkoorts. De betreffende muggen komen soms mee met de import van Lucky Bamboo-planten – een sierplantje uit China – of banden vanuit derde landen (landen die niet lid zijn van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte). Stichting Platform Stop Invasieve Exoten (‘de Stichting’) verzocht de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om handhavend op te treden tegen importeurs van Lucky Bamboo en een viertal bedrijven die handelden in gebruikte banden. Bij deze bedrijven waren een of meer tijgermuggen aangetroffen. De Stichting stelde dan ook dat, gelet daarop, de NVWA diende te handhaven. De NVWA en de minister van VWS deelden die mening niet. Dat leidde uiteindelijk tot twee procedures bij de rechtbank Rotterdam. Maar hoe zit het eigenlijk? Is de NVWA bij een vondst van de tijgermug te allen tijde verplicht om bestuursrechtelijk te handhaven?

De Lucky Bamboo-case

De minister van VWS stelde zich op het standpunt dat het Warenwetbesluit Lucky Bamboo1 (het Warenwetbesluit) niet met zich meebrengt dat er sprake is van een resultaatsverplichting. Met andere woorden de vondst van een of enkele tijgermuggen in een controleval hoeft nog niet te betekenen dat in strijd is gehandeld met de eis dat Lucky Bamboo-planten die de afgescheiden ruimte verlaten, vrij moeten zijn van tijgermuggen en larven daarvan.

Oordeel

De rechtbank oordeelde dat de minister inderdaad terecht had overwogen dat de vondst van een of enkele tijgermuggen in een controleval (afgezet tegen het aantal planten) op zichzelf nog geen overtreding oplevert. Dit omdat niet volledig kan worden uitgesloten dat er nog eitjes aanwezig zijn op de planten die de afgescheiden ruimte verlaten, terwijl zich uit de eitjes (volwassen) tijgermuggen kunnen ontwikkelen.

De rechtbank was wel van oordeel dat het in artikel 3, aanhef en onder b en c, van het Warenwetbesluit voorkomende begrip ‘afdoende behandeling’ een vage term is, waarvan niet op voorhand duidelijk is of daarmee wordt gedoeld op een resultaatsverplichting. Echter, gelet op de overige tekst van artikel 3 sub b en c van het Warenwetbesluit waarin het woord ‘geschikt’ voorkomt in verbinding met biocide of een ander middel, lijkt het veeleer om een inspanningsverplichting te gaan. Die indruk wordt versterkt door de Nota van toelichting bij het Warenwetbesluit. Gelet daarop oordeelt de rechtbank dan ook dat de verplichtingen van artikel 3 van het Warenwetbesluit als inspanningsverplichtingen dienen te worden aangemerkt. Dat sommige passages uit de Nota van Toelichting in een andere richting wijzen doet hier niet aan af. Immers, als men onder deze omstandigheden een volledige resultaatsverplichting zou inlezen, dan zou men in strijd komen met de rechtszekerheid. Ook om die reden was de rechtbank van oordeel dat de vangst van enkele muggen in de kassen afgezet tegen het aantal planten op zichzelf geen overtreding van artikel 2 in verbinding met artikel 3 van het Warenwetbesluit oplevert.

Er was niet in geschil dat bij de betrokken ondernemingen in afgesloten ruimten bestrijding had plaatsgevonden met daartoe geschikte biociden (of daartoe geschikte andere middelen) en bestrijdingsplannen voorliggen als bedoeld in artikel 4 van het Warenwetbesluit. Geoordeeld werd dan ook dat de minister daardoor geen overtreding had kunnen vaststellen. Reden waarom het verzoek om bestuursrechtelijke handhaving terecht was afgewezen.

Banden-case

In deze zaak stelde de minister van VWS zich op het standpunt dat het overgrote deel van de banden in kwestie buiten het bereik van artikel 18 sub a van de Warenwet viel. Immers, de bedrijven waarop het handhavingsverzoek zag, lieten de ingezamelde banden vernietigen door deze te (laten) verwerken tot granulaat/schrot. Een deel daarvan ging naar coverbedrijven waarvan het merendeel buiten Nederland was gevestigd. Het resterende deel werd naar groothandelaren in Europa of daarbuiten geëxporteerd. Slechts een zeer gering deel ging naar particulieren. Naar het oordeel van de minister was handhaving op grond van de Warenwet, vanuit het oogpunt van bescherming van de volksgezondheid, niet noodzakelijk.

De Stichting kon zich niet vinden in de visie van de minister. De Stichting stelde zich op het standpunt dat een deel van de banden wel degelijk aan bedrijven in Nederland werden doorgeleverd die niet tot verwerking overgingen. Die stelling motiveerde de Stichting echter niet, noch maakte zij deze op een andere wijze aannemelijk. Reden voor de rechtbank om daaraan voorbij te gaan. De rechtbank was het wel met de Stichting eens dat nu er – weliswaar zeer sporadisch – geleverd werd aan particulieren, dat de Warenwet van toepassing is. Dit omdat het begrip ‘waren’ in artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet zodanig ruim is dat deze mede betrekking kan hebben op gebruikte banden. Bij niet naleving van bij of krachtens de Warenwet gestelde voorschriften is de minister – onder andere – bevoegd om en last onder bestuursdwang of een bestuurlijke boete op te leggen. Dit op grond van artikel 32 en 32a. De rechtbank oordeelde echter dat de minister in dit geval heeft kunnen afzien van de verzochte handhaving.

De minister voerde namelijk aan dat er sinds 2012 weinig tijgermuggen in Nederland zijn aangetroffen. Reden waardoor van zeer sporadische verhandeling van tweedehands banden niet redelijkerwijs kan worden vermoed dat die bijzondere gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens. De minister voerde ook aan dat het handhavingsbeleid niet gericht is op het realiseren van nulvangst van (larven van) tijgermuggen, maar op het indammen van risico’s. Dat uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan de convenanten die de Staat der Nederlanden heeft afgesloten met de Vereniging VACO, de bedrijfstakorganisatie voor de Banden- en wielenbranche. Onder deze omstandigheden zag de rechtbank dan ook geen aanleiding om in het kader van handhaving van artikel 18 van de Warenwet van een ruimere risico-inschatting uit te gaan dan de minister heeft gedaan. Ook dit beroep werd dan ook ongegrond verklaard.

NOOT REDACTIE

Mr. Reinhold, voorzitter van de Stichting, heeft in 2014 al kritiek geuit op het huidige Warenwetbesluit en de reeds gesloten convenanten. In zijn artikel “Oerwoud van regels rond invasieve exoten vertoont veel gaten2 ging hij ook expliciet in op de tijgermug. In zijn visie werd de tijgermug niet adequaat aangepakt, dan wel minder adequaat dan bijvoorbeeld andere insecten. In zijn visie leek de overheid niet te durven. Opvallend is dat Reinhold in dat artikel er zelf op wijst dat in het definitieve Warenwetbesluit uiteindelijk de bepaling, dat Lucky Bamboo vrij van tijgermuggen moet worden verhandeld, is geschrapt. Dit terwijl dat nog wel stond in het ontwerpbesluit dat naar de Raad van State is gezonden – net als in de in 2006 en 2007 gesloten convenanten en de in 2009 uitgevaardigde tijdelijke regeling. Ook wijst hij erop dat het in 2013 gesloten convenant met VACO het toestaat dat besmette banden vanaf de importeur worden verspreid naar locaties waar geen sprake is van droge opslag, zodat de eitjes alsnog kunnen uitkomen. De problematiek die bij de Lucky Bamboo-zaak speelde, was de Stichting dan ook bekend. Mede gelet daarop zal de uitspraak van de rechtbank Rotterdam dan ook niet als grote verassing voor de Stichting komen. Hoe dan ook, de Stichting heeft aangegeven teleurgesteld te zijn over de uitspraken. In de visie van de Stichting is elke tijgermug er één te veel. De minister hanteert daarbij een ander beleid. Naar verluidt overweegt de Stichting dan ook hoger beroep in te stellen. De discussie wordt mogelijk vervolgd. Wellicht is het handiger om dan een bedrijf te zoeken waar veel tijgermuggen worden aangetroffen. Bij de importeurs van de Lucky Bamboo-planten ging het immers om 5 muggen (in 2013) en 2 muggen (in 2014) op een totaalaantal planten van 15 tot 20 miljoen per jaar. Hetgeen betekent – volgens de minister – dat slechts bij hoge uitzondering muggen worden gevangen. De uitspraak over de banden noemt daarentegen geen expliciete aantallen.

Voetnoten

1
Stb. 2011, 196.
2
Milieu & Recht 2014/83.
Verder lezen
Terug naar overzicht