JWR 2017/32, Rechtbank Oost-Brabant zp 's-Hertogenbosch 28-03-2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:1781, 01/860481-16 (met annotatie van C.J. van Eekelen)

Inhoudsindicatie

Te hoge snelheid bij rijden met optische en geluidssignalen

Samenvatting

De Rechtbank Oost-Brabant veroordeelde een politieagent omdat hij op 29 mei 2016 in ’s-Hertogenbosch een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een persoon zwaar lichamelijk letsel opliep. De agent reed met een politieauto met gebruikmaking van de optische en geluidsignalen. Daarbij handelde de agent in strijd met de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014. Hij had van de centralist van de meldkamer geen toestemming gekregen voor het voeren van de optische- en geluidssignalen. Desondanks besloot de agent deze signalen toch te voeren. Op een kruising negeerde hij het rode verkeerslicht en kwam hij in aanrijding met een auto die de kruising vanaf een zijweg opreed. Door het handelen van verdachte is een aanrijding ontstaan met een personenauto. Een van de inzittenden van die personenauto heeft als gevolg van de aanrijding ernstig letsel opgelopen. Het slachtoffer staat nog steeds onder behandeling en is niet in staat haar werkzaamheden te verrichten. Uit het ingestelde onderzoek bleek dat de agent met een snelheid van veel meer dan 20 km/uur de kruising is opgereden (voorwaarde uit de Brancherichtlijn). De berekende indicatieve snelheid lag tussen de 124 en 134 km/uur. De rechtbank vond dat de agent zeer onvoorzichtig heeft gereden. Zij verweet hem geen roekeloosheid. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. De opgelegde straf was zwaarden dan de eis van het OM. De rechtbank overwoog dat juist van een politieagent verwacht mag worden dat hij de veiligheid van anderen in acht neemt.

Uitspraak

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 februari 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 maart 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto/politievoertuig), daarmede rijdende over de weg, Vlijmenseweg, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg(en), Oude Vlijmenseweg en/of Deutersestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met hoge, althans aanmerkelijke snelheid en/althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 voorschrijft en/of (daarbij) geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, (mede) waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een vanaf de weg, Oude Vlijmenseweg, die kruising oprijdend motorrijtuig, waardoor een ander (te weten een inzittende van dat laatstgenoemde motorrijtuig, genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten letsel aan een hand, bestaande uit een of meer breuken in die hand en/of handwortel en/of vinger(s) en/of kneuzing aan die hand en/of letsel aan de nek en/of rug en/of schouder(s) en/of heup en/of (aanhoudende) hoofdpijnklachten, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto/politievoertuig), daarmee rijdende op de weg, Vlijmenseweg,gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg(en), Oude Vlijmenseweg en/of Deutersestraat,

heeft gereden met hoge, althans aanmerkelijke snelheid en/althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 voorschrijft en/of (daarbij) geen gevolg heeft geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, (mede) waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een vanaf de weg, Oude Vlijmenseweg, die kruising oprijdend motorrijtuig, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft – conform het op schrift gestelde requisitoir – onder verwijzing naar de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 en de omstandigheden van het geval het rijgedrag van verdachte aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op het negeren van het rode verkeerslicht, de hoge snelheid en het accelereren bij het naderen van het kruispunt. Van roekeloosheid is geen sprake, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De opeenstapelijking van het letsel en de pijnklachten van [slachtoffer], te weten: een breuk in de hand, handwortel of vinger alsmede nek-, schouder-, rug- en hoofdpijnklachten, dient gekwalificeerd te worden als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman, op de in de pleitnota genoemde gronden, allereerst betoogd dat de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 geen wettelijk voorschrift is en blijkens de considerans gericht is aan de werkgever van verdachte, zodat deze richtlijn niet verplichtend is voor verdachte. Verder is betoogd dat de culpa in de tenlastelegging onvoldoende is onderbouwd, enerzijds omdat de in voornoemde Brancherichtlijn vermelde snelheid geen wettelijk voorschrift is en anderzijds omdat verdachte als voorrangsvoertuig geen gevolg hoefde te geven aan het rode verkeerslicht.

Voorts is bepleit dat er onvoldoende bewijs is voor schuld in de gradatie roekeloosheid. Van rijgedrag in de gradatie zeer onvoorzichtig is ook geen sprake geweest, omdat verdachte slechts verweten kan worden dat hij zich onvoldoende op de weg heeft gefocust, waardoor hij het verkeerslicht en de kruising niet heeft gezien. Wel zou een bewezenverklaring kunnen volgen van schuld in de gradatie aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.

De raadsman heeft zich verder, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel. Wel is het letsel te kwalificeren als zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van de hierna genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit, met daarbij schuld in de gradatie zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, wettig en overtuigend bewezen. Van schuld in de gradatie roekeloosheid is gelet ook op de jurisprudentie van de Hoge Raad geen sprake, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank kwalificeert het letsel van [slachtoffer] niet als zwaar lichamelijk letsel, maar wel als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan.

De bewijsmiddelen (zakelijk weergegeven)

– Het ongeval

[getuige 1] heeft het volgende verklaard over het ongeval.

“Op zondag 29 mei 2016 reed ik als bestuurder van een Fiat Grande Punto te ’s-Hertogenbosch richting de kruising van de Oude Vlijmenseweg en de Vlijmenseweg. Mijn vriendin [slachtoffer] zat naast mij voorin. Ik ben gereden naar het verkeerslicht op de kruising. Ik reed vervolgens de kruising op en maakte de bocht naar links. Wat er toen gebeurde ging allemaal erg snel. Ik zag nog in een oogwenk een auto van links voor van mij komen en vervolgens heb ik nog in een reflex geremd, maar die auto reed vervolgens tegen de voorzijde van mijn auto.”1

[slachtoffer] heeft het volgende verklaard.

“Op 29 mei 2016 zat ik als passagier op de rechter voorstoel van een personenauto, bestuurd door [getuige 1]. Het verkeerslicht ging op groen en [getuige 1] reed de kruising op. Vervolgens ging het erg snel. We reden dus de kruising op en het volgende moment voelde ik een harde klap in de auto.”2

[getuige 2] heeft het volgende verklaard over de aanrijding.

“Ik had een late wijk/noodhulpdienst met [verdachte]. Via de portofoon hoorden wij dat de meldkamer verzocht om extra eenheden. [verdachte] reed. We naderden de kruising Vlijmenseweg met de Oude Vlijmenseweg. Ik zag dat de auto van rechts de kruising opreed. Ik riep naar [verdachte] iets in de trant van ‘kijk uit’. Volgens mij stuurde [verdachte] zijn auto iets naar links om deze auto te ontwijken. Meteen daarna werden wij geraakt door de auto die de kruising kwam opgereden. [verdachte] heeft mij direct na de aanrijding verteld dat hij die auto niet heeft gezien.”3

In het proces-verbaal Forensisch onderzoek is de vermoedelijke toedracht van het ongeval als volgt beschreven.

“Uit de door mij aangetroffen situatie, de sporen, de eindpositie van de voertuigen en de schade aan de voertuigen, kan de volgende vermoedelijke toedracht worden geconcludeerd:

De bestuurder van het politievoertuig heeft gereden over de Vlijmenseweg komende uit oostelijke richting en gaande in westelijke richting. Hierbij diende deze de kruising met de Oude Vlijmenseweg en de Deutersestraat over te steken, alwaar het verkeer geregeld werd middels een verkeersregel-installatie, welke op dat moment regelde.

De bestuurder van de Fiat heeft gereden over de Oude Vlijmenseweg komende uit noordelijke richting en gaande in oostelijke richting, alwaar het verkeer geregeld werd middels een verkeersregel-installatie. Tevens waren hier borden B6 van de Bijlage 1 RVV 1990 aangebracht alsmede zgn. haaientanden kort voor de kruising. Vervolgens diende deze bestuurder de noordelijke rijstroken van de Vlijmenseweg over te steken, alwaar het verkeer eveneens geregeld werd middels een verkeersregel-installatie, welke op dat moment in werking was.

Vervolgens is de Fiat met diens voorzijde tegen de rechterzijde van het politievoertuig gebotst waarna het politie voertuig is gekanteld en tegen een verkeerspaal is gebotst en naar diens eindpositie is gegleden.”4

– Door rood rijden van het politievoertuig

In het Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie (hierna: het pv VRI) is het volgende gerelateerd over de stoplichten en het passeren daarvan door het politievoertuig en de Fiat.

“Blijkens informatie van de wegbeheerder werden er in het verkeersregeltoestel logbestanden opgeslagen in zogenaamde MV files. In deze logbestanden wordt opgeslagen op welk moment een bepaalde detectielus wordt geactiveerd en wat de kleur van de lichten is op dat moment.

Op zondag 29 mei 2016 te 00:47:00 uur is zichtbaar dat de VRI overgaat van regelen naar geel knipperen. Dit was passend bij het feit dat tijdens het verkeersongeval verkeerslantaarn 3.1 van de mast werd gereden. Indien een dergelijke storing optreedt, zal (...) de VRI automatisch overgaan op geel knipperen. Het verkeersongeval heeft derhalve plaatsgevonden op zondag 29 mei 2016 te 00:47:00 uur.5

De bestuurder van het politievoertuig was op zondag 29 mei om 00:46:53 uur de stopstreep gepasseerd terwijl het voor zijn rijrichting geldende verkeerslicht gedurende 5,9 seconden rood licht uitstraalde. De bestuurder van de Fiat was op zondag 29 mei te 00:46:51 uur de stopstreep gepasseerd terwijl het voor zijn rijrichting gelden verkeerslicht gedurende 3,6 seconden groen licht uitstraalde.”6

[getuige 2] heeft verklaard dat de verkeerslichten bij het passeren van de kruising op rood stonden.7

– De snelheid

In het pv VRI is het volgende gerelateerd over de snelheid van het politievoertuig en de Fiat.

“De gemiddeld gereden snelheid van het politievoertuig, over de detectielussen voorafgaand aan de stopstreep, had gelegen tussen de 124 km/h en 134 km/h, althans een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 70 km/h.

De gemiddeld gereden snelheid van de Fiat, over de detectielussen voorafgaand aan de stopstreep, had gelegen tussen de 15 km/h en 16 km/h, althans een lagere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km/h.”8

In het pv VRI is een tabel opgenomen van gemiddelde indicatieve snelheden tussen twee detectielussen in de rijrichting van het politievoertuig vlak voor de bewuste kruising.

Tussen detectielus D 2.10 en D 2.8 was de snelheid minimaal 67 km/h en maximaal 94 km/h. Tussen detectielus D 2.8 en D 2.6 was de snelheid minimaal 101 en maximaal 168 km/h, tussen detectielus D 2.6 en D 2.4 minimaal 108 en maximaal 144 km/h en tussen detectielus D 2.4 en D 2.2. (de detectielussen die het dichtst bij het kruispunt lagen) tussen minimaal 125 en maximaal 153 km/h.9

Verdachte heeft verklaard dat hij, vlak voordat ze bij het Jeroen Bosch ziekenhuis aankwamen, van zijn bijrijder, [getuige 2], hoorde dat de persoon genoemd in de prio 1 melding, de A59 was opgereden en dat de auto “recht voor ons zou zitten. [getuige 2] zei: ‘Gas erop’. Het eerste wat ik dan weer weet is dat ik een klap voelde”.10 Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij zich niet meer herinnert of [getuige 2] dit letterlijk zo heeft gezegd, maar dat [getuige 2] wel woorden van een dergelijke strekking heeft gesproken.

[getuige 1] heeft verklaard dat de kruising “helemaal vrij was toen ik bij groen optrok en ik heb nergens een andere auto zien aankomen”.11

[slachtoffer] heeft verklaard dat de kruising “nog steeds helemaal vrij was” toen [getuige 1] de kruising opreed.12

[getuige 3] heeft verklaard dat hij op 29 mei 2016 als bestuurder van een personenauto voor het rode verkeerslicht op de Deutersestraat stond voor de kruising van de Vlijmenseweg met de Oude Vlijmenseweg.13 “Ik zag dat de politieauto hard de kruising naderde. Ik vermoed dat de politieauto met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur over de kruising reed.”14

[getuige 4] heeft verklaard dat hij op 29 mei 2016 stond te wachten voor het rode verkeerslicht, kruising Oude Vlijmenseweg, Deutersestraat te ’s-Hertogenbosch. Hij zag dat vanuit tegengestelde richting een politieauto aan kwam met blauw knipperende lampen en de sirene aan. Hij zag dat een auto vanuit de Oude Vlijmenseweg de kruising op reed en dat “de politieauto met volle vaart op deze auto klapte”. Hij zag dat “de politieauto hierdoor werd gelanceerd en schuin door de lucht vloog. De politie auto klapte een aantal meter verder tegen de lantaarnpaal/verkeerslichten”.15

– Rijden met optische en geluidssignalen.

[getuige 2] heeft verklaard dat ze vlakbij het Jeroen Bosch ziekenhuis reden. “Wij zijn van de Vlijmenseweg, bij de kruising bij het ziekenhuis, de Vlijmenseweg gevolgd in de richting van de Oude Vlijmenseweg. Op het moment dat wij ter hoogte van het ziekenhuis reden voerden wij de optische en geluidssignalen”.16

[getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat de politieauto de blauwe lampen aan had staan en dat hij hoorde dat de sirene aanstond.17

[getuige 4] heeft verklaard dat de politie-auto aan kwam rijden “met blauw knipperende lampen en de sirene aan”.18

– Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014

In deze Brancherichtlijn is onder meer het volgende bepaald.19

“1. Inleiding

De brancherichtlijn geeft helderheid over de prioritering van meldingen en de daaraan gekoppelde taken en verantwoordelijkheden van zowel de meldkamer als de bestuurders van bij de politie in gebruik zijnde motorvoertuigen. Voor de bestuurders van die genoemde motorvoertuigen is de inhoud van deze brancherichtlijn verplichtend en dient men in overeenstemming daarmee te handelen.

Deze brancherichtlijn is van toepassing op bij de politie in gebruik zijnde motorvoertuigen die rijden met optische en geluidssignalen (en dus voorrangsvoertuig zijn in de zin van het RVV90).

2. Wet- en regelgeving

Wanneer een motorvoertuig optische en geluidssignalen gebruikt, wordt het automatisch een voorrangsvoertuig. Bestuurders van voorrangsvoertuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1, RVV’90 hebben op basis van artikel 91 van datzelfde reglement de bevoegdheid af te wijken van alle voorschriften van het RVV’90 voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Daarbij mag echter het verkeer niet in gevaar worden gebracht of onnodig worden gehinderd (artikel 5 WVW 1994).

6. Toestemming en voeren optische en geluidssignalen

Het gebruik van de signalen is uitsluitend toegestaan na toestemming van de centralist van de meldkamer. Deze verleent slechts toestemming indien er sprake is van een dringende taak. De verleende toestemming wordt geregistreerd.

8. Gedragscode bestuurder voertuigen

De bestuurder van een voorrangsvoertuig dient zich bewust te zijn van het feit dat de reactie van overige weggebruikers een onvoorspelbare factor is.

De bestuurder moet zich rekenschap geven van de mogelijkheid dat andere weggebruikers hem niet horen en/of zien, dan wel zijn richting en/of snelheid niet goed kunnen inschatten. Dit betekent dat er rekening gehouden dient te worden met onvoorziene of onberekenbare reacties van andere weggebruikers. Het algehele rijgedrag van de bestuurder van het voorrangsvoertuig dient beheerst te zijn.

Kruispunten

Het naderen en oversteken van kruispunten gebeurt met aangepaste snelheid. Bij het oprijden van het kruisingsvlak dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan. Daarom wordt zo nodig gestopt.

Rood licht

Het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur. Bij bruggen en spoorwegovergangen wordt het rode licht niet genegeerd en mag niet worden doorgereden.

Maximumsnelheid

De rijbaan wordt bereden met een snelheid van maximaal 40 km per uur boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid. In overleg met de meldkamer mag hier in uitzonderlijke gevallen van worden afgeweken.”

Verdachte heeft over de brancherichtlijn verklaard:

“Ik weet dat ik volgens de brancherichtlijnen met een snelheid van 20 kilometer per uur een kruising over mag, als op dat moment de verkeerslichten in mijn richting rood licht uitstralen.”20

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de verkeerssituatie ter plaatse goed kende en dat hij voorheen geregeld het bewuste kruispunt heeft gepasseerd. Hij verklaarde zich de aanloop naar het ongeval niet te herinneren, maar hij vermoedt het kruispunt niet te hebben opgemerkt (of zoals hij het ter zitting formuleerde: het kruispunt te hebben “gemist”).

[getuige 2] heeft verklaard over het verkrijgen van toestemming van de meldkamer om optische en geluidssignalen te voeren: “We hebben diverse spraakaanvragen gedaan richting de meldkamer. Hier kregen wij geen antwoord op. We kwamen er niet tussendoor.”21

Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij en zijn collega [getuige 2] van de meldkamer geen toestemming hadden verkregen om optische en geluidssignalen te voeren.

– Letsel van [slachtoffer]

Op 15 november 2016 heeft de behandelende arts van het Jeroen Bosch ziekenhuis een medische verklaring verstrekt op basis van onderzoek van het [slachtoffer] op 29 mei 2016. De arts heeft als uitwendig letsel geconstateerd: kneuzing van de rechter hand en kneuzing van de rechter heup.22

In haar verhoor op 22 juni 2016 heeft [slachtoffer] onder meer het volgende verklaard over haar letsel als gevolg van het ongeval.

“Ik heb op dit moment nog steeds pijn in de rechter hand en kan deze nauwelijks bewegen. Ik word door deze verwonding beperkt in de uitoefening van mijn werk. Ik ben werkzaam als schoonmaakster voor 40 uur in de week. Sinds het ongeval heb ik nog niet kunnen werken. Ook in de dagelijkse dingen thuis word ik nog steeds belemmerd in de uitvoering van dingen. Ik heb in zijn geheel geen kracht in de rechter hand. Ik heb ook nog steeds last van hoofdpijn en ook mijn rug doet nog zeer alsmede mijn schouders. Alles zit vast.”23

In haar verhoor op 31 oktober 2016 heeft ze verklaard dat ze nog steeds last ondervindt van het ongeval.

“Ik loop op dit moment bij de psychotherapeut [de rechtbank neemt aan: de fysiotherapeut] voor de behandeling van mijn hoofdpijn en pijn in de schouder, vooral rechts alsmede mijn nek. Ik heb nog steeds pijn in mijn nek. Deze pijn straalt uit naar mijn rechter schouder, in combinatie met heftige hoofdpijn. De behandeling bestaat na uit massage met daarbij krachtoefeningen. Deze behandeling duurt nu al bijna een half [jaar, neemt de rechtbank aan]. Eerst ging ik twee keer per week, maar na de zomervakantie is dit 1 per week geworden. Ik heb echter maar weinig baat bij de behandeling. Ook heb ik nog steeds last van mijn rechter hand.

Mijn rechter hand is nog steeds stijf en heeft krachtsverlies. Dit is vooral in de rechter ringvinger en pink. Ik kan nog steeds niet normaal iets oppakken. Ik moet dit echt bewust doen waarbij ik de ring vinger en pink ontzie. Door voornoemde kwalen kan ik geen normaal werk doen. Voor het ongeval was ik werkzaam als schoonmaakster. Ik werkte op halfjaar contract en zou per 16 oktober een vast contract krijgen, na het ongeval kon ik echter niet meer werken.”24

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van verzekeringsarts-RGA [persoon 1].

Deze heeft onder meer het volgende gerapporteerd.

“Als gevolg van het ongeval is cliënte nog steeds 100% arbeidsongeschikt voor haar werk als schoonmaakster. Hierdoor werd het tijdelijke contract niet verlengd. Zij tracht wel enkele uurtjes op arbeidstherapeutische basis te werken.

Op 06-07-16 bezocht cliënte het spreekuur van de huisarts. Zij hield veel last van de rechter hand. Bij onderzoek door de huisarts bleek dat cliënte haar ringvinger en pink nog niet kon bewegen. Daarnaast had zij nog steeds hoofdpijn- en nekklachten. De handtherapeut werd gevraagd ook de nek te behandelen.

Op 07-06-16 had cliënte contact met de arbodienst. Gesteld werd dat zij nog beperkingen had ten aanzien van tillen, dragen, pakken, grijpen, kracht zetten en uitvoeren van fysieke taken. Zij werd ongeschikt geacht voor eigen of ander werk. Verzuimduur kon nog niet aangegeven worden.

Op 11-07-16 werd een probleem analyse opgesteld. Cliënte kon slechts de niet dominante arm gebruiken voor werkzaamheden. De mogelijkheden waren hierdoor erg beperkt.

Actuele toestand: cliënte kan haar rechter hand nog steeds niet strekken. De hand is stijf en pijnlijk. Zij heeft geen kracht in haar rechter hand/arm. Zij heeft ook nog steeds de hele dag door hoofdpijn. Ook de nekklachten zijn nog niet geweken. Cliënte hoeft niet meer terug te komen bij het JBZ [Jeroen Bosch Ziekenhuis]. Wel heeft zij nog 1 maal per week fysiotherapie.

Mijn overweggingen.

Uit de meest recente berichtgeving blijkt dat cliënte nog niet klachtenvrij is en nog steeds beperkingen ervaart. Het is ook voor te stelten dat herstel nog enige tijd in beslag zal nemen en dat er nog geen sprake is van een eindtoestand. Een eindtoestand bij deze letsels wordt aangenomen bij 2 jaar na het ongeval.”25

In een mailbericht van 3 februari 2017 heeft [slachtoffer] aangegeven dat haar klachten sinds oktober 2016 zijn verergerd. Ze heeft nog steeds last van hoofdpijn en nekklachten. Ook haar rugpijn is verergerd. Ze kan niet veel kracht zetten met haar rechterhand en krijgt de vingers nog niet helemaal recht.26

In haar schriftelijke slachtofferverklaring van 14 maart 2017 verklaart ze dat ze sinds juli 2016 onder behandeling is van een fysiotherapeut en niet meer werkzaam kan zijn als schoonmaakster.

Bewijsoverwegingen

Toepasselijkheid Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 geen wettelijk voorschrift is en blijkens de considerans is gericht aan de werkgever van verdachte, waardoor verdachte niet verplicht was voornoemde richtlijn na te leven. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Hoewel het juist is dat de richtlijn niet aangemerkt kan worden als een wettelijk voorschrift, geeft de considerans er blijk van dat zij zich niet alleen richt tot de werkgever van verdachte, maar ook tot de werknemer voor zover hij kan worden aangemerkt als bestuurder van een dienstvoertuig van de politie. De considerans bepaalt immers dat de richtlijn helderheid verschaft over de prioritering van meldingen en de daaraan gekoppelde taken en verantwoordelijkheden van bestuurders van bij de politie in gebruik zijnde motorvoertuigen. Verder blijkt uit de considerans dat de inhoud van de brancherichtlijn verplichtend is voor de bestuurders van deze voertuigen. Zij dienen dan ook in overeenstemming daarmee te handelen.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ongeval in de uitoefening van zijn functie als politieagent een dienstvoertuig van de politie bestuurde en daarbij optische en geluidssignalen voerde, is de rechtbank van oordeel dat de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 verplichtend was voor verdachte. Verdachte was bekend met de inhoud van de voorschriften van de richtlijn en hij was gehouden te handelen in overeenstemming met deze voorschriften.

Schuld

Aan verdachte is primair overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: artikel 6 WVW 1994) ten laste gelegd.

Bij de beoordeling of schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld ex art. 6 WVW 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Bij de beoordeling van de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, neemt de rechtbank het navolgende in aanmerking.

Verdachte en zijn collega hadden van de centralist van de meldkamer geen toestemming gekregen voor het voeren van optische en geluidssignalen. De rechtbank stelt vast dat zij deze signalen wel voerden, nu getuigen, onder wie de bijrijder in de politieauto, dit hebben waargenomen. Ondanks het ontbreken van toestemming hebben verdachte en zijn collega er op enig moment kennelijk voor gekozen de signalen toch aan te zetten om zodoende als voorrangsvoertuig aangemerkt te worden. De rechtbank stelt voorop dat deze handelwijze in strijd was met de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014. Deze schrijft immers voor dat het gebruik van signalen alleen is toegestaan na toestemming van de centralist van de meldkamer. Dat neemt niet weg dat het door verdachte bestuurde voertuig een voorrangsvoertuig was. In de Brancherichtlijn is immers bepaald dat een motorvoertuig automatisch een voorrangsvoertuig wordt wanneer het optische en geluidssignalen gebruikt.

De bestuurder van een voorrangsvoertuig moet de voorschriften van de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 in acht nemen. Deze richtlijn bepaalt onder meer dat de bestuurder van een voorrangsvoertuig zich bewust moet zijn van het feit dat de reactie van overige weggebruikers een onvoorspelbare factor is, omdat motorvoertuigen met optische en geluidssignalen, onder meer door een ander rijgedrag, het normale verkeersbeeld verstoren. Bij het oprijden van een kruisingsvlak moet de bestuurder van het voorrangsvoertuig er om die reden van uit gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan. Daarom wordt zo nodig gestopt. Het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich niet aan de voormelde voorschriften heeft gehouden. Verdachte is niet gestopt voor het rode verkeerslicht en heeft het rode verkeerslicht ook niet gepasseerd met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur.

Dat hij met een aanzienlijk hogere snelheid dan 20 kilometer per uur door rood is gereden, maakt de rechtbank allereerst op uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [slachtoffer], [getuige 3] en [getuige 4]. [getuige 1] en [slachtoffer] hebben verklaard dat zij beiden het voertuig vanuit hun positie niet hebben zien of horen aankomen. [getuige 3] heeft verklaard dat de politieauto het kruispunt op reed met een snelheid van vermoedelijk ongeveer 100 kilometer per uur. [getuige 4] heeft verklaard dat de politieauto in volle vaart op de auto van het slachtoffer klapte en daarna werd gelanceerd en door de lucht vloog.

Ook de resultaten van de indicatieve snelheidsmeting wijzen er op dat verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid dan 20 kilometer per uur door rood is gereden. De rechtbank miskent niet dat deze snelheidsmeting slechts indicatief is en dat uit onderzoek over de betrouwbaarheid van de meetmethode is gebleken dat de berekende snelheid een betrouwbaarheidspercentage heeft van 85%. De berekende indicatieve snelheid (tussen 124 en 134 kilometer per uur) is echter dermate hoog, dat daaruit kan worden opgemaakt dat de snelheid in ieder geval aanzienlijk hoger moet zijn geweest dan 20 kilometer per uur.

Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte zeer onoplettend is geweest, doordat hij het kruispunt kennelijk geheel over het hoofd heeft gezien, zoals hij ook zelf verklaart.

De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee verworpen.

Letsel

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval alsmede tussen het verkeersongeval en het letsel en de pijnklachten van het slachtoffer. Als gevolg van het zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte is er immers een botsing ontstaan tussen het dienstvoertuig van verdachte en de auto waarin [slachtoffer] zich bevond, waardoor [slachtoffer] letsel heeft opgelopen.

Uit de medische verklaring van dr. Huijbregts blijkt dat [slachtoffer] als gevolg van het ongeval een kneuzing heeft opgelopen aan de rechterhand en rechterheup. In een brief van de verzekeringsarts en in de verklaringen van het slachtoffer zelf wordt ook gesproken van een breuk in de hand, handwortel of vinger, maar dit betreft informatie die het slachtoffer zelf heeft gemeld. Medische informatie waaruit blijkt dat artsen op basis van medisch onderzoek hebben vastgesteld dat sprake is geweest van een breuk in de hand, ontbreekt. De rechtbank acht een breuk dan ook niet bewezen.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, ook indien zou worden aangenomen dat er wel sprake is van een breuk, het letsel naar algemeen spraakgebruik niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr, ook niet in samenhang met de pijnklachten en ondervonden beperkingen.

Wel is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan.

Overige verweren

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. primair:

op 29 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto/politievoertuig), daarmede rijdende over de weg, Vlijmenseweg, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de wegen, Oude Vlijmenseweg en Deutersestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te rijden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 voorschrijft en daarbij geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een vanaf de weg, Oude Vlijmenseweg, die kruising oprijdend motorrijtuig, waardoor een ander (te weten een inzittende van dat laatstgenoemde motorrijtuig, genaamd [slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

Onder verwijzing naar de bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte dient te worden opgelegd een geldboete alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Een onvoorwaardelijke taakstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, wordt door de oriëntatiepunten niet genoemd en is dan ook niet passend. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou verdachte belemmeren in de uitoefening van zijn functie als politieagent.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Bij zeer onvoorzichtig rijgedrag met als gevolg tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is het oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uur en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft door zijn gedrag zichzelf en zijn medeweggebruikers in een levensgevaarlijke situatie gebracht. De rechtbank rekent dit verdachte aan en overweegt dat juist van een politieagent verwacht mag worden dat hij de veiligheid van anderen in acht neemt. Verdachte mag van geluk spreken dat de gevolgen beperkt zijn gebleven, aangezien het voor de inzittenden van beide auto’s veel erger had kunnen aflopen.

Strafmatigende omstandigheden

Verdachte was de desbetreffende avond onderweg naar een levensbedreigende situatie, waarbij hij in het belang van de veiligheid van anderen ook voor zichzelf risico’s heeft genomen. Verdachte heeft er verder blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en dat hij meeleeft met het slachtoffer. Hoewel dit op afraden van zijn leidinggevende niet is gebeurd, heeft verdachte na het ongeval contact op willen nemen met het slachtoffer en willen informeren naar haar gezondheidstoestand. Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft en voor de uitoefening van zijn functie als politieagent in sterke mate afhankelijk is van zijn rijbevoegdheid.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt, met name gelet op het zeer gevaarzettend karakter van het rijgedrag van verdachte.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uur passend en geboden is. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur. De rechtbank gaat ervan uit dat de reclassering een passende invulling zal kunnen geven aan deze taakstraf en hierbij rekening houdt met de functie van verdachte als politieagent.

De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank beoogt hiermee enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91.

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 176, 179.

De uitspraak

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. primair:

Taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Noot

De Brancherichtlijn Verkeer Politie 2014 schrijft voor hoe er moet worden omgegaan met het gebruik van het rijden met optische en geluidssignalen. Zo is voor het gebruik toestemming nodig van de centralist (hij kan een goede inschatting maken op basis van de melding en de inzet van voertuigen of het gebruik van de signalen is gewenst). En als met de signalen wordt gereden zijn er in bepaalde situaties beperkingen voorgeschreven, met name op het gebied van de maximumsnelheid. Keer op keer blijkt dat de rechter de voorwaarden zwaar weegt. Het rijden met een voorrangsvoertuig kan voor andere verkeersdeelnemers gevaar opleveren en juist daarom dienen deze voorwaarden in acht te worden genomen.

C.J. van Eekelen

Voetnoten

1
Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], d.d. 16 juni 2016, p. 120-121.
2
Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], d.d. 22 juni 2016, p. 125-126.
3
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], d.d. 22 augustus 2016, p. 116-119.
4
Proces-verbaal Forensisch onderzoek, 12 september 2016, eind proces-verbaal, p. 49-50.
5
Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie, d.d. 5 september 2016, eind pv p. 61.
6
Ibidem, p. 63.
7
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], d.d. 22 augustus 2016, p. 118.
8
Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie, d.d. 5 september 2016, eind pv p. 63.
9
Ibidem, p. 62.
10
Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 7 juli 2016, p. 110-111.
11
Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], d.d. 16 juni 2016, p. 120-121
12
Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], d.d. 22 juni 2016, p. 126
13
Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 7 oktober 2016, p. 141-142.
14
Proces-verbaal van verhoor [getuige 3], d.d. 29 mei 2016, p. 143.
15
Proces-verbaal van verhoor [getuige 4], d.d. 29 mei 2016, p. 145.
16
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], d.d. 22 augustus 2016, p. 117-118.
17
Proces-verbaal van verhoor [getuige 3], d.d. 7 oktober 2016, p. 141.
18
Proces-verbaal van verhoor [getuige 4], d.d. 29 mei 2016, p. 145.
19
Brancherichtlijn Politie Verkeer 2014, p. 148-162.
20
Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 7 juli 2016, p. 111.
21
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], d.d. 22 augustus 2916, p. 117.
22
Medische informatie dr. Huijbregts, d.d. 15 november 2016, p. 147.
23
Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], d.d. 22 juni 2016, p. 126.
24
Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], d.d. 31 oktober 2016, p. 130-131.
25
Advies verzekeringsarts-RGA [persoon 1], d.d. 24 oktober 2016.
26
Mailbericht [slachtoffer] aan [persoon 2], medewerker politie, d.d. 3 februari 2017.