In kader van IOAW-uitkering verrichte arbeid maakt uitkering geen loon uit tegenwoordige arbeid


Samenvatting

Belanghebbende geniet in 2012 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW-uitkering). In het kader daarvan heeft hij onder andere gemiddeld 20 uren per week werkzaamheden verricht als conciërge bij een scholengemeenschap. In geschil is of de IOAW-uitkering als inkomsten uit vroegere arbeid aangemerkt moet worden of als arbeidsinkomen, zodat belanghebbende recht heeft op arbeidskorting, doorwerkbonus en een verhoging van de alleenstaande-ouderkorting. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat hij zijn werkzaamheden als verplichte tegenprestatie voor de IOAW-uitkering heeft verricht. De IOAW-uitkering kan niet worden beschouwd als een onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid, omdat de onbeloonde werkzaamheden worden verricht in het kader van sociale activering, dan wel worden opgedragen als tegenprestatie om ‘iets terug te doen’ voor de uitkering. De arbeid is geen voorwaarde om de uitkering te krijgen. Dat belanghebbende tot de werkzaamheden kan worden verplicht en dat bij niet-nakoming van deze verplichting de uitkering (tijdelijk) geheel of gedeeltelijk op een lager bedrag kan worden gesteld, maakt dit niet anders, aldus de rechtbank.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

Eerder al oordeelden Hof Amsterdam 25 september 2014, nr. 14/00121, NTFR 2015/906 en Hof Den Haag 4 oktober 2016, nr. 16/00251, NTFR 2016/2712 dat werkzaamheden die worden opgedragen door een gemeente aan een bijstandsgerechtigde niet als tegenwoordige arbeid kunnen worden aangemerkt. Hetzelfde heeft te gelden voor de IOAW-uitkering. Volgens HR 31 januari 2014, nr. 12/05642, NTFR 2015/18 bestaat recht op arbeidskorting als…

Verder lezen
Terug naar overzicht