Kantongerecht Schiedam 18-09-2001 (Geerdes), JAR 2001, 208


Collectief ontslag. Kennelijk onredelijk ontslag. Anciënniteitsbeginsel.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 208.

De werkgever heeft in het kader van een reorganisatie in 1992 een lijst gemaakt van af te vloeien werknemers. Bij de selectie van deze werknemers heeft hij, behalve het anciënniteitsbeginsel, ook in aanmerking genomen dat de betrokken werknemers (matrozen) niet over een zogeheten promoverend diploma beschikte. Op vordering van de werknemers heeft de kantonrechter vervolgens in november 1992 geoordeeld dat dit laatste criterium ondeugdelijk is omdat er inhoudelijk geen verschil is tussen het werk dat matrozen met en matrozen zonder promoverend diploma doen (Kantonrechter Schiedam 03-11-1992, JAR 1992, 125, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1992, blz. 287). De RDA heeft bij beslissing van 21 december 1993 de werkgever toestemming gegeven de werknemers te ontslaan. Bij vonnissen van 14 juni 1994 en 5 september 1995 heeft de kantonrechter nogmaals bevestigd dat de werkgever ten onrechte van het anciënniteitsbeginsel is afgeweken. Dit vonnis is door de rechtbank vernietigd omdat de kantonrechter volgens de rechtbank geen oordeel had mogen geven over toepassing van het anciënniteitsbeginsel voordat de RDA dit had gedaan (Rechtbank Rotterdam 18-09-1997, JAR 1997, 212, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 15). Dit vonnis is in cassatie vernietigd, waarbij de zaak is verwezen naar het Hof 's-Gravenhage (HR 15-10-1999, Poldervaart/Smit, RvdW 1999, 143, JAR 1999, 275, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 192). Daar is de zaak nog niet aangebracht. De werknemers vorderen thans betaling van een vergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter constateert dat door de rechtbank en de Hoge Raad niets is overwogen omtrent de juistheid van de door de werkgever gehanteerde selectiecriteria. Daarom zal de kantonrechter, nu er ook geen zicht is op een spoedige beslissing door het Hof, de eerdere vonnissen van de kantonrechter tot uitgangspunt nemen. Nu in deze vonnissen is geoordeeld dat door de werkgever een onjuist, in strijd met het anciënniteitsbeginsel zijnd, selectiecriterium is gehanteerd, acht de kantonrechter zich hieraan gebonden. Dit betekent dat het ontslag van de werknemers die zich hierop hebben beroepen kennelijk onredelijk is. Verder zijn alle ontslagen kennelijk onredelijk vanwege het geheel uitblijven van enige financiële compensatie, waarbij van belang is dat aan werknemers die vrijwillig vertrokken wel een vergoeding is toegekend. Bij het bepalen van de hoogte van de toe te kennen vergoeding dient bij deze vergoeding aangesloten te worden

Terug naar overzicht