Kantonrechter Alphen aan den Rijn 09-09-2003 (Mulder), JAR 2003, 229


Bepaalde tijd. Loon. Wederzijds goedvinden. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 229.

Partijen hebben op 1 oktober 2002 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, ingaande op 1 november 2002. Op 22 oktober 2002 is bij de werknemer longkanker vastgesteld en is aangegeven dat opereren niet meer mogelijk was. Op 30 oktober 2002 heeft de werknemer met de werkgever over zijn situatie gesproken. Ten tijde van dat gesprek is een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten met dezelfde inhoud als de eerder gesloten arbeidsovereenkomst, maar met een duur van drie maanden. Bij brief van 30 januari 2003 heeft de werkgever laten weten dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou worden verlengd, maar dat de werknemer, zoals verzocht, op vrijwillige basis aan het werk zou kunnen blijven. Op 21 mei 2003 is de werknemer overleden. In de arbeidsovereenkomsten was bepaald dat de werkgever in geval van ziekte 70% van het loon zou doorbetalen. Verder bevatten de arbeidsovereenkomsten een bepaling, inhoudende dat een korting op het salaris van maximaal 25% zou plaatsvinden ingeval de kosten van indiensttreding niet binnen een jaar door het bedrijf zouden worden terugverdiend. De weduwe van de werknemer vordert betaling van te weinig ontvangen salaris over de periode van 1 november 2002 tot 21 mei 2003 alsmede betaling van de overlijdensuitkering op de voet van art. 7:674 BW. De werkgever betwist de vorderingen en stelt dat de werknemer juist beter af was met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omdat hij anders te maken zou krijgen met de korting vanwege het niet terugverdienen van zijn kosten binnen een jaar. De kantonrechter acht de bewuste bepaling in strijd met de bepalingen van dwingend recht en al helemaal niet toepasbaar in een contract voor de duur van drie maanden of in geval van arbeidsongeschiktheid. Het beroep van de werkgever op deze bepaling kan daarom niet slagen. De kantonrechter is verder van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting van de werknemer gericht op beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, althans dat sprake is van misbruik van omstandigheden omdat de werkgever wist of had moeten begrijpen dat de werknemer handelde als gevolg van de bijzondere omstandigheden van de situatie. De werknemer had geen enkel belang bij de omzetting van een contract voor onbepaalde tijd in een contract voor drie maanden. De werkgever dient daarom alsnog ziekengeld te betalen over de periode van 1 februari 2003 tot en met 21 mei 2003 alsmede de overlijdensuitkering van art. 7:674 BW.

Terug naar overzicht