Kantonrechter Amsterdam 01-09-2000 (Fruytier), JAR 2001, 2


Collectief ontslag. Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling (geen sociaal plan).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 2.

Een werkgever heeft de arbeidsovereenkomsten van 23 werknemers opgezegd nadat zijn opdrachtgever een contract met hem voor schoonmaak- en cateringwerkzaamheden had beëindigd. Een aantal van de 23 werknemers is vervolgens in dienst getreden bij het bedrijf dat de cateringwerkzaamheden heeft overgenomen. De werkgever heeft geen akkoord met de vakbonden bereikt over een Sociaal Plan. Hij heeft eenzijdig een regeling opgesteld en biedt op basis daarvan de ontslagen werknemers een zekere vergoeding aan. Deze stellen dat de aangeboden bedragen te laag zijn en dat de ontslagen daarom kennelijk onredelijk zijn. De kantonrechter acht de noodzaak van de ontslagen voldoende aangetoond. Nu de werkgever geen overeenstemming heeft bereikt met de vakbonden over een Sociaal Plan stond het hem vrij eenzijdig een afvloeiingsregeling te treffen, terwijl de werknemers deze regeling kunnen doen toetsen in een procedure ex art. 7:681 BW. De kantonrechter laat hierbij de eventuele instemming van de OR buiten beschouwing, nu deze ter zake geen advies- of instem- mingsrecht heeft en over het oordeel van de OR geen feitelijke inlichtingen zijn verstrekt. Wat betreft het zoeken van aansluiting bij art. 7:685 BW merkt de kantonrechter op dat een vordering uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag in principe op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als een verzoek om een ontbindingsvergoeding. Zo er bij invoering van beide artikelen in 1953 al een verschil tussen beide was beoogd, dan heeft dit inmiddels zijn betekenis verloren. De kantonrechter toetst vervolgens ten aanzien van elke werknemer individueel in hoeverre de aangeboden vergoeding billijk is en kent op grond van die toetsing aan vier van de 23 werknemers een aanvullende vergoeding toe

Verder lezen
Terug naar overzicht