Kantonrechter Amsterdam 07-09-2001 (Van der Linde), JAR 2001, 203


Bepaalde tijd. Proeftijd. CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 203.

De werkneemster is per 10 mei 2000 voor de duur van een jaar bij de werkgever in dienst getreden. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat een proeftijd van twee maanden in acht zal worden genomen. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor de reisbranche die is aangegaan voor de periode van 1 april 1999 tot en met 31 maart 2001. In de CAO is bepaald dat bij het aangaan van een dienstverband een proeftijd van ten hoogste twee maanden kan worden overeengekomen. Bij brief van 7 juli 2000 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werkneemster met ingang van 10 juli 2000 opgezegd. De werkneemster stelt dat de proeftijd niet geldig is omdat deze langer is dan een maand, terwijl partijen een contract voor een jaar hebben gesloten. De werkgever stelt dat bij CAO van de wettekst is afgeweken. De kantonrechter overweegt dat ingevolge art. 7:652 lid 4 onder a BW bij een arbeidsovereenkomst voor korter dan twee jaar een proeftijd ten hoogste één maand mag bedragen. Bij CAO mag van deze bepaling worden afgeweken. In de CAO voor de reisbranche is vermeld dat ook in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de proeftijd twee maanden kan bedragen. Waar in de CAO bij overeenkomsten voor bepaalde tijd geen onderscheid is gemaakt tussen arbeidsovereenkomsten voor meer dan twee jaar en arbeidsovereenkomsten voor minder dan twee jaar, is de conclusie dat volgens de CAO ook bij het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor korter dan twee jaar een proeftijd van twee maanden kan worden overeengekomen. Dat betekent dat de in casu afgesproken proeftijd geldig is en daarmee ook het - nog tijdens deze proeftijd - gegeven ontslag

Terug naar overzicht